Donderdag 07/07/2022

InterviewDochters van Tania Van der Sanden

‘We namen mama haar alcoholverslaving niet kwalijk. We beseften dat ze ziek was en moest genezen’

Suzanne en Sara Ceulemans, met hun moeder Tania Van der Sanden. Beeld Johan Jacobs
Suzanne en Sara Ceulemans, met hun moeder Tania Van der Sanden.Beeld Johan Jacobs

‘Ze zijn allebei bezeten door theater’, vertelt Tania Van der Sanden aan de telefoon over haar dochters Suzanne (23) en Sara (21). De oudste studeert straks af als actrice aan het RITCS, de jongste volgt vanaf september in haar voetsporen. Maar de onwrikbare band met hun moeder berust op zoveel meer dan alleen acteren.

Hanne Van Tendeloo

Suzanne heeft net haar masterproef achter de rug: samen met regisseur Stef Lernous beet ze zich met de klas vast in de klassieker Satyricon. Het werd een voorstelling in de typerende stijl van Abattoir Fermé: rauw, bevreemdend, en niet vies van wat lichaamssappen.

Suzanne: “Ik hou heel erg van dat soort theater. Ik herinner me wat voor een openbaring het was toen ik Abattoir ontdekte: de beelden die Stef creëert op de scène, de vuilheid, de rauwheid… Heel inspirerend allemaal. Ik ben grote fan.”

Sara: “Ik ook. Elke keer kom ik buiten en denk ik: wat heb ik nu weer gezien? Het is theater dat je de tijd niet geeft om het saai te vinden. Er gebeurt zoveel dat je niet weet waar eerst te kijken.”

Jij zat natuurlijk ook in de zaal, samen met je ouders.

Sara: “Ik was zo trots. (tot Suzanne) Het is heel bijzonder om je te zien spelen. Dat zeg ik niet omdat je mijn zus bent: je bent écht goed. Dat vond mama ook. Als we samen naar een stuk kijken, hebben we aan één blik genoeg om te weten wat de ander vindt. Ik zag meteen hoe dolenthousiast ze was. Nadien zei ze dat ook tegen iedereen: (vol bewondering) ‘En dat op anderhalve week tijd!’”

Suzanne: “Twee weken vóór we in première moesten, kregen we allemaal corona en lagen de repetities een week stil. We hadden nog amper op de vloer gewerkt.”

In één scène steek je, driftig knauwend op een appel, een vlammende monoloog af. Terwijl je daar stond, met een zelfzekerheid die je niet verwacht van iemand van 23, zagen we flarden van je moeder doorschemeren.

Sara: “Dat had ik ook! Als jij je kwaad maakt in die voorstelling zie ik precies mama.”

Suzanne: “Anderen kwamen me dat ook zeggen. Een groot compliment.”

Jullie moeder is ook docent aan het RITCS.

Suzanne: “In het eerste jaar kreeg ik les van haar, maar ik heb dat nooit ongemakkelijk gevonden. Mama is een moederlijk type: de hele klas vond haar een lieveken.

“Je zei daarnet dat ik zo zelfzeker overkwam. Eigenlijk ben ik dat helemaal niet. Ik worstel daar best wel mee. Voor elke voorstelling denk ik: ‘Dit is de laatste keer, ik doe het nooit meer.’ Mama heeft dat ook. Ze vertelt vaak hoe ze voor één van haar eerste voorstellingen een dun zijden kleedje aan had. Nadien kwamen de mensen haar complimenteren: ‘Jouw kleedje trilde zo schoon. Hoe deed je dat?’ Maar dat waren gewoon de zenuwen. Ze stond met de daver op het lijf te spelen.”

Voor Quicksand Valley, over een koppel dat een kwakkelend naturistenkamp uitbaat, stond ze een hele voorstelling naakt op het podium.

Sara: “Dat vond ze heel spannend, zeker toen wij kwamen kijken. Maar ik vond het helemaal niet ongemakkelijk. In het begin zag ik nog naakte mensen, maar na tien minuten was ik het al vergeten. Alsof dat naakte lijf een kostuum was als een ander.”

