Dinsdag 24/11/2020

‘We moeten onszelf toch niet te veel serieus nemen’

Voor Il y a longtemps que je t’aime, de eerste dramatische speelfilm van de Franse schrijver Philippe Claudel uit 2008, liep niet alleen het publiek storm, de film werd ook met prijzen overladen. Voor zijn tweede langspeler Tous les soleils besloot de succesauteur het over een totaal andere boeg te gooien. Het zou een komedie worden rond een Italiaanse docent barokmuziek, met een tienerdochter en een anarchistische broer in - of all places - Straatsburg.

Sinds de dood van zijn jonge vrouw, inmiddels jaren geleden, woont Alessandro in Straatsburg, waar hij Italiaanse barokmuziek doceert. Hij heeft zijn handen vol met zijn tienerdochter Irina, die voor het eerst verliefd wordt. En ook met zijn broer Crampone, die zo’n bloedhekel heeft aan premier Berlusconi, dat hij zich in Frankrijk wil laten registreren als politiek vluchteling. Alessandro heeft ook veel vrienden en allerlei bezigheden, maar de schaduw van zijn overleden echtgenote laat hem blijkbaar geen ruimte voor een nieuwe amoureuze relatie.

Dit is een luchtige, vrolijke film, wat niet meteen kon gezegd worden van uw debuutfilm Il y a longtemps que je t’aime. Wanneer hebt u besloten dat u voor uw tweede film een ander register wilde bespelen?

Philippe Claudel: “Op het moment dat ik de montage van Il y a longtemps had afgewerkt en de film aan mijn producenten liet zien. Dat moet in september 2007 geweest zijn. Ze waren tevreden en vroegen of ik al een volgende film in gedachten had. Toen heb ik hen gezegd dat ik in Straatsburg wilde draaien, welke muziek ik wou gebruiken en dat het veeleer een komedie zou worden. Voilà! Ik had nog geen precies idee van het verhaal, maar ik voelde wél het verlangen om iets helemaal anders te doen.”

De titel was eerst Silence d’amour. Waarom hebt u die eigenlijk gewijzigd?

“Ik heb de titel nauwelijks tien dagen voor het draaien veranderd. Ik had een komedie voor ogen, vol ritme en dynamisme. En vooral met veel vrolijkheid en hoop. Die eerste titel, die in feite de vertaling is van het liedje dat we op het einde horen, leek mij plots veel te melancholisch. Un peu triste. Een beetje stijf ook. In de film zit ook een gedicht dat begint met ‘Tous les soleils à l’aube’. Dat leek mij een betere titel om de sfeer van de film te reflecteren: veel licht, veel blijdschap. Tous les soleils, dat zijn al die personages die rond Alessandro cirkelen: zijn dochter, zijn broer, zijn vrienden. Zij zijn het ook die hem de energie geven om zijn leven opnieuw op te bouwen.”

Alessandro treurt nog altijd om de dood van zijn vrouw, maar hij loopt daarom niet depressief rond. Het lijkt wel alsof hij die rouw koestert.

“Precies! Ik geloof dat hij van zichzelf vindt dat hij eigenlijk wel gelukkig is. Hij doceert Italiaanse barokmuziek, hij zingt ook zelf in een koor, hij gaat als vrijwilliger boeken voorlezen in het ziekenhuis, hij brengt met zijn vrienden de weekends door in de Vogezen. Tout va bien, quoi! En die rouw... dat is zo’n beetje als een oester die parelmoer rond een steentje aanbrengt en er zo een parel van maakt. Er zijn de foto’s van zijn vrouw, de familiefilmpjes: het geïdealiseerde beeld van een jonge vrouw. Het trauma van haar dood blokkeert hem en maakt het voorlopig onmogelijk om open te staan voor een nieuwe amoureuze ontmoeting.”

Ik heb Straatsburg nooit als een romantische stad beschouwd, maar in deze film blijkt dat toch het geval te zijn.

“Maar dat is in werkelijkheid ook zo! Het hangt er gewoon vanaf waar en hoe je kijkt. Neem bijvoorbeeld die muur (we zitten in een Brusselse hotelkamer en Claudel wijst naar buiten, JT). Als ik die nu, met het zonlicht dat op die bakstenen speelt, zou fotograferen met een bepaalde kadrering, dan kan ik daar ook een Italiaanse muur van maken. Het is een kwestie van keuzes maken. Ik heb in Straatsburg voor specifieke plekken en een bepaald licht gekozen die er een warme stad van maken en die voor een soort mediterrane uitstraling zorgen die de stad met die rivier wel degelijk bezit. Als men in de hitte van de zomer langs de boorden van dat eilandje wandelt en men sluit de ogen, dan kan men zich makkelijk in Italië wanen.”

Maar waarom hebt u voor dit verhaal precies voor Straatsburg gekozen?

“Ik woon daar niet zo ver vandaan, in de buurt van Nancy. Ik ken Straatsburg al sinds mijn kindertijd en ik heb altijd veel van die stad gehouden, onder meer om redenen die ik zonet heb aangehaald. Door de aanwezigheid van de Europese instellingen, die men hier trouwens ook in Brussel vindt, zijn er heel veel landen vertegenwoordigd en hoort men er alle mogelijke talen. In de straten, in de restaurants en in de cafés hoort men de muziek van al die Europese talen. Dat vind je nergens anders in Frankrijk. Bovendien is er die ongewone mengeling van un pittoresque Alsacien, in de mentaliteit en in de architectuur, met die openheid naar Europa. In Straatsburg draaien was voor mij dus een evidente keuze, temeer omdat ik graag een provinciale ambiance oproep. De Franse cinema speelt zich te veel af in Parijs, dat toch een zeer particuliere regio van Frankrijk is, met een specifieke mentaliteit die totaal anders is dan die in de Franse provinciesteden. In Tous les soleils wou ik het hebben over de menselijke verhoudingen in zo’n provinciestad, zonder daarom te vervallen in de clichés van bijvoorbeeld Claude Chabrol: de donkere geheimen en de kleine perversiteiten van de provinciale burgerij. Dat interesseerde mij helemaal niet.”

Binnen dat provinciale milieu van Straatsburg kiest u dan voor een Italiaans hoofdpersonage. Waarom?

“Omdat ik een komedie wilde draaien en ik altijd een grote fan ben geweest van de Italiaanse komedies. En ook omdat ik er al jaren van droom om in een film de muziek te gebruiken die ik hier gebruikt heb, namelijk de tarantella, de populaire dansmuziek uit het zuiden van Italië. Het is ook muziek met een diepere betekenis, die volgens de legende kon dienen om de beet van de tarantula te genezen.”

Toen ik, voor het bekijken van Tous les soleils, las dat Alessandro Italiaanse barokmuziek doceerde, had ik niet verwacht dat hij in zijn klas de tarantella zou staan dansen.

“Dat komt omdat men een totaal verkeerd beeld heeft van wat barokmuziek eigenlijk is. Die omschrijving definieert veeleer een bepaalde periode. Binnen zo’n periode vindt men zowel figuren als Marin Marais (Franse barokcomponist, JT), maar ook traditionele volksmuziek. Het gebruik van de tarantella hier biedt ook de gelegenheid om de mensen duidelijk te maken dat barokmuziek niet altijd geleerd of saai hoeft te zijn.”

Tous les soleils is weliswaar een vrolijke film, maar ook de dood is aanwezig. Er is zelfs sprake van geesten of fantomen.

“Ik ben altijd al dol geweest op films over fantomen. Of dat nu in het werk van Luis Buñuel was of in een magnifieke film zoals The Ghost and Mrs. Muir(uit 1947, van regisseur Joseph L. Mankiewicz, JT). Wat mij interesseerde was te laten zien hoe onze levens niet alleen verbonden worden door de levenden, maar ook door de afwezigen. En hoe de doden deel blijven uitmaken van ons bestaan. Hoe wij aan hen denken. Iedereen weet toch ook dat de overledenen pas echt dood zijn als niemand meer aan hen denkt. Zelf denk ik ook vaak aan mijn doden en op die manier laat ik hen voortleven. Aanwezig blijven, zelfs in de afwezigheid. Herinneringen kunnen soms ook te zwaar wegen, zoals hier bijvoorbeeld het geval is met de geest van Alessandro’s jonge vrouw. Maar dat is meