Donderdag 22/08/2019

‘We zijn in schokken tot elkaar gekomen’

In welke taal we zullen converseren? We kiezen voor Johns moedertaal. Daarin drukt vader Flack zich nog altijd het vlotst uit. Daddy pruttelt tegen, heel even, in een taaltje dat we voor het gemak Boomglais noemen: een Angelsaksisch fundament met wat Rupel-Vlaams ertussen.- I understand nochtans Flemish perfect, zenne.- Allez daddy, doe het, spreekt es vloms.- Het is beschaafd, moar ook a beetje Boems, en die mensen van hier finden dat wel plesant so...Een eerste schaterlach. Ze zijn goedgeluimd na hun stevige lunch en genieten na, met koffietje, buiten in de najaarszon. Ineens zetten ze simultaan eenzelfde donkere bril op. Net de Blues Brothers, maar dan mét haaruitval. Hilarisch.“Mijn vrouw spreekt nu beter Engels dan ik”, steekt John van wal. “Bij onze ontmoeting kende ze geen woord Engels. Dat gaf nogal grappige situaties.”Herbert: “Tell her the story, daddy.”John: “We ontmoetten elkaar op de technische school in Boom. Amper een tiental dagen na D-day was ik op Belgische bodem beland, en ik ontmoette al mijn toekomstige. Josy (Marie-José, ML) was achttien, ik twintig. “Herbert: “Mammy was ambulancierster. Ze trok met een chaperonne naar het bal van het Rode Kruis. En daar was ook die soldaat van de Royal Air Force Red Cross.”

Een zeer goed uitziende jongeman, zegt men: lang, slank, brillantine in het haar.

Herbert: “Hij heeft ter bewijs zijn foto’s meegenomen, typisch daddy. (gniffelt)”John: “Anyway, Josy zat bij ons aan tafel. Er waren nog andere meisjes in de buurt. Ik weet niet waarom ik haar eruit pikte. Ik denk trouwens dat zij het was die mij uitkoos.”Herbert: “En nu the famous oneliner. (John twijfelt) Nee? Dan vertel ik het. Daddy zei: would you like to go to the movies? Mijn moeder verstond er niets van. Ze dacht: movies, move, moon... en antwoordde dan maar ‘Yes, nice moon’. En dan, daddy, het tweede verhaal. Wat gebeurde er twee dagen later?”John: “Bedoel je mijn cadeautje?”Herbert: “Inderdaad. In plaats van het meisje op wie hij zijn oog liet vallen een tuil bloemen te schenken, een mooi paar kousen, wat chocolade of sigaretten, zoals toen gebruikelijk was, had mijn vader het verstandige idee om haar te verleiden of beter gezegd, om haar vader te verleiden met...”John: “... een zak kolen, voor de kachel.”Herbert: “Mijn grootvader was een echte patriarch. Hij zei: dochters, pas op voor die Engelsen, dat zijn vliegenpikkers. Tot deze Engelsman voor de deur stond en uit zijn ambulance een zak steenkool sleurde. ‘Oké’, zei grootvader, ‘laat die jongen maar binnen.’ Plan geslaagd.”John: “Later zei hij mij: ‘Jongeman, ik ben ook in het leger geweest en dus weet ik waarvoor de soldaten komen.’ Ik was nochtans onschuldig hoor, ik had geen ervaring op dat gebied, zeker niet zoals jonge mensen nu hebben.”Herbert: “Maar het ontbrak je niet aan testosteron.”John: “(onverstoord) Een paar dagen na D-day landde ik in Frankrijk. Veel onvriendelijke mensen, ze hadden zoveel schade geleden en waren zwaar getraumatiseerd. In België werden we wel met open armen ontvangen. Prachtig hoor, toen we de grens overstaken nabij Ieper. Het was alsof we een andere wereld betraden.”

In wat voor gehavende wereld kwam u hier terecht?

John: “In Frankrijk lag alles plat, het was één grote ruïne. We waren op het schiereiland La Manche geland en trokken naar Bayeux. Een heel moeilijke tocht was het, want je was nergens veilig. De hele tijd werden er bommen gedropt, ’s nachts en overdag. We sliepen onder onze vrachtwagens, maakten een gat in de grond. Een open graf, daar leek het nog het meest op. We sleurden ons erdoor met grappen maken. Niemand klaagde. Ik heb meermaals zin gehad om te wenen, maar als je daaraan begon, lachten ze je gewoon uit.”

