Dinsdag 12/11/2019

De Holocaust-archieven

"We smeekten de SS om ons te executeren"

Hinda Elsztajn. Beeld Algemeen Rijksarchief A65.465

De Schaarbeekse Hinda Elsztajn zat op het beroemde XXste of twintigste konvooi, de enige jodentrein in die hele oorlog die ooit werd aangevallen. Haar man sprong. Zij durfde niet en belandde in Auschwitz in Blok 10, waar nazi-dokters experimenteerden met methoden om vrouwen te steriliseren.

Drie jaar voor zijn dood, in 2005, vertelde Robert Maistriau nog eens een keer. We ontmoetten hem in zijn zorgflat in Sint-Lambrechts-Woluwe. Hij was 83 en zo goed als blind, maar de film van die avond in 1943, die zat nog helder in zijn hoofd.

Vanaf het Brusselse Meiserplein fietste hij, 22 toen, met zijn vrienden Youra Livchitz en Jean Franklemon, allebei 25, in het donker naar Boortmeerbeek. Enkele dagen eerder was Robert op vraag van Youra in een ijzerwinkel in de Brusselse Marollen vier nijptangen, een stormlamp en petroleum gaan kopen. “In de naaikist van mijn moeder vond ik een paar lappen rode zijde”, vertelde hij. “Die lappen moesten om de lamp. Als de machinist een rood licht ziet, moet hij stoppen, volgens Youra. Ik had het lastig om te geloven dat het zo simpel kon zijn.”

‘Friehen sie!’

Hij vertelde over dat ene moment. De trein die, ergens tot hun verrassing, werkelijk was gestopt.

“Daar stond die trein, in het donker. Seconden, minuten, zijn verstreken. Er gebeurde niks. Ik zat in die berm. Ik ben overeind gekropen en heb mijn nijptang boven gehaald. Ik heb geaarzeld. Te lang, misschien. Maar ik heb mijn zaklamp genomen en ben naar de laatste wagon gelopen. Ik ben met die nijptang beginnen wrikken. Het duurde even. Van binnenin kwam geen geluid. Ik kreeg de poort open en riep: 'Friehen sie! Friehen sie!’ Twee vrouwen zijn uit de trein gesprongen.”

Daarna nog enkele mensen.

De denkplaat in het station van Boortmeerbeek. Beeld Alexander d'Hiet

In het station van Boortmeerbeek zegt de gedenkplaat: ‘Uniek feit in de geschiedenis van de deportatie van joden in nazi-Europa. Op 19 april 1943 stopten Youra Livchitz, Jean Franklemon en Robert Maistriau het 20ste konvooi met 1.631 gedeporteerden. Voor de grens ontsnapten er 251 uit de trein. 205 hervonden hun vrijheid.’

Er is weinig geweten over hoe het verder afliep met die 205. Af en toe kreeg Robert Maistriau nog eens post. Van mensen die na van het overlijden van hun vader, als een van diens laatste wensen, dingen schreven als: “Ik wil u bedanken omdat u het leven van mijn vader, Bruno Neuman, hebt gered.”

Robert Maistriau zei dat hij geen flauw idee had wie Bruno Neuman mocht zijn geweest. “Hij heeft in elk geval geleefd, is oud geworden en is gelukkig geweest.”

Dat was wat telde.

‘Geen illusies’

In de leeszaal van het Wiener-archief strikken we een zoveelste mapje open. Het is het in 1956 door een zekere MC op negen A4’tjes neergtypte verhaal van Hinda Elsztajn, een Poolse die in 1935 vanuit Warschau haar geliefde Ruwen Tenenbaum achterna is gevlucht naar Brussel.

Ze denken hier veilig te zitten. Hinda is in 1937 bevallen van haar dochtertje Rachel. Vanuit Warschau komen in de jaren die volgen alleen sombere berichten.

“Mijn ouders zijn in het niets verdwenen bij de ontruiming van het getto van Warschau”, zegt Hinda. “Mijn man was chef-technieker, en bij het uitbreken van de oorlog besloten wij om in Brussel te blijven. Hij is blijven werken en we leefden min of meer rustig tot in 1943. Vanwege de razzia’s en de arrestaties hebben wij onze dochter op het platteland bij Belgen geplaatst.”

“Op 29 januari 1943 om drie uur ’s ochtends zijn we gewekt door een brutaal belgeluid. Ik ben door het raam gaan kijken. We hoefden ons geen illusies te maken, het was de Gestapo. Mijn man is op het dak gekropen en ik ben me gaan verstoppen op zolder. Met de hulp van een Belg heeft de Gestapo de deur geforceerd. De Duitsers waren woedend omdat we het hadden aangedurfd om ons te verzetten en sloegen ons. We werden overgebracht naar het kantoor van de Gestapo aan de Louizalaan. Om ons te straffen lieten ze ons zelfs niet wat propere kleren meenemen.”

Springen

Hinda en Ruwen worden overgebracht naar de Dossin-kazerne in Mechelen. Ze blijven er tweeëneenhalve maand. Vrienden sturen af en toe een voedselpakket. In de avond van 19 april krijgen ze te horen dat ze de trein in moeten. “We werden als beesten in de wagons geduwd, zonder lucht, zonder voedsel, bijna zonder ruimte om te bewegen.”

Hinda en Ruwen zitten samen op het XXste konvooi. Van de actie van Robert Maistriau en zijn vrienden heeft zij blijkbaar niks gemerkt. Ze maakt er in elk geval geen melding van. De trein stopte wel vaker, om dan weer te gaan rijden.

Robert Maistriau dacht zelf, rechtstreeks, niet meer dan een 15-tal mensen uit de laatste wagon te hebben bevrijd. Hij en z’n maten hadden van het verzet een budgetje gekregen. Ze zouden in het bos elke bevrijde Jood een briefje van 50 frank toestoppen zodat die mensen de tram konden nemen. 62 jaar later verscheen er een gepijnigde blik op dat verrimpelde gezicht in de zorgflat. Dat het op dat moment toch een beetje had aangevoeld als een falen, dat ze niet al hun briefjes van 50 frank hadden kunnen uitdelen.

Nadat hij de poort van de laatste wagon had opengewrikt, ging Robert Maistriau de poort van de volgende te lijf. Hij had die bijna open toen de Duitsers begonnen te schieten.

“Ik denk dat ik de poort zo goed als open had. Dat een duwtje van binnenuit nu wel zou volstaan. Ik ben terug in het struikgewas gedoken en heb Jean teruggevonden.”

Ontsnapt

De deportatielijst van het XXste konvooi. Hinda's naam staat helemaal onderaan. En ook die van haar man Ruwen Tenenbaum. Beeld rv

Veel mensen in de trein, onder andere een Joodse arts, verboden volgens latere getuigenissen anderen om te springen, zeker toen er werd geschoten. Uiteindelijk zijn veel mensen pas gesprongen nadat de trein terug ging rijden.

Robert Maistriau: “Uit de twee laatste wagons zijn veel mensen gesprongen. Voorbij Haacht hebben ze gemerkt dat anderen hun leven hadden geriskeerd.”

Het lijkt erop dat Ruwen en Hinda in een van die laatste wagons zaten.

Hinda: “Toen we in de buurt van Tienen kwamen, is mijn man uit de rijdende trein gesprongen. Ik was vastbesloten om hetzelfde te doen, maar er ontstond een hevig vuurgevecht en een verdwaalde kogel trof mijn wagon. Een jong meisje werd gedood. Ik durfde niet meer springen van angst. Mijn man heeft enkele ribben gebroken, maar wist te ontsnappen.”

In de beeldbank van de Dossin-kazerne vind je de deels met zegels overplakte pasfoto’s terug van Ruwen en Hinda. En ook de deportatielijst van Transport XX. Ruwen kreeg nummer 345, Hinda 346. Achter Ruwens naam heeft iemand in Auschwitz ‘évadé’ neergepend. Ontsnapt.

Blok 10

Als de trein na een driedaagse tocht van in Auschwitz aankomt, is dat voor veel inzittenden meteen het einde.

Hinda: “We waren amper uitgestapt of de eerste selectie begon. Er stond een hele rij vrachtwagens met het teken van het Rode Kruis op. Men propte er ouders in die vergezeld waren van hun kinderen. Aan de andere kant ontstond er een groep van jongere mensen in goede gezondheid die het traject te voet moest afleggen. Een SS’er wou mij in een vrachtwagen doen stappen, maar ik vroeg om het traject te voet doen, om wat zuurstof te krijgen. De SS’er antwoordde: ‘Als je zo kwaadaardig bent, kun je het traject te voet afleggen.’ Ik moet zeggen dat ik geen idee had wat ons te wachten stond. Ik had echt niet gedacht dat de vrachtwagens bestemd waren voor het crematorium. Dat was een gelukstreffer.”

Carl Clauberg (l.) en Horst Schumann (r.) in Blok 10. Ze spoten injecties in de baarmoeders en eierstokken, zodat die zouden samenkleven. Beeld rv

“Ik werd naar de douches geleid en kaal geschoren. Ik kreeg een gestreept kleed en werd meteen naar Blok 10 overgebracht. Dit blok was hermetisch afgesloten, de ramen waren bedekt met planken zodat niemand kon zien wat er daarbinnen gebeurde.”

In zijn boek Auschwitz beschrijft BBC-documentairemaker Laurence Rees het doel van de experimenten die de vrouwen in Blok 10 moesten ondergaan. Dokters Carl Clauberg en Horst Schumann spoten injecties in hun baarmoeders en eierstokken, zodat die zouden samenkleven. Het was een van de ideeën op de Wannsee-conferentie, waar begin 1942 de “definitieve oplossing” voor het “jodenvraagstuk” uitdokterde.

In Blok 10 moest een methode worden ontwikkeld om jonge vrouwen met één enkele injectie onherstelbaar te steriliseren, zodat dat met hele bevolkingsgroepen kon worden gedaan.

Carl Clauberg

Tussen de lijnen van de negen A4’tjes voel je de gêne bij Hinda, als ze dit moet navertellen.

“Die injecties waren extreem pijnlijk. De pijn bleef enkele dagen duren, ik had brandende koorts.”

Ze krijgt in Blok 10 naast Clauberg te maken met de beruchte nazi-artsen die later te recht zullen staan op de grote nazi-processen: Johannes Paul Göbel, Bruno Weber, Eduard Wirths en Maximilian Samuel. Die laatste is een Joodse arts die tussen de gevangenen is uitgepikt en aan het werk gezet in Blok 10. “Hij ging best wel correct met ons om”, laat Hinda optekenen. “Bij de evacuatie van Auschwitz werd hij geliquideerd door de SS. Hij kende de geheimen van Blok 10 al te goed.”

Intussen kantelden langzaam maar zeker de Duitse oorlogskansen, wat volgens Hinda ook zo werd aangevoeld onder de vrouwen in Blok 10.

Carl Clauberg. Beeld rv

“In het begin mochten we absoluut het blok niet uit. Op een dag waarschuwde een van de artsen dokter Clauberg dat we dreigden te sterven bij gebrek aan zuurstof. We mochten toch naar buiten, bewaakt door de SS en vergezeld door een arts, om geneeskrachtige planten te plukken. We deden soms meer dan 30 kilometer te voet. Die planten waren voor het Duitse leger, want het debacle was begonnen en ze kwamen medicijnen te kort. Ze gebruikten die planten om hun zieken en gewonden te verzorgen.”

Dokter Clauberg was erg gehecht aan zijn werk, en dus ook aan zijn patiënten, ook al betekenden ze voor hem niet meer dan onderzoeksmateriaal.

Hinda: “Binnen onze groep konden ook selecties plaatsvinden, maar Clauberg, erg benieuwd naar de resultaten, betaalde voor ons. Zolang we in Blok 10 zaten konden we dus niet naar de gaskamer worden gestuurd.”