Suzanne: “Mama hecht veel waarde aan wat wij vinden. Ik denk dat we daarom zo’n goeie band hebben. Veel vrienden kunnen helemaal niet goed met hun ouders praten, omdat hun mening hen niet lijkt te boeien.”

Jullie hebben nooit moeten rebelleren?

Sara: “Totaal niet. Er was niks om tegen te schoppen. Mama heeft ons nooit gezegd: ‘Daar zijn jullie nog te jong voor.’”

Suzanne: “In het theater zie ik het ook gebeuren: ‘We kunnen dit of dat niet doen, want ons doelpubliek zijn kinderen.’ Jawel, je kunt alles zeggen tegen kinderen. Op hun niveau, natuurlijk. Ik geloof niet in censuur.”

Sara: “Als ouder geef je je kinderen het voorbeeld. Hou jij dingen achter, dan zij ook. Bij ons thuis mocht iedereen z’n kwetsbaarheden tonen. Niet: en nu moet ik me sterk voordoen, want ik ben de moeder.

“Als ik tegen mama zeg dat ik erover denk hulp te zoeken bij een psycholoog omdat ik ergens mee zit, dan is ze de eerste om te zeggen: ‘Doen.’”

Waar zat je mee?

Sara: “Ik had het gevoel dat ik vast was komen te zitten. Corona en de lockdowns hadden me stevig door mekaar geschud. Toen ik afstudeerde aan de middelbare school, wilde ik een sabbatjaar nemen om te werken en te reizen. Dat werken was geen probleem – ik vond een job in de catering – maar toen ging de wereld op slot en kwam er niks meer van het reizen. Het gaf me wel de tijd om na te denken over wat ik wilde. Mijn mama en zus deden al theater, maar misschien wilde ik wel iets anders doen. Dat ene sabbatjaar werden er algauw drie. Intussen groeide in mij de angst dat ik geen tijd meer had om de dingen te doen die ik wilde doen.”

Je bent pas 21!

Sara: “(lacht) Ik weet het. Het klinkt van de pot gerukt.”

Suzanne: “Dat heeft met de tijdgeest te maken: je moet productief zijn. Elke seconde dat je niks doet, is verloren tijd. Het gaat heel erg over: wat heb jij al gepresteerd?”

Sara: “(gespeeld verontwaardigd) ‘Je bent al drie jaar afgestudeerd en je hebt nog niks bereikt?’ Intussen ben ik er wel uit: theater is echt iets voor mij. Ik ga straks ook het ingangsexamen doen aan het RITCS.”

Gek dat je daaraan twijfelde. Als tiener ging je elk weekend mee met je moeder, als ze voorstellingen speelde bij Studio Orka. Je maakte haast deel uit van de cast.

Sara: “Mensen dachten dat ik dat deed omdat het moest, omdat mama geen opvang vond. Maar nee, ik wilde daar zijn. Ik maakte snel mijn huiswerk zodat ik zeker mee kon. Op den duur kende ik de teksten van alle acteurs vanbuiten. Ik mocht ook helpen achter de schermen: dan mocht ik iets aanreiken of één of ander special effect in gang zetten. Dat vond ik geweldig.”

Suzanne: “We zijn nooit in de richting van het theater geduwd door onze ouders. Van jongs af gingen we wel vaak kijken als mama speelde.”

Sara, jij speelt ook muziek. Op de website van Monty staat nog altijd een concert van je aangekondigd, uitgesteld door corona.

Sara: “Dat was een uitloper van mijn eindwerk op de Steinerschool: ik had een cd gemaakt met eigen nummers.”

Volgens de aankondiging heb je al menige huiskamer doen smelten met je muziek.

Sara: (lacht) Dat was toen het plan: ik wilde van huiskamer naar huiskamer trekken. Ik heb mezelf als tiener gitaar en piano leren spelen door naar YouTube-filmpjes te kijken.”

Waarover gingen de nummers op je cd?

Sara: “Het was net uit met mijn eerste vriendin en ik had liefdesverdriet. Daarover, dus. (lacht) Maar stel je er vooral niet te veel bij voor: mijn muziek was heel simpel. Ik zong en pingelde intussen wat op mijn ukelele. Muziek is zeker een passie – misschien schrijf ik ooit nog wel nieuwe nummers – maar het theater trekt veel harder aan me.”

Sara: ‘Toen ze Mammie speelde in ‘Vaneigens’, was mama net zwanger van Suzanne. Haar dikke buik zat verstopt onder de tafel. Beeld VRT
Sara: ‘Toen ze Mammie speelde in ‘Vaneigens’, was mama net zwanger van Suzanne. Haar dikke buik zat verstopt onder de tafel.Beeld VRT

ACTEUR ZOEKT JOB

Het grote publiek kent jullie moeder vooral als Mammie uit Vaneigens, of van Het eiland en het glorieuze In de gloria.

Sara: “Toen ze Mammie speelde, was ze zwanger van Suzanne. Haar dikke buik zat verstopt onder de tafel.”

Suzanne: “Mensen vragen soms hoe het is om een bekende mama te hebben, maar ik ben me nooit zo bewust geweest van haar bekendheid. De meeste van haar tv-rollen dateren van voor onze tijd. ‘Het eiland’ heb ik pas een paar jaar geleden gezien. Veel van mijn vrienden kennen het zelfs niet.”

Sara: “Of ze kennen haar van latere rollen, zoals in Tom & Harry. Op school merkte ik niks van haar bekendheid. Pas toen ik ging werken, kreeg ik opeens reacties: ‘Is Tania jouw moeder?’”

Suzanne: “Mama zegt weleens dat we geluk hebben dat we niet Van der Sanden heten. Nu is het iets wat pas ter sprake komt als de eerste indruk al is gevormd.”

Zouden jullie net als zij ook tv doen, als het straks op jullie pad komt?

Sara: “Ja, maar ik zou het theater nooit laten vallen.”

Suzanne: “We gaan er niet onnozel over doen: met tv vergaar je sneller bekendheid en dat opent dan weer deuren in het theater. Ik ben daar niet vies van. Er zijn zoveel acteurs die hun brood niet verdienen. Straks studeer ik af, maar ik heb nog geen enkele professionele opdracht in het verschiet.”

Moedig dat jullie toch voor de creatieve sector kiezen.

Suzanne: “Met onze klas hebben we het er vaak over. Op welke manier kan ik me onderscheiden van alle andere acteurs die afstuderen? Het is een steeds groter wordende poel. Wat maakt dat een gezelschap straks met mij wil werken?”

Heb je al gevonden wat jou uniek maakt?

Suzanne: “(als een rasechte Tania) Neeje, manneke. Het zou leuk zijn als ik ooit kon leven van acteren, maar daar ga ik niet zomaar van uit. Ik zal eerst wat andere jobs moeten doen. Dat is zelfs een running gag tussen acteurs.”

Sara: “‘Afgestudeerd? Hup, dan nu naar de horeca.’ (lacht) Maar pessimistisch zijn we niet. Ik begin echt niet aan deze studie met het idee dat ik nooit zal kunnen werken als actrice. Ik wil er volle bak voor gaan. De rollen zullen me niet in de schoot komen vallen en ik zal er andere jobs tussen moeten nemen, maar dat houdt me niet tegen.”

Jullie vader is kunstenaar. Evenmin een job die grote financiële zekerheid biedt.

Suzanne: “Thuis was het vroeger wel krap, maar daar merkten we als kind niks van.”

Sara: “Mama is thuis de kostwinner. Vroeger nam papa er af en toe een jobke bij, als busbegeleider op school of bij De Post, maar omdat hij de laatste tijd sukkelt met zijn gezondheid, kan hij dat niet meer.”

Suzanne: “We hebben wel altijd eenvoudig geleefd. Mama deed de boodschappen in de goedkope supermarkten, waar ze dan de goedkope producten kocht. Dat doet ze nog steeds, waarom ook niet? Mijn ouders betalen mijn kot, dus ik heb me niet kapot moeten werken tijdens mijn studies, zoals sommige klasgenoten.”

Toen jullie nog heel klein waren, woonden jullie op een sleepboot.

Suzanne: “Die boot hebben ze verkocht toen we nog baby waren. Financieel was het te zwaar om hem te onderhouden. We zijn in een oude boerderij gaan wonen. De schuur heeft papa omgebouwd tot zijn atelier.”

Toen jullie ouders elkaar leerden kennen, acteerde hij nog.

Suzanne: “Ze speelden allebei bij Toneelgroep Amsterdam.”

Sara: “Hij is gestopt met acteren en gaan schilderen en schrijven toen wij werden geboren.”

Suzanne: “Ik denk dat de acteerwereld hem niet zo lag. Alleen jammer dat het nooit is gelukt om van schrijven en schilderen echt zijn job te maken. Ik voel wel dat hem dat frustreert. Hij schrijft poëzie en proza. Heel mooie dingen, maar soms moeilijk te volgen. Als ik hem zou moeten omschrijven, dan zou ik zeggen: hij is een filosoof, een echte denker.”

Zijn jullie ouders tegenpolen?

Sara: “Een beetje wel, ja.”

Suzanne: “Ik heb wel een hechte band met papa, maar het is anders dan met mama. Het is een band met minder woorden.”

Suzanne Ceulemans. Beeld Johan Jacobs
Suzanne Ceulemans.Beeld Johan Jacobs

DE PUPPY-BLUES

Jullie grootouders van moederskant hebben jullie nooit gekend.

Suzanne: “Ze zijn heel vroeg gestorven. Mama was enig kind. Ze zegt soms dat ik haar doe denken aan haar moeder. Die twee kwamen heel goed overeen. Als ze gingen eten, wees haar moeder soms naar iets op tafel en vroeg ze: ‘Heb je dat al op je kot?’ Dan stak ze het stilletjes in haar handtas.”

Sara: “Of dan stak ze de stoffen serviette weg en riep ze de ober: ‘Mijn dochter heeft geen serviette gekregen.’ Zulke verhalen vertelt ze vaak. Ik zou zo graag de kans krijgen om haar één keer te ontmoeten. Ik denk dat ik het goed met haar zou kunnen vinden, omdat Suzanne en ik ook zo’n goeie band hebben.”

Jullie zien er inderdaad heel hecht uit.

Suzanne: “Vroeger niet, hoor. Als kind maakten we constant ruzie. Dat is pas gestopt toen we puber werden.”

Sara: “Nu krijgen we alleen nog ruzie als we stress hebben. Waar ging onze laatste ruzie ook alweer over? Ach ja, over Charlie. Ik heb tijdens corona een hond gekocht. Géén coronahond: ik wilde er al lang eentje, maar als puppy bezorgde ze me wel veel stress. Ik ben het gaan opzoeken en het heeft een naam: de puppyblues.”

Suzanne: “Noem het maar een mini-postnatale depressie.”

Sara: “Ik was totaal in paniek: ‘Oei, wat heb ik gedaan? Ik moet haar terugbrengen.’ Nu heb ik dat niet meer, hoor. Ze is mijn beste vriend. Maar zonder Suzanne was het me die eerste weken niet gelukt.”

Misschien danken jullie je sterke band ook aan de woeligere tijden.

Suzanne: “Door mama’s alcoholverslaving? Dat denk ik wel. Eind lagere school, begin middelbaar: dat waren voor mij de moeilijke jaren. En toch herinner ik me mijn kindertijd als een hele fijne tijd.”

Sara: “Als je mij vraagt hoe mijn jeugd was, dan is die verslaving niet het eerste waar ik aan denk. Het heeft geen stempel gedrukt.”

Jullie moeten wel gemerkt hebben dat er iets aan de hand was.

Suzanne: “Ja. Als kind heb je dat snel door.”

Sara: “Al heb ik lang niet beseft wat het probleem precies was. Ik heb lang gedacht dat één druppel alcohol genoeg was om haar dronken te maken, om haar te transformeren in die andere persoon. Op den duur had ik aan één blik genoeg om te zien of ze gedronken had. Dan kwam ik thuis van school en wist ik direct hoe laat het was.

“Mijn herinneringen eraan zijn vaag. Ik weet niet meer hoe het was als mama ’s ochtends niet opstond om me naar school te brengen of mijn boterhammen te smeren. Die dagen moeten er geweest zijn, maar mijn geheugen heeft ze eruit gefilterd. Ik weet wel nog dat ik als kind ’s avonds een bepaald soort stress voelde, die ik sindsdien nooit meer heb gevoeld. Ik herinner me ook de momenten dat wij tweeën mama in bed gingen leggen en dan alleen weer naar beneden gingen. En dat ik op zoek ging naar de flessen die ze had verstopt. Alles wat ik vond, kieperde ik weg.”

Elke ouder valt vroeg of laat van zijn voetstuk, maar een ouder met een alcoholverslaving dondert er met zoveel geweld af dat een kind er soms een blijvend gevoel van onveiligheid aan overhoudt.

Suzanne: “Ik had als kind vooral last van schaamte. Ik vond het eng om vrienden mee naar huis te nemen. Ik wist nooit in welke toestand ik mama zou aantreffen.”

Sara: “Voor mij was het lastig haar te vertrouwen. Ik wilde niet naar school omdat ik bij haar wilde zijn. Ik wilde weten wat ze deed en haar niet in haar eentje naar de winkel laten gaan.”

Suzanne: “In dat opzicht kweek je als kind van een verslaafde inderdaad al een bepaalde volwassenheid. Maar we hebben geluk gehad: toen ik op het eind van het eerste middelbaar zat, is ze een laatste keer opgenomen en is het haar gelukt nuchter te blijven. Ik denk vaak: hoe anders was mijn leven geweest als die verslaving was blijven duren?”

Sara: “Dat het geen trauma is, komt doordat we het zo goed hebben verwerkt. Het was geen taboe: alles mocht gezegd worden, al onze vragen werden beantwoord. Dat was helemaal anders dan hoe mama het zelf had ervaren: van haar moeder, die met dezelfde verslaving kampte, mocht ze er niet over spreken. ‘Dit blijft tussen deze vier muren.’ Dat wilde ze ons niet aandoen.”

Ze had het achteraf wel moeilijk met hoezeer ze jullie vertrouwen had beschaamd: ‘Als je dochter de bus heeft gemist en jij kunt haar niet gaan halen omdat je al gedronken hebt, dán komen de leugens.’

Sara: “Als ik thuiskwam en ze zei dat ze niet had gedronken, dan geloofde ik haar niet en ging ik op zoek. Maar toch hield ik van haar. Ik haatte haar niet, ik haatte de duivel die in haar kroop als ze dronk. Ik kon die twee van elkaar scheiden. Zodra die duivel uit haar was, had ik mijn mama terug.”

Suzanne: “We namen het haar niet kwalijk. We beseften ook wel dat ze ziek was en moest genezen.

“Als puber, toen iedereen rond me begon te drinken, kreeg ik een enorme afkeer van alcohol. Ik was er bang voor. Ik dacht: ‘Als mama het heeft en de mama van mijn mama, heb ik het dan ook?’ Nu heb ik daar geen last meer van en drink ik zoals iedereen. Sinds ik aan het RITCS zit, ben ik ook al weleens straalbezopen geweest, maar ik ken goed mijn grenzen. Ik hanteer één strenge regel: ik drink nooit als ik me slecht voel. Drinken doe ik alleen voor het plezier, nooit om te vergeten of te vluchten. Ik vind het moeilijk als ik zie dat vrienden dat wel doen. Ze weten dat ik het een slecht idee vind, maar ik wil niet met mijn vingertje staan zwaaien. Alcohol is zo ingeburgerd bij ons. Je moet je verantwoorden als je níét drinkt.”

Sara: “Ik drink niet vaak, gewoon omdat ik het niet lekker vind. Als ik geen zin heb om te drinken op café, vinden mensen dat raar. Drink ik een volgende keer wel, dan krijg ik zelfs het verwijt: ‘En bij hen drink je wél?’ Alsof je pas goeie vrienden kunt zijn als je samen alcohol drinkt.”

Suzanne: “Als mama hier nu zou zitten, zou ik nooit een glas wijn bestellen. Niet omdat ze daar niet tegen kan, het is eerder een automatisme. Ze gaat nog elke week naar de reünie – zo noemt ze haar AA-bijeenkomst. Ze kan er anderen helpen en dat geeft haar energie. Dan deelt ze haar recept voor stoofvlees zonder bier, omdat iemand schrik heeft om er alcohol voor te kopen: ‘Voor je het weet, drink ik dat flesje bier zelf op.’”