U was vrijwilliger. Waarom?

John: “Ik was zestien toen de oorlog begon en werd postbedeler, omdat alle volwassen postmannen opgeroepen waren. Ik bracht brieven rond van soldaten. Meermaals zeiden hun echtgenotes mij: ‘Waarom ben jij niet in dienst? Je bent toch groot en sterk?’ ‘Ik ben te jong’, zei ik, maar na een tijdje ging ik me behoorlijk schuldig voelen. Mijn geweten knaagde, dus ik besloot me zelf aan te bieden.”Herbert: “Het was een beetje een revolte tegen je ouders, toch?”John: “In zekere zin wel. Maar dat is een ander verhaal.”Herbert: “Ik herken dat, revolteren tegen je ouders. Maar de consequentie voor jou was dat je na je keuze in een totaal vreemde wereld én in een nieuw leven terechtkwam.”John: “Tijdens mijn diensttijd kreeg ik andere ideeën, en werd alles in mij omgewoeld. Ik kwam uit een heel klein dorp in de buurt van Londen. En dan word je midden in die vreselijke oorlog gedropt, in een land dat later mijn thuisland zou worden. Mijn commandant had nochtans gezegd: ‘Weet waaraan je begint, het is niet simpel, in België blijven.’ Ik sloeg die raad in de wind. Ik had mijn papieren in orde, was geestdriftig, overspoeld, alle gevoelens dooreen. En...”Herbert: “... verliefd, vergeet vooral dat niet.”John: “Ik trouwde in een heel goede familie die me met open armen ontving. Maar als ik had geweten wat ik nu weet, vraag ik me af of ik het opnieuw zou doen.”Herbert: “(ontsteld) Méén je dat nu?”John: “Tja, dan zou jij er niet geweest zijn, ik weet het. Er waren echter zoveel moeilijke dingen. Ik moest papieren hebben om hier te mogen werken, en nadien moest ik werk vinden. Dat liep niet van een leien dakje. Er was de vreemde taal en toch ook die vreemde bodem. Het is misschien een belachelijk voorbeeld maar: het eten hier was too rich. Mijn schoonmoeder maakte ooit kippensoep, en nog voor het hoofdgerecht moest ik naar het toilet omdat ik ziek werd. Het eten was te zwaar voor mijn maag.”Herbert: “Tja, die vader van mij heeft cultuurschokken gekregen aan de lopende band. Een geschiedenis van aanpassen en nog eens aanpassen, zonder enige begeleiding.”John: “En toch heb ik nooit een groot heimwee gevoeld. Na zes jaar dienst in het leger was ik ook blij ergens een thuis te vinden. Ik werd goed opgevangen, door schoonbroers, schoonouders...”

U vergeet uw echtgenote, dat Belgische meisje.

John: “Uiteraard werd ik door haar goed ontvangen. (lacht) Het was ook snel duidelijk dat ze niet naar Engeland zou verhuizen. Een week na ons huwelijk zijn we een paar dagen naar daar gegaan, met de militairen mee, als war bride. Maar ze bleek daar niet te aarden. Ze wou terug.”Herbert: “Hier had ze ook te doen. Mijn grootouders hielden een hemdenwinkel open die later door mijn moeder werd overgenomen. We leefden van de steenbakkers aan de Rupel, hard werkende mensen die bij ons hun werkhemd kwamen kopen en hun zondagse schoon hemd. Dat was een traditie sinds de jaren dertig: wij, de Amelinckx, stonden symbool voor een goei hemd. Wij hadden het niet breed, maar wel goed en in vergelijking met Engeland was het bij ons behoorlijk rijkelijk. Daddy was lower class, en dat telde toen nog in Engeland, nu nog trouwens. Ergens blijft het daar een klassenmaatschappij, wat een groot verschil is met België. Alleen al met je accent bepaal je daar wie je bent. Het Oxford-Engels bijvoorbeeld betekent upper class. Ik noem dat: make-up door de taal. We zijn dat nu trouwens aan het ontdekken in Vlaanderen. Dialect spreken mag gelukkig weer, in de film, op televisie. Antwerps, Brugs, Gents, het is de make-up van een personage. In Engeland zat dat er al eeuwen ingebakken. Shakespeare wist dat al.”

U bent gefascineerd door taal, Herbert. Heeft dat te maken met uw dubbele afkomst en met het taalgeworstel van uw ouders?

