Woensdag 18/09/2019

Interview

‘We moeten samen vaststellen dat de gevangenis een oplossing is die niets oplost’

‘Na de ervaring als jurylid kan ik het niet meer opbrengen om naar een whodunit op tv te kijken: dat is altijd weer een revue van clichés.’

November 2012. Drie tieners beroven een vrouw van 79 in haar appartement in Brussel. Haar broer vindt haar drie dagen later, ‘met wangen zo koud als een biefstuk in de koelkast’, zo zal hij het zeggen in de assisenzaak in 2016. Peter Vermeersch, hoogleraar sociale wetenschappen aan de Leuvense universiteit, is dan uitgeloot als jurylid. In Aantekeningen bij een moord brengt hij nu verslag uit van wat hij hoorde en zag in de assisenzaal.

Van Peter Vermeersch (47), auteur van Ex, een razend interessant boek over het voormalige Joegoslavië, kun je veel verwachten, maar hij overtreft zichzelf met Aantekeningen bij een moord, een erg pakkende oproep om diep na te denken over hoe we met misdadigers en slachtoffers omgaan.

Zullen we bij de feiten beginnen?

“In november 2012 dringen drie jongens het appartement van een oudere dame in Brussel binnen. Drie pubers, die in de namiddag aan de drugs hebben gezeten en misschien niet helemaal helder zijn. De dame probeert zich te verdedigen, er is een gevecht, de jongens gaan er met geld en juwelen vandoor. Later vernemen ze dat de vrouw pas drie dagen later gevonden is, gestorven aan haar verwondingen. Ze zijn zich toen samen met hun familie bij de politie gaan aangeven. De jongste twee, allebei 15 jaar, werden door een jeugdrechter veroordeeld en zijn inmiddels weer vrij. De derde, een broer van een van de twee 15-jarigen, was net 18 geworden: hij is in afwachting van zijn assisenproces in voorhechtenis geplaatst.”

De twee broers kwamen uit een Albanese familie.

“Ze zijn in precaire omstandigheden opgegroeid. Samen met hun moeder zijn ze eind jaren 90 als kleuter in Brussel aangekomen. De moeder heeft asiel aangevraagd. Ze waren de oorlog in Kosovo ontvlucht, zo was haar verhaal, maar dat klopte niet, ze kwamen uit Albanië. Daarom hebben ze nooit de vluchtelingenstatus gekregen en zijn ze in een grijze situatie blijven hangen. Hun vader, voortvluchtig nadat hij in Albanië bij verstek voor een roofmoord was veroordeeld, was waarschijnlijk ook in de buurt.”

U duidt de daders alleen met initialen aan. Alsof een minuutje googelen niet volstaat om te achterhalen over welke zaak het gaat.

“Alles is googelbaar, dat weet ik, maar ik heb het opzettelijk zo gedaan om mensen bij het boek te houden en niet meteen naar de mediaberichtgeving erover te sturen. Ik zou graag hebben dat ze een verhaal lezen dat is voortgekomen uit de ervaring van een jurylid, en niet afgeleid worden door de concrete aanleiding. Mij is het te doen om wat er in het algemeen over een assisenproces te zeggen valt.

“De whodunitkant was sowieso erg beperkt: er waren bekentenissen. De essentiële vragen zijn voor mij: hoe verhoud je je tot wat op zo’n proces gebeurt, en tot de manier waarop mensen worden gestraft?”

Mensen die worden geloot als jurylid, proberen er vaak onderuit te raken. U geeft als voorbeeld een man die een afspraak bij de tandarts inriep.

“Ik begrijp dat wel. Er wordt beslag gelegd op je tijd. In dit geval duurde het een dag of tien. Een bakker moet zijn winkel dan sluiten. Maar ik zag ook dat wie uiteindelijk werd geselecteerd, zich snel heel betrokken ging voelen. Je beseft: ‘Ik ben hier belangrijk.’ En we zijn als een groep geëindigd. Een week na het arrest zijn we op een avond samengekomen, en er is nog altijd contact tussen juryleden onderling.”

Zelf, zo komt het me voor, zag u uitgeloot worden eerder als een zegen dan een vloek.