Sara: “Wij hebben dat ook: in onze vriendschappen geven we graag, zonder er iets voor terug te willen.”

Sara Ceulemans.
 Beeld Johan Jacobs
Sara Ceulemans.Beeld Johan Jacobs

GAY GENOEG

‘Door wat er gebeurd is, hebben mijn kinderen erg veel begrip voor mensen met problemen,’ zegt ze. ‘Ze oordelen niet, ze kijken en denken: dat hebben wij ook meegemaakt.’

Sara: “Zeker. Ik voel veel empathie. Ik wil niet alleen open-minded zijn, ik wil nog een stap verder gaan. Onlangs had ik een gesprek met iemand die nogal homofobe uitspraken deed. Hij vond dat gay zijn een keuze was. Dat kwetste me wel, maar in plaats van boos te worden, zei ik: ‘Oké, leg uit.’ We hebben goed gepraat. Achteraf was hij me zelfs dankbaar dat ik naar hem had geluisterd. Er heerst tegenwoordig zo’n grote outrage culture: iedereen zit voor het minste op z’n paard. Ik probeer dat niet te doen.”

Suzanne: “Maar bij bepaalde onderwerpen vind ik het wel moeilijk om kalm te blijven. Als het over seksisme of racisme gaat, dan kan ik hevige standpunten innemen. Voor mij leunen die twee heel dicht bij elkaar aan. Ik vind ze allebei onbegrijpelijk en daar mag je best kwaad over zijn. Die woede kan ook iets teweegbrengen.”

Sara: “Ja, maar in een één-op-ééngesprek duw je met je boosheid de ander nog meer in zijn hoek.”

Heb je al vaak negatieve reacties gekregen op je geaardheid?

Sara: “Met mijn buurjongen was het even moeilijk, omdat hij uit Kenia komt en er een cultuurverschil is. Dat is nu helemaal voorbij. De meeste homofobie ervaar ik online. Ik ben een gamer en in die wereld is gay gewoon een scheldwoord.”

Een gamer! Dat had ik nooit in jou gezien.

Sara: “Dat zeggen mensen vaak. Ik speel allerlei games, maar tegenwoordig doe ik vooral shooters. Als ik in een nieuwe game kom en me bekendmaak als vrouw, dan gebeuren er twee dingen: ofwel beginnen ze met me te flirten, ofwel gaan ze me beledigen – ‘Ga terug naar de keuken.’ Heel heftig. Daarom zeggen veel vrouwen niks tijdens het gamen. Pas als ik ‘Hallo, iedereen!’ zeg, gaan ze plots ook praten. Je voelt hun opluchting: oef, er zijn nog vrouwen.

“Natuurlijk zijn het niet allemaal seksisten en homofoben in de gamewereld. Sommige van mijn beste vrienden heb ik online leren kennen: Jonathan is Duits en Mo is Marokkaans. Intussen gaat het veel verder dan enkel gamen: Mo en ik bellen elkaar geregeld. We doen ook dinertjes samen. Dan zetten we onze camera’s open en eten we gezellig samen. We zijn nu zelfs plannen aan het maken om samen op reis te gaan.”

null Beeld Johan Jacobs
Beeld Johan Jacobs

Heb je hem meteen gezegd dat je op vrouwen valt?

Sara: “Daar heb ik wel even mee geworsteld. Het klikte zo goed dat ik opeens bang werd om het hem te vertellen, maar hij vond het meteen oké.

“Om al dat seksisme en die homofobie wat te counteren heb ik een jaar geleden een online groep opgericht. We willen lgbtq-veilig zijn, antiracistisch en antitoxisch. In de gamewereld is dat zeldzaam. We laten iedereen toe, maar als ze onze gedragsregels niet respecteren of foute moppen maken, vliegen ze eruit. Intussen zijn we uitgegroeid tot een kleine community waar iedereen zichzelf kan zijn. Ik merk dat veel jongeren daar nood aan hebben, zeker in landen waar niet zoveel vrijheid is. Je wilt niet weten hoeveel jongeren aan zelfmoord denken. Er zijn er die zeggen: ‘Deze groep heeft mij gered.’ Ik schrik wel van de impact die zo’n online groep kan hebben op iemands leven.”

Hoe verliep je coming-out offline?

Sara: “Ik wist al vroeg dat ik op meisjes viel. Op mijn veertiende werd ik verliefd en ben ik er meteen voor uitgekomen. Niemand schrok ervan.”

Suzanne: “Toen ze het me vertelde, wist ik het precies al.”

Sara: “Na Suzanne heb ik het aan mama verteld. Voor papa heb ik een gedicht geschreven. Ik wilde het hem op zijn manier vertellen. Hij begreep het meteen en moest huilen. Voor alle drie was het geen enkel probleem. Ik wist dat op voorhand, maar ik moest het wel even zeggen.

“Niemand heeft ooit openlijk negatief gereageerd, maar bij sommige vrienden voelde ik wel dat ze er raar over deden. Toen ik na de middelbare school mijn haar kort liet knippen, zeiden ze: ‘Amai, nu lijk je op een jongen.’ Dat vind ik niet leuk. Ik ben een beetje een tomboy, maar ik voel me wel echt een vrouw.”

Op het vlak van gender is er nogal wat aan het bewegen.

Sara: “Het is ook wel belangrijk dat bepaalde dingen veranderen, maar ik heb zelf niet de neiging om op de barricades te gaan staan. Ik probeer op andere manieren te helpen. Met mijn online community, bijvoorbeeld.

“Soms denk ik weleens: ‘Ben ik wel gay genoeg?’ Ik volg nu vogue-danslessen. Die zijn heel populair bij queers. De eerste keer dat ik die les binnenstapte, was overweldigend. Ik had het gevoel dat ik aan een bepaalde mate van gay-zijn moest voldoen om erbij te horen. Ik had ook schrik om verkeerde dingen te zeggen, zoals een foute aanspreektitel. Ik ben dan wel zelf queer, toch heb ik het gevoel dat ik mijn kennis nog wat moet bijspijkeren.”

Suzanne: “Tegenwoordig is het allemaal een beetje verkrampt: je mag geen fouten maken. Ik snap de woede en de frustratie van sommige mensen helemaal: voor hen is de maat vol. Het is niet leuk als er keer op keer moppen gemaakt worden over je afkomst of je geaardheid. Maar we moeten toch ook oppassen. Niks mis met woke zijn, maar het moet oké blijven om vragen te stellen. De humor mag niet verdwijnen. Daarom vond ik Taboe van Philippe Geubels ook zo goed: het ging niet puur om de mop, hij ging ook in gesprek met de mens over wie hij de mop maakte.”

Sara: “Ik kan grappen over mijn geaardheid of vrouw-zijn best wel verdragen. Soms maak ik ze zelf. Maar ik merk dat er een dunne grens is tussen grappig en niet grappig. Waar die grens precies ligt, kan ik moeilijk uitleggen. Mo zei onlangs treiterend: ‘You’re such a girl.’ Opeens vond ik het niet meer grappig. Dat heb ik hem gewoon gezegd. Communicatie is cruciaal, altijd.”

Kan er thuis met alles worden gelachen? Ook met verslaving?

Suzanne: “O ja. Ik heb mama een keer als kerstcadeau een kaars gegeven in de vorm van een wijnfles. Dat vond ze heel grappig. Je mag jezelf niet te serieus nemen. Mensen die met zichzelf kunnen lachen, vind ik altijd heel aantrekkelijk.”

Is je vriend grappig?

Suzanne: “Ja. Hij zit ook in mijn klas. We zijn samen sinds vorige zomer. (tot Sara) Eigenlijk was jij eerst goed met hem bevriend, hè.”

Gelukkig zijn jullie geen concurrenten in de liefde.

Suzanne: “Ja! Ik zeg weleens tegen haar: ‘Als jij niet gay was, dan was je allang met hem gaan lopen.’”

Sara: “Hij is ook een gamer. Samen met hem heb ik die online groep opgericht. Onze naam, The Valley People, heeft hij bedacht.”

Jij hebt geen lief?

Sara: “Nee. Het was de voorbije jaren niet makkelijk om iemand te leren kennen, maar dat komt wel. Ik ben tenslotte pas 21, ik heb nog tijd. (lacht)

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234