Herbert: “Taal is zeer belangrijk voor mij. Ik denk daarover na, maak daar graag een statement over. Heeft het met mijn afkomst te maken? Dat kan. In het begin communiceerde mijn moeder met mijn vader met het woordenboek erbij. En het geworstel van mijn vader was exemplarisch. Hij sprak met een accent en zijn woordenschat was niet zo rijk, waardoor er in de familie soms werd gedaan alsof die man niet bestond. Dat stak me. Ik stelde als kind vast dat je door een gebrek aan uitdrukkingsmogelijkheden gehandicapt werd. Ik zag hoe daddyal eens werd weggedrukt in conversaties. Het heeft me geërgerd, dat hij niet altijd ernstig werd genomen. Daddy is een schat van een man, maar niet de mens die zijn persoonlijkheid doordrukt. Ik heb ook aan den lijve ondervonden dat je uitdrukken in een andere taal niet simpel is. Ik ging naar Engeland bij mijn familie en stelde er vast hoe ik woordenschat ontbeerde, maar hoe ik vooral ook de flair en de beat van die taal miste. Ik heb me dan maar tot doel gesteld in mijn Nederlands het parfum, het ritme, de humus van mijn moedertaal te laten doorklinken.”John: “Ik ging stilaan een tussentaal spreken. Mijn vrienden van de veteranenclub hier hebben dat allemaal: een beetje Vlaams, een beetje Engels. Het is een vreemde mix, maar we verstaan elkaar.”Herbert: “Daddy heeft zijn identiteit herontdekt toen hij in 1982 met pensioen ging en lid werd van The British Legion. Die gasten hebben een rijke geschiedenis én een club in Antwerpen. Zo vond daddy niet alleen lotgenoten terug, maar ook zijn taal.”

Wat is uw identiteit, John Flack?

Herbert: “Ai, dat lijkt me een moeilijke.”John: “Ik ben geen Engelsman meer, vind ik. Ik zou ook niet terug naar mijn land van oorsprong willen. Maar ik ben ook niet zonder identiteit, noem het maar iets in het midden. Het ware Engelandgevoel komt wel altijd sterk opzetten als er voetbal is op de televisie. Door die sport voel ik me weer verbonden met mijn vaderland.”

En jullie zijn fan van?

John: “Arsenal en Chelsea, de Londense teams.”Herbert: “Chelsea vooral.”John: “Vroeger zei men ‘Rule, Britannia! rule the waves’. Nu, dat nationalistische gevoel ben ik kwijt. Maar met de vrienden-veteranen zingen we bepaalde liederen nog uit volle borst. Toen ik met hen verenigd werd, ging ik me die strofen ook weer herinneren.”Herbert: “Tussen haakjes daddy, vanochtend moest ik een spot inspreken voor de release van een cd met songs van Vera Lynn.”John: “Oh! The soldier’s sweetheart. (citeert)We’ll meet again, don’t know where don’t know when...”

Wat is uw band met Engeland, Herbert?

Herbert: “Ik heb de twee nationaliteiten en dus ook Engels bloed. Af en toe zie je dingen naar boven komen die ik moeilijk kan uitleggen, maar die anderen beschrijven als... (twijfelt)”

... Gentleman, randje dandy, womanizer?

Herbert: “Een soort flair en jokes, zegt men. Maar er is inderdaad ook mijn attitude tegenover de vrouw. Dat heb ik van daddygeleerd, en ik bedoel attitude dan in de meest eerbare zin van het woord. Die man doet nog altijd deuren open voor vrouwen. Ook ik kan dat niet laten.”John: “Weet je wat ik het grappigste aan Herbert vind? He’s made in England.”Herbert: “Oh nee daddy, niet dát verhaal.”John: “Komaan zeg. We waren daar op vakantie...”Herbert: “... no details, please. Trouwens, dat verhaal moet je aan mammy vragen...”John: “(onverstoord) “... in 1949. Josy en ik kenden elkaar twee jaar en eenmaal in mijn land it happened. (lacht luid) Vreemd hoe het leven soms loopt. Ach, als er geen oorlog was geweest, dan zaten we hier niet voor dit interview.”Herbert: “Oh nee, krijgen we dát weer. Zoals die uitspraak: dankzij Hitler ben ik hier. (tot ons) Ik heb ooit teksten ingesproken voor de prachtige oorlogsreeks Colours of War. Paul Jambers had de serie aangekocht bij de Bbc, maar er moesten Vlaamse stemmen bij. Paul kende mijn achtergrond en vroeg of ik mijn vader op de persrelease zou meebrengen. Een heel emotionele bedoening was het. Nadien waren er een paar interviews en ’s anderdaags verscheen er ergens een artikel over mijn vader met als titel ‘Ik ben er dankzij Hitler’. Ai. Dat was weliswaar zijn Engelse humor, maar je zult het maar zien verschijnen, zo zwart op wit.”John: “Ik was ronduit gechoqueerd. Je moest dat in de context zien van mijn vertelling. Ik zeg soms ook: ik ben België niet komen bevrijden, maar hier komen vrijen. Dat ligt er dan gewoon uit. En gebruik dat nu niet als titel hé.”Herbert: “Humor is altijd zijn sterkte geweest. Daddy overleefde de barre oorlogstijd dankzij die Britse humor. Het was een soort medicijn.”