“Er werden experimenten uitgevoerd op jonge, erg mooie Griekse meisjes, om ze steriel te maken. Deze meisjes hebben afgrijselijk geleden. Je zag ze na de experimenten komen, hun buik vastpakkend, constant overgevend. Zelfs zij die levend uit de oorlog zijn gekomen konden nooit nog normale vrouwen zijn.”

Transport XXVI

Naast Blok 10 bevindt zich de bunker waar executies worden uitgevoerd. De vrouwen kijken toe vanuit spleten tussen de planken voor hun ramen.

Hinda: “Elke executie verliep met muziek. De gevangene moest voor een zwarte muur gaan staan en kreeg een kogel in de nek. Als verschillende lichamen op elkaar lagen, verifieerden de SS’er of er niet een was die nog ademde. Op een dag werd een volledig Pools dorp, met de pastoor erbij, naar het kamp gebracht. Het dorp had, dacht ik, geweigerd om te werken voor de Duitsers. Het werd in zijn geheel geëxecuteerd met een orkest er naast.”

Hinda ziet Ruwen nog één keer terug. Even maar. Ze kunnen praten.

Hinda Elsztajn en haar man Ruwen Tenenbaum Beeld Algemeen Rijksarchief A65.465

Hij heeft in Brussel een jaar lang kunnen onderduiken, maar is terug opgepakt. Hij behoort tot de 563 de ongelukkigen op transport XXVI, het allerlaatste konvooi dat op 31 juli 1944 uit de Dossin-kazerne vertrekt.

Hinda: “Hij had geen geluk. Hij was amper in Auschwitz aangekomen, of hij werd geselecteerd voor een van de laatste groepen voor het crematorium. Toen hij in die vrachtwagen stapte, wist hij perfect dat de Duitsers hem daar naartoe zouden brengen. Hij sprong en werd gedood door een kogel. Hij wist dat hij geen schijn van kans maakte, maar verkoos gefusilleerd te worden boven een dood door verstikking.”

Dodenmarsen

Op 18 januari 1945 begint de evacuatie van Auschwitz. De SS vreest voor de reactie van het naderende Rode Leger, als de ultieme horror zal worden ontdekt. Met duizenden beginnen de uitgehongerde gevangenen aan een winterse voettocht van 600 kilometer, westwaarts naar Ravensbrück. Van daar per trein naar Taucha, bij Leipzig.

Hinda: “Daar zijn we opnieuw te voet vertrokken. We hebben dagen en dagen gestapt, slapen deden we in de bossen. Onze staat van uitputting was zo dat we de SS’ers smeekten om ons te executeren. Ze hadden geen munitie meer. Op 25 april 1945, nog volop onderweg, zijn we bevrijd door de Amerikanen. We werden naar het dichtstbijzijnde dorp overgebracht waar een school dienst deed als hospitaal.”

Hinda keert naar België terug in een vliegtuig. Ze vindt Rachel terug, het meisje kon twee jaar lang onderduiken bij een boerengezin.

Onderaan het laatste A4’tje heeft ze haar adres opgeschreven, Liedtsstraat 37, Schaarbeek. Daar begint ze na jaren revalideren aan haar nieuwe leven met haar dochter. Het laatste vindbare spoor is het Belgisch Staatsblad. Bij vergadering van 28 maart 1957 heeft de senaat beslist dat “gewone naturalisatie wordt verleend aan Elsztajn Hinda, geboren te Skierniewice, 15 september 1912”.

Tegen die tijd is ze van haar obsessie verlost.

“In het begin, toen ik net terug was, kon ik geen bakkerij voorbij lopen zonder een brood te kopen. Ik was altijd bang om brood te kort te hebben.”

Lees ook de andere stukken in deze reeks:

De waarheid over de zeepmaker van Auschwitz

Deze Belg reisde vrijwillig naar Auschwitz

Bronia 'Bronneke' Veitch, het Joodse 'onderduikkind' nummer 122

Morgen: Paul Löbl, op het juiste moment gesprongen 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234