“Het is niet dat ik erop hóópte het eens mee te maken, want ik wist dat er verschrikkelijke kanten aan zitten. Er wordt een zware beslissing van je verwacht, waar je niet op voorbereid bent. Maar het is waar dat ik nieuwsgierig van aard ben, het interesseert me hoe instellingen werken. Het was ook een kans om mijn mening te vormen over de procedure van het assisenproces, een politiek debat dat in 2016 gaande was en nog niet is afgerond, want het Grondwettelijk Hof heeft de voorgestelde hervorming afgekeurd.”

Het lijkt niet zo eenvoudig om te weten aan welke regels je je als jurylid te houden hebt. U schrok zelf toen u iets las over een Brits jurylid dat een halfjaar gevangenis had gekregen omdat ze tijdens het proces enkele algemeenheden over haar zaak bij elkaar had gegoogeld.

“De regels verschillen van land tot land: wat we in Angelsaksische tv-series te zien krijgen, geldt vaak niet voor ons. Een preciezere uitleg over wat er van juryleden wordt verwacht, zou me wel hebben geholpen. Je mag je niet laten beïnvloeden, dat is ook bij ons een stelregel, maar wat betekent het juist? Ik ben verder gegaan dan moest: voor de duur van het proces ben ik in Brussel op hotel gegaan. Ik dacht: ik neem het serieus, ik zal mijn burgerplicht naar behoren proberen te vervullen.”

Regels, procedures, wetten: daar draait het altijd weer om.

“Dat is de essentie van een strafproces: het is een complexe oefening om de werkelijkheid te reduceren zodat een eenduidige uitkomst mogelijk is. Daar is het gerechtelijke apparaat heel goed in: hoe ingewikkeld een zaak ook is, er is áltijd een conclusie. En zo’n ongecontesteerd eindoordeel is alleen mogelijk als er enorm veel aandacht voor de procedures is.

“Daarom voelt een assisenproces ook als een ritueel aan en heeft het veel weg van een strak geregisseerde theatervoorstelling. De juryleden zijn het zwijgende koor op de achtergrond – af en toe komt er een vraag, voor de rest zijn ze onleesbare maskers. De rechters willen zo snel en duidelijk mogelijk tot een besluit komen, maar de grote hoofdrolspelers zijn de advocaten van de verschillende partijen. Daarom zijn strafpleiters vaak gewonnen voor de procedure van het assisenproces: zij kunnen daar hun talent etaleren.”

Een belangrijk onderdeel van de assisenzaak lijkt me de reconstructie van de misdaad.

“We kregen allerlei experts van verschillende universiteiten te zien, ook uit mijn universiteit: toxicologen, sporendeskundigen, psychiaters... De techniciteit van zo’n reconstructie is interessant, je leert welke details sporenonderzoek kan opleveren. Maar je ziet ook de beperkingen ervan: een beeld van hoe de misdaad precies verlopen is, krijg je niet. In fictiereeksen wordt aan het einde alles duidelijk, maar zo gaat het in werkelijkheid niet. Ik moet zeggen dat ik het sinds die ervaring als jurylid vaak niet meer kan opbrengen op een zaterdagavond gezellig naar een whodunit te kijken, die Agatha Christie-verhaaltjes zijn altijd weer een revue van clichés.

“Experts verhelderen veel, maar morele dilemma’s lossen ook zij niet op. De reconstructie toonde ons wel dat de jongere broer veel forsere trappen had uitgedeeld dan de oudere broer, en toch moest alleen die laatste naar assisen. Ik heb later begrepen dat je in elk assisenproces wel één of meerdere dilemma’s tegenkomt.”

Als hét grote moment beschrijft u het korte oogcontact tussen de broer van het slachtoffer en de dader.

“Ik zag toen diep verdriet aan beide kanten. De broer werd niet kwaad, wat je zou verwachten, en de dader probeerde onhandig iets van spijt uit te drukken. Toen volgde een minuscuul moment van complete stilte in de rechtszaal. Ik heb er later nog vaak over nagedacht: lag hierin de kiem van iets anders? Was er een ontmoeting denkbaar tussen de dader en de broer van het slachtoffer? Buiten de strafrechtelijke afhandeling dan, want daar in de assisenzaal was dat moment meteen weer weg. De rangen moesten worden gesloten, we moesten verder om tot een conclusie te kunnen komen. En daar heb je afstand voor nodig, niet dat soort begin van contact.”

Het Openbaar Ministerie vroeg dertig jaar gevangenisstraf voor de beschuldigde. Met een straf van 21 jaar kwam hij er nog goed van af, vond Het Laatste Nieuws. U ook?

“Het juryberaad is geheim, daar moet ik over zwijgen. Over de strafmaat kan ik in het algemeen wel zeggen dat ik die in België gemiddeld ontzettend hoog vind, ook in vergelijking met onze buurlanden.”

‘Ik sprak een gevangene die het goed verwoordde: ‘Een kapot horloge sluit je toch ook niet op in een kast in de hoop dat het na een paar jaar vanzelf weer zal gaan tikken?’’

En wat is uw eindoordeel over de procedure van de assisenjury: behouden of niet?

“Dat is een te simpele vraag, vrees ik. Ik kan me vinden in de kritiek die de Hoge Raad voor Justitie, heel veel experts en mensen uit de praktijk al jaren formuleren: dat je het beter aan professionelen laat, dat het een trage en dure procedure is, dat emotie een grote rol speelt in de assisenzaal, enzovoort. Tegelijk vind ik de betrokkenheid van burgers in justitiezaken heel belangrijk. Kunnen meekijken over de schouders van de toga’s, dat doet iets met mensen. Je slaat ook een brug van vertrouwen tussen burgers en justitie.

“Ik zou dus een andere vraag stellen: hoe vermijden we dat we het kind met het badwater weggooien als we de assisenprocedure hervormen? Er zijn goede voorbeelden van burgerparticipatie, in Noorwegen bijvoorbeeld, waar lekenrechters het vertrouwen in de rechtspraak doen toenemen. En er zijn discutabele voorbeelden, zoals het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden in Nederland, dat vooral rare gevolgen heeft. Mensen uiten er in de rechtszaal hun emoties, en vervolgens moet het hof in feite zeggen: ‘Dank u voor de emotie, maar voorts trekken we ons daar niets meer van aan.’

“Misschien is het assisenproces, waar het om heel moeilijke beslissingen en zware straffen gaat, niet de beste plek om burgers in te zetten, en is het nuttiger naar hun praktische wijsheid te vragen bij minder ernstige misdrijven.”

Aan het einde van uw boek beschrijft u hoe u de moeder van de veroordeelde uit het Justitiepaleis ziet lopen. U voelde niet de drang om haar achterna te lopen?

“Als ik de zaak als journalist had gevolgd, had ik dat ongetwijfeld gedaan, maar kun je dat doen als jurylid? Ik had er alleszins geen zin in: ik was mee verantwoordelijk voor een beslissing over haar zoon en zat met veel vragen. Wat betekent het dat je iemand hebt gestraft? Hoe voelt dat, dat je leed met leed vergolden hebt, want je doet hem in een gevangenis belanden? In het arrest werd de dader toegesproken: ‘Wij hopen dat u lessen trekt uit deze straf.’ Maar is de gevangenis de goede plek om dat te doen?”

U besluit daarna te schrijven over uw ervaringen als jurylid. Is zoiets al vaak gebeurd?

“Ik heb hard gezocht naar recente boeken. Er bestaat veel fictie over assisenzaken, maar getuigenissen van juryleden heb ik niet gevonden. André Gide is een voorganger van me, (lacht) maar dan moet je al teruggaan tot 1915. Het was een geruststelling dat ook hij ermee in zijn maag zat.”

U dook in criminologische boeken en stootte daar op het inzicht dat ook straffen een misdaad kan zijn.

The crime of punishment, ja. Nieuw is die gedachte niet: de Amerikaanse schrijfster Margaret Wilson had het er al over in 1931, maar als je die term voor het eerst leest, ga je wel even nadenken. Uiteindelijk is een gevangenisstraf een milder vervolg op de lijfstraf. ‘Een lepeltje pijn toedienen’, noemt Nils Christie het, een Noorse criminoloog die ik enorm bewonder. Helaas is hij in 2015 gestorven. Hij heeft heel helder geschreven over de gevangenisstraf als pijn, en dus als geweld. En het gevangeniswezen als een wraakindustrie. Zoiets kan makkelijk uit de hand lopen. Wij vinden iemand vermoorden totaal verkeerd, in strijd met al onze waarden, maar in veel landen is het enige antwoord op een moord de doodstraf: we vermoorden de moordenaar. Als je erover begint na te denken, zie je meteen dat zo’n systeem in de knoop loopt. En daarom heeft Nils Christie zijn hele carrière geprobeerd er anders over na te denken: hoe kunnen we tegenover leed dat is berokkend iets positiefs plaatsen, niet alleen een straf?”

Niemand van de jury waarvan u deel hebt uitgemaakt, was al eens in een gevangenis geweest. U besloot daar na het proces te gaan kijken.

“Op weg naar mijn werk passeer ik elke dag de gevangenissen van Leuven Hulp en Leuven Centraal. Het was toch al te gek dat ik nog nooit achter die dikke muren was geweest?”

En wat zag u dan?

“Een oude wereld. En dan heb ik het niet over de gebouwen. De Leuvense gevangenissen zijn erfgoed, die van Vorst en Sint-Gillis kun je zelfs verkruimelend erfgoed noemen, maar ook in hightech-gevangenissen beland je in de 19de eeuw. De ideeën van toen worden er nog altijd toegepast: je sluit mensen in eenzaamheid op in een kleine ruimte, vanuit het idee dat een gesprek met hun geweten en God ze later beter zal doen functioneren in de maatschappij.

“Intussen weten we maar al te goed dat het zo niet werkt. Gedetineerden worden in de cel experts in wat het is om gedetineerde te zijn: dát leren ze daar, niet hoe ze moeten functioneren in de samenleving. Ik sprak een gevangene die het goed verwoordde: ‘Een kapot horloge sluit je toch ook niet op in een kast in de hoop dat het na een paar jaar vanzelf weer zal gaan tikken?’

“Bovendien maken we van de gevangenis een heel grote zak waar we van alles en nog wat in stoppen: seriemoordenaars en drugsbaronnen, maar evengoed mensen die veel kleinere misdaden hebben begaan. Zo wordt de gevangenis door de invloed van het milieu ook een misdaadfabriek. En dat allemaal omdat we nog altijd geen beter idee hebben gevonden.”

Het probleem is misschien wel dat mensen zich geen wereld zonder gevangenis kunnen voorstellen?

“Klopt. Je moet er eens op letten hoe vaak je op televisie een gevangenis te zien krijgt. Dat staat totaal niet in verhouding met de gevangenispopulatie in ons land. Het gaat om tien- tot elfduizend mensen, wat te veel is, maar toch een redelijk klein percentage van de bevolking. Altijd weer komt de plot van misdaadfictie erop neer dat de gevangenis het eindpunt is: de boef belandt in de cel, en de rest leeft nog lang en ongelukkig. Kan er eens geen serie komen waarin de kwestie van re-integratie wél wordt aangekaart?

“Het eerste wat nodig is, zijn politici, burgers en experts die samenzitten en in alle bescheidenheid vaststellen dat de gevangenis een oplossing is die niets oplost. Dat het beter kan. Dat er goede voorbeelden zijn, zoals in de Scandinavische landen, waar de gevangenispopulatie maar half zo groot is als bij ons. Dat er slechte voorbeelden zijn, zoals de VS. Mensen worden daar massaal opgesloten – als je alle gevangenen samenbrengt, levert dat de op vijftien na grootste staat van de VS op – en toch is de criminaliteit er niet verdwenen, integendeel.”

Ziet u politiek iets in die richting bewegen?

“Ik zie in elk geval dingen bewegen in de maatschappij, zoals de organisatie Moderator in Leuven. Een prachtig initiatief: ze organiseren ontmoetingen tussen slachtoffers en daders. Of De Huizen, een organisatie waarbinnen gevangenisdirecteur Hans Claus bedrijvig is. In zijn laatste boek Achter tralies zegt hij dat we niet alleen van het woord ‘gevangenis’, maar ook van die grote gevangenissen zelf af moeten. We hebben veelsoortige, kleinere instellingen nodig, waarin mensen idealiter al vanaf de dag van hun veroordeling aan hun re-integratie beginnen te werken. Het zijn die stemmen waar we naar moeten luisteren als we van de 19de in de 21ste eeuw willen belanden.”

Zelf bent u op het spoor van het herstelrecht geraakt door Annemie Van Camp, een vrouw die in gesprek ging met de man die haar broer heeft vermoord. Dirk Leestmans heeft begin 2017 ook een veelbesproken aflevering van Panorama met haar gemaakt.

“Ik geloof niet dat ik zonder die ontmoeting dit boek zou hebben geschreven. Toen ik Annemie leerde kennen, was ik meteen ontroerd door haar uitzonderlijke moed om zo’n confrontatie aan te gaan en er ook op tv over te praten.

“De man die haar broer had vermoord, had een brief geschreven: hij wilde de familie nog een paar dingen uitleggen. Annemie ging daarop in, want zij zat nog met veel vragen. Na een assisenproces zegt iedereen wel: ‘Nu moet je het achter je laten! De moordenaar zit in de gevangenis, move on. En als dat niet lukt, zoek het maar uit met je psychiater. In ieder geval: zwijg erover!’ Maar dat kon ze dus niet, en daar is ook een reden voor: het gaat ons begrip te boven waarom iemand zoiets vreselijks doet, het druist in tegen onze menselijkheid, het blijft ons achtervolgen. En dus ging ze naar die man toe, ze gaf hem een hand en keek hem in de ogen. Hij zei dat hij eerlijk zou zijn, en ze geloofde hem. Uiteindelijk gaf die ontmoeting haar het gevoel dat de wereld toch nog een beetje werkt. Iets belangrijkers is er niet, want dat is het grootste probleem van veel slachtoffers en nabestaanden: ze hebben het gevoel dat ze niet meer kunnen vertrouwen op zowat alles waarop ze hun bestaan hadden gebouwd.”

Die eerste handdruk, schrijf je, daar zat alles al in.

“Bij die handdruk begint de mens! In een assisenzaal is er een brede rivier tussen de nabestaanden en de beschuldigde, die in het Justitiepaleis in Brussel in een beveiligingskooi zit. Daar is zo’n ontmoeting onmogelijk. Het mooie aan herstelrecht is dat het de woede nog toelaat, want je mag best kwaad zijn en blijven, maar dat het ook de handdruk, het elkaar in de ogen kijken mogelijk maakt. Er is iets verschrikkelijks gebeurd waar we vierkant tegen zijn en dat we niet kunnen herstellen, maar we moeten nu wel verder.”

Er is duidelijk ook veel weerstand. Annemie Van Camp werd weggezet als de vrouw die vriendjes werd met een moordenaar. Ze kreeg dingen te lezen als: ‘Als ik jouw schedel insla, vergeef je mij dan ook?’

“Sociale media creëren evengoed afstand als de assisenzaal: als je alleen het virtuele stukje van een mens ziet, is het makkelijker om te schelden. Ik begrijp die weerstand ook wel. Veel mensen hebben het gevoel dat een gesprek met een moordenaar aangaan verraad betekent tegenover degene die vermoord is, ze koesteren hun wrok en woede. Terwijl het beter zou zijn voor hen om de wraakcyclus te onderbreken dan die te onderhouden. Vaak zijn nabestaanden uiteindelijk zo moe van hun wraakgevoelens dat ze ervan af willen, en het herstelrecht biedt hun die mogelijkheid.”

Moderator organiseert ook een bijzonder soort herstelgesprekken: tussen daders en slachtoffers die niet door een misdaad verbonden zijn, maar samen wel een diepgaand gesprek willen aangaan over hun misdrijven of slachtofferschap. U deed daaraan mee, en wel als slachtoffer. Samen met uw vriend David Van Reybrouck heeft u in 2015 een carjacking meegemaakt in Kuregem. Wat doet zo’n overval met een mens?

“Heel rare dingen. Het was echt niet het scenario waarin je terecht wilt komen: op een verlaten ommuurd parkeerterrein tegen de grond geslagen worden door vijf vermomde belagers, die alles van je afpakken en met een flinke vaart met je auto verdwijnen. Het ging allemaal snel. Mijn herinneringen zijn scherp over fracties van de gebeurtenissen, en vager over andere. Ik heb het idee dat ik lang op de grond heb gelegen, maar misschien was dat niet eens zo lang. In paniek waren we niet, ik herinner me eerder een alles aantastend gevoel van machteloosheid. Je voelt je sullig omdat je je niet hebt kunnen verdedigen. Maar wellicht viel het daardoor ook weer mee, want in een gevecht had het veel erger kunnen worden. Nu bleef het bij blauwe plekken. Blauwe plekken, woede en vervreemding.

“En dan was er nog de afwikkeling: ondervragingen bij de politie, kijken naar de foto’s van potentiële daders… Het voelde vervreemdend om plots die wereld als slachtoffer te moeten binnentreden. Ik wilde me tegelijk ook niet zielig voelen. Gelukkig waren we met twee: ik kon er met David over praten, dat was troostend.”

‘Als je alle Amerikaanse gevangenen samenbrengt, heb je de op vijftien na grootste staat van de VS – en toch is de criminaliteit er niet verdwenen, integendeel.’

Loopt u nu angstiger door de stad?

“Een tijdje ben ik wat alerter geweest, maar dat is weggeëbd. Het antwoord op angst in de stad is de stad zelf. In die stad blijven rondlopen en merken dat er zoveel dingen zijn die elke dag goed lopen, is het beste antidotum tegen de angst die je ook in die stad hebt gevoeld. Ik vind het spijtig dat zulke verhalen, of het nu die carjacking is of de roofmoord uit het assisenproces, de beeldvorming rond Brussel, die al te negatief is, nog verder scheeftrekken.”

U vermeed daarom weleens gesprekken over die carjacking, schrijft u. Wordt u dan geen slachtoffer van politieke correctheid?

“Nee, want ik zwijg er niet over, ik heb er nu zelfs een boek over geschreven. In de context van dit verhaal kon het wel. In het begin was ik weleens te moe, ja, om nog eens uit te leggen dat mijn geloof in Brussel als een tolerante, multiculturele stad overeind blijft, want dat is zo. Maar krijg dat maar eens uitgelegd bij de coiffeur. (lacht)

U ging in de Ieperse gevangenis lange gesprekken aan met andere slachtoffers en met daders. Wat heeft u daaruit geleerd?

“Ontzettend veel. Het ging om serieuze misdaden: een verkrachting, een moord die zo gruwelijk was dat ik de details niet heb durven op te schrijven. Maar ik zag ook dat die moordenaar getraumatiseerd was door zijn eigen misdaad. Zijn nachtmerries waren zijn echte straf, zei hij zelf. Het interessante is dat binnen zo’n groep die week na week uren met elkaar samenzit, ontzettend snel een ‘wij’ ontstaat – ook in die ongezellige omstandigheden, in een gevangenis. Niets hoeft er, de gesprekken moeten niet tot een conclusie leiden, maar er gebeurt wel iets dat je in je leven kunt meedragen. De categorieën dader en slachtoffer vervagen daar, je gaat begrijpen dat daders ook slachtoffers zijn. En je gaat beseffen dat het absurd is zo’n moordenaar nog meer pijn toe te dienen met een lange gevangenisstraf. We moeten andere dingen bedenken.”

U citeert wat Tsjechov in 1890 na een bezoek aan een strafinrichting schreef: ‘Ik ben er vast van overtuigd dat men over vijftig of honderd jaar onze levenslange straffen zal bezien met verbijstering en met het schaamtegevoel waarmee wij nu kijken naar het uitscheuren van neusgaten of het afhakken van vingers.’ De termijn die hij voorspelde, hebben we niet gehaald.

“Het is soms verrassend hoelang dingen hetzelfde kunnen blijven, en dan heel plots veranderen. Over herstelrecht wordt al enkele decennia gesproken, en nu krijgt het begrip toch meer voet aan grond. Ik merk dat Nederlanders hier komen kijken naar wat er op dat gebied gebeurt. Je hebt vooral politici nodig die mee willen.”

We kennen onze pappenheimers. Ik hoor het gros van onze politici al roepen dat daar geen draagvlak voor is. Mensen lang opsluiten, dat is de grondstroom.

“Ik vraag me af of ‘grondstroom’ wel zo’n nuttige metafoor is. Dat klinkt alsof het nu eenmaal zo is en er niets aan te veranderen valt. Het is duidelijk dat politici de drang kunnen voelen om te mobiliseren en te polariseren rond repressie en strafrecht, om zo goedkoop politieke punten te scoren. Maar ze moeten wel beseffen dat ze een zware verantwoordelijkheid hebben. Een samenleving die zegt: ‘Jij hebt een moord gepleegd, je bent een monster en we verstoten je’, dat is toch een enorme gemakkelijkheidsoplossing? Dan vergeten we dat het nog altijd mensen zijn.

“Ik weet dat ik een boek zonder definitieve antwoorden heb geschreven. Er zit veel wanhoop in, maar ook hoop. Na zoveel gesprekken met daders, slachtoffers en herstelbemiddelaars weet ik wel zeker dat het herstelrecht dat zich aan het ontwikkelen is, betere resultaten kan opleveren dan een strikt strafrechtelijke aanpak. De misdaad kun je niet ongedaan maken, maar van slachtoffers en daders heb ik begrepen dat dit het belangrijkste is: open de sluizen, zodat menselijkheid weer kan binnenstromen.”

Aantekeningen bij een moord van Peter Vermeersch is uit bij De Bezige Bij.

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234