U zag vreselijke taferelen kort na D-day, John, maar sprak er zelden over met kleine Herbert. Dat gebeurde veel later.

Herbert: “Daddy heeft ons niet platgebombardeerd met zijn verhalen en heeft ook nooit de held uitgehangen. Ikzelf ben pas later gaan luisteren naar wat hij te vertellen had. Ik zit nu nog te spitten om meer te weten te komen. Daddy had een verschrikkelijke job.”

Hij moest gewonden en doden afvoeren, wat soms neerkwam op armen en benen verzamelen.

Herbert: “Omdat hij vrijwilliger was, kon hij kiezen waar hij zou terechtkomen. Omwille van het uniform koos hij voor de luchtmacht. Als knaap begon hij met het opvouwen van de parachutes voor D-day. Twee jaar lang.”John: “Minutieus werk was dat, want daar hing het leven van de soldaten vanaf.”Herbert: “Op D-day kon hij niet mee, hij was geen piloot, geen para, dus werd het Red Cross.”John: “We laadden gewonden in de Dakota’s. Die eerste dagen waren ronduit verschrikkelijk. Ik had nog nooit dode mensen gezien. En dan die doden na de strijd, dat is nog erger. Ik werd er ziek en misselijk van. Het ergste vond ik de soldaten die het leven lieten amper twee minuten nadat ze op Franse bodem waren geland.”Herbert: “Mijn vader is altijd achter de frontlijn gebleven. De gewonden die te recupereren waren, heeft hij opgeraapt.”John: “Die gewonden, dat waren de échte heroes, ik was dat niet. Daarom kon ik mezelf niet zo presenteren als held. Ik had alleen mijn plicht gedaan. Af en toe gaan we met de lads nog eens naar de Normandische kust. Kijken naar de begraafplaatsen, naar de leeftijden die op de kruisjes staan. Dat is telkens opnieuw grote ontroering, huilen ook. Nadien drinken we wel iets om ons op te vrolijken, maar het zijn zulke triestige momenten.”

Sommige gesneuvelden zijn in uw armen gestorven.

John: “Ja. Het vreemde was dat ze in hun laatste minuten God of hun moeder aanriepen. Als je dat hoort... (stokt) of je stopt hun laatste sigaret tussen hun lippen. Dat letterlijk uitblazen van hun laatste adem. So sad.”

Wat verwachtte u na die traumatische ervaringen van het leven, de toekomst, de toekomst van uw zoon?

John: “Ik was veilig, dat was wat eerst en vooral telde. Ik had een vrouw, een familie en na wat zoeken ook werk, in de metaalindustrie. Herbert zou wel terechtkomen, zo hoopten we.”Herbert: “Mijn moeder droomde ervan dat ik de winkel zou overnemen. Ik hielp haar rond Kerst en Nieuwjaar. En ik was een levend uithangbord, want ik droeg altijd de hemden die in de mode waren. Gecentreerde hemden, losse hemden, hemden met bloemetjes in de hippietijd. Wat ik droeg, heette in Boom trendy te zijn. Ik heb dat nog altijd in mij, dat verkoper zijn. Als ik achter een product ga staan, hetzij Aspe of een toneelvoorstelling, dan moet ik daarvoor gáán. Nochtans staat het artistiek beter om wat nonchalant te doen over je verwezenlijkingen, maar ik heb daar lak aan. Zet me op een vtm-dag of een Thuis-dag en ik ga winkeltje spelen.”John: “Maar waar hij dat theater ooit vandaan haalde, bij wie van ons tweeën, ik zou het niet weten.”Herbert: “Ik heb die weg zelf afgelegd. We hebben zware ruzies gehad. Ik kon jullie niet overtuigen.”

Waarom toneelspelen?

Herbert: “Om te beginnen was ik niet goed op school.”John: “(luid) Really. Unbelievable.”Herbert: “Altijd aan het dromen. Daarbovenop werd ik midden in een schooljaar ziek. Op mijn zestiende werd ik dan in de diamantwereld geduwd, via een oom. Ik kon een leercontract versieren. In de diamantsector heb ik discipline en eergevoel gekweekt, in de zin van: uw werk is uw reputatie. Ik begon van nul, moest de vloer vegen en bij wijze van spreken de diamant in het afval gaan zoeken. Daarna kwam het proces: van leerling tot meesterschap. Ik werd kliever en ik verdiende goed, op een bepaald moment zelfs meer dan mijn vader. Ruim 40.000 frank netto in 1969. Mijn eerste pree in de KNS vier jaar later bedroeg welgeteld 13.000 frank. Dus voor het geld heb ik het niet gedaan.”

Uit een brute steen een diamant klieven, het lijkt wel metaforisch.

Herbert: “Absoluut. Dat zoeken naar nerven, naar structuur. Jij bent het die de toekomst van een steen bepaalt. Dat werk heeft me geformatteerd. En toch, op een dag, zittend voor dat vlammetje, dacht ik: dit kan toch niet mijn leven zijn. Een oom, die penningmeester was van Den Dageraad in Boom, vroeg me om amateurtoneel te spelen. Ik trok daarna ook naar de academie, waar aan mijn dictie werd geschaafd en waar vooral mijn liefde voor teksten wakker gemaakt werd. De jury zei op het einde van het jaar: man, je moet naar Antwerpen, naar het conservatorium. Dus volgde kort daarop de fameuze gewetenszaak: mijn hart volgen of niet. Ik heb mijn hart gevolgd.”

Maar thuis viel dat dus slecht.

Herbert: “Het was gewoon waanzin, het kot was te klein. Mijn ouders waren zo blij dat hun zoon goed zijn kost verdiende en nu zou hij den artiest gaan uithangen.”John: “We zouden ooit fier op je zijn, zei je, en dat bleek nadien ook te kloppen. We zijn fier.”Herbert: “Hola vader, dat kun je nu wel zeggen, maar toen was het boel. Veel boel.”John: “Het was hard, inderdaad.”Herbert: “En toen ben ik het afgetrapt.”

Er is ook langere tijd een verwijdering geweest tussen jullie.

Herbert: “Jawel. Daarom ook was ik nooit geïnteresseerd in het verhaal van daddyzijn verleden. Ik dacht: fuck you, trek uw plan. Bovendien bezorgde ik mijn ouders kort daarna een tweede shock. Ik werd verliefd op een leerkracht: Mimi, een vrouw die twintig jaar ouder was. Ik zág haar graag, daar kon geen leeftijdsverschil tegenop. Het was mijn persoonlijke mei 68.”John: “Het was inderdaad moeilijk. Mimi had mijn leeftijd. Ze is nu tachtig en ik ben vijfentachtig.”Herbert: “Terwijl Mimi toen invulde wat ik te kort had in mijn opvoeding. Dat klinkt keihard, hé.”John: “Het is niet nieuw voor mij, en ons grote geluk is dat we er nadien ook samen uitgeraakt zijn.”

Op welke manier?

Herbert: “Twintig jaar geleden, dankzij mijn latere vriendin Fabienne. Zij heeft nogal wat werk verzet, me veranderd, mijn revolte getemperd. Intussen was ik door de jaren ook milder geworden. Ik had dingen bereikt waar ik tevreden over was, had een drive gevonden en toen ging ik ineens ook achteromkijken. Als acteur graaf je in mensen, op zoek naar hun ziel, hun drijfveren. Het voert je na een tijdje tot introspectie. “Je gaat nadenken, stelt je vragen als: waar kom ik vandaan, wie is die vader van mij eigenlijk en wat ben ik voor hem geweest.”John: “Je was intussen ook naar Normandië getrokken, je zag die stranden waar wij toen geland waren.”Herbert: “En dat was behoorlijk confronterend. Ik las erover, hoorde verhalen die pure horror zijn. Mijn vader had rare dingen meegemaakt, en daar wou ik toch het fijne van weten.”

Zo ontstond er ook een wederzijdse appreciatie?

John: “Inderdaad, zo zou je het kunnen stellen.”Herbert: “Daddykon zich tot dan toe ook niet voorstellen wat ik op die podia stond te doen. Ik was bij een van de belangrijkste gezelschappen uit België, maar hij kende het niet. Mijn doel was nooit de beroemdheid te worden die ik nu een beetje ben in klein Vlaanderen. Nu ervaart daddydat zijn zoon een bepaalde betekenis heeft in die acteurswereld. Overal waar hij komt, wordt hij ermee om de oren geslagen, en dat heeft met mijn regelmatige verschijning op de televisie te maken. Toch zou het mijn theaterwerk zijn dat hem voor het eerst ook beroerde. Het stuk Ghetto. Dat was de derde schok. We zijn blijkbaar schoksgewijs tot elkaar gekomen.”John: “Stel je voor, Herbert stond daar ineens op het podium als Duitse officier, in het uniform van de vijand. Heel brutaal deed hij. Ik zat in de zaal met een van mijn vrienden, de voorzitter van The British Legion. Nadien moesten we onze emoties met wat whisky doorspoelen. Mijn vriend kon niet praten, zo onder de indruk was hij. Het leek hem zo echt. Hij had als soldaat Brussel helpen te bevrijden in 1945. Zijn eerste nacht daar bracht hij in het kasteel van Laken door, rustend onder een vrachtwagen. De mensen die langskwamen, dachten dat hij gestorven was. ’s Ochtends werd hij wakker met bloemen naast zijn hoofd, een eerbetoon aan de zogenaamde dode. Nu, die man zag daar ineens mijn zoon in nazi-uniform met zo’n kracht die rol spelen. Hij zei me tussen wat slokken whisky door: he can’t be your son.”Herbert: “Mijn shock was dat ik pas nadien de draagwijdte daarvan inzag. Ik had me goed ingeleefd in mijn rol, maar ik had het vertikt me in te leven in de échte rol die mijn vader ooit had gespeeld in diezelfde oorlog. Daarna ben ik volop gaan graven en ben ik onder meer naar Normandië gegaan. Ik stelde ook vast hoe daddyop gestelde tijden als een ware vip naar die contreien werd geëscorteerd, welke ontvangst hem te beurt viel bij een menigte, maar ook bij de Franse president en de Britse premier. Ik dacht: hier sta ik toch maar als een klein mannetje te figureren.”

Daddy John draagt ook vandaag insignes op de revers. Waarvoor staan die?

John: “(wijst) Dit is het ereteken van de Royal British Legion, de veteranen. En dag in dag uit draag ik mijn poppies. Ik heb nog veel meer medailles, maar die draag ik alleen voor de grote gelegenheden.”Herbert: “Op 4 september zijn het voor hem bevrijdingsfeesten. Dan zie je die mannen daar staan, indrukwekkend gewoon. Ze zijn nog met zes Engelse veteranen in Antwerpen. Wat ik heel erg vind is dat mensen van dertig die medailles die ze hebben gekocht in een antiquariaat, opspelden en ermee gaan pronken op herdenkingsdagen, soms compleet in battle dress. Onnozelaars zijn het die misbruik maken van de insignes van mensen die hun leven lieten. Dat heeft niets met oprechte doorvoelde herinnering te maken, hé daddy?”John: “(citeert ineens) They shall grow not old, as we that are left grow old. Age shall not weary them, nor the years condemn. At the going down of the sun and in the morning. We will remember them.” Dat zeggen we altijd als we naar de begrafenis van een van onze broeders gaan. Dat zijn de ware woorden.”Herbert: “Kun je je dan voorstellen hoe ik me erger aan dat burleske carnaval, aan die maskerade? Het choqueert me.”

U geraakt er behoorlijk opgewonden over. Het zit diep.

Herbert: “Het gaat om respect hebben en je bewust zijn van het verleden.”John: “Ach, Herbert, zit daar niet zo mee in, tenslotte weten wij waarover het gaat en dat is het belangrijkste. Maar dat Herbert zich daar nu zo over opjaagt, is wel mooi, vind je niet?”Herbert: “Ik heb mijn tijd nodig gehad om een en ander te beseffen. Daddy had ook zijn tijd nodig om mij te begrijpen.”John: “Terwijl ik op mijn manier inzat met hem. Wij, die de oorlog meegemaakt hadden, dachten alleen: het is goed dat hij zijn brood verdient, dat hij het goed heeft. Daar waren wij toen op gefocust.”

En ik neem aan dat de zoon nu ook meer vangt dan die schamele 13.000 frank per maand.

Herbert: “Oké, nu wel. En ik prijs me gelukkig, bij sommige collega’s is het anders, besef ik.”John: “Je bent ook altijd in België gebleven. Je kreeg nochtans een paar aanbiedingen uit het buitenland.”Herbert: “Er is een periode geweest dat ik wou weggaan. Ik had een film gedraaid in Nederland. En ook Mascara, met een internationale cast, onder meer Charlotte Rampling en Derek de Lint. Ik had een agent en ik werd zot gemaakt, ze zeiden me dat ik star potential had. Maar toen zijn er twee dingen gebeurd. Bij Kns werd Yvonne Lex directeur, en zij meldde dat ze mij nodig had. Daarbovenop is Mimi in die periode ziek geworden. Kanker. Ik kon en wou toen niet weg. Maar... no regrets.”

Echt niet?

Herbert: “Bah, als ik Derek nu zie, die in Amerika draaide, maar ook in Australische soaps meespeelde, dan denk ik: tof. Maar intussen speelt hij toch ook weer in Gooische vrouwen en zo. Hij heeft zijn avontuur natuurlijk wel gehad. Ik ben echter niet zo’n zigeuner.”

En u John, kunt u dat ook zeggen: no regrets?

John: “Nu wel ja, maar zoals ik al zei, er zijn moeilijke tijden van aanpassing geweest.”

Wat voor soort vader was u?

John: “Een strikte, een vader die in het begin niet zo close was met zijn zoon. Nu is dat anders. Maar toch had ik in de loop der jaren iets ontwikkeld als: ach, wat moet gebeuren zal gebeuren. Ik kon dat loslaten.”Herbert: “Komaan daddy, zég dat niet. Don’t play the English, get down your stiff upper lip. Je bent heel erg bezorgd geweest. Je bent ook heel emotioneel, je hebt angst. We zijn trouwens allemaal gevoelige en bange wezens. Geef dat toch toe.”John: “Ik heb toch niet geprobeerd to keep up appearances? Of wat denk je, Herbert?(stokt)”Herbert: “(stilletjes) Hij is soms zo fragiel. And I love him.”John: “Ik loop nogal gevoelig. Er zijn problemen geweest met mijn vrouw. Ze was ziek, maar nu is het beter. Het waren twee moeilijke jaren. Josy was altijd zo’n actieve vrouw, zij nam beslissingen, zette door. Ik ben bang voor wat de toekomst zal brengen.”Herbert: “En er is onze angst voor de dood, how to face it. Je bent zo sterk geweest, zoals al je vrienden die je de voorbije jaren verloor en die nu eeuwig rusten.”John: “En ik weet dat ik blij mag zijn dat ik zestig jaar meer kreeg dan de soldaten die sneuvelden op die stranden. Maar toch, sterven zal niet makkelijk zijn. Al zal ik meer verdriet voelen wanneer ik Josy moet laten gaan, dan wanneer ik zelf afscheid zal moeten nemen. Dat is een feit. Echt waar. (ontroerd) Ach, soms stel ik mij de vraag: waarnaar kan ik nog verlangen?”Herbert: “Honderd jaar worden?”John: “Als het op een actieve manier is, dan wel.”Herbert: “(tot ons) Ach, actief is hij wel. Daddy stapt zijn kilometers, met rechte rug. Hij zit nog zo strak in het vel, hij blijft ergens een militair hé.”

En wat voor zoon was u, Herbert, voor deze vader?

Herbert: “Eigenwijs..”John: “Aigenwais, indeed, that’s a good one.”Herbert: “Koppig, en dat heb ik van hem.”John: “Hij neemt initiatief. Dat heeft hij van zijn moeder.”Herbert: “Hier en daar pluk je altijd iets bij je ouders weg. En voor de rest... Je kunt op mij rekenen, hé daddy. (slaat zijn arm over Johns schouder) Misschien leef je gewoon langer dan ik, ouwe taaie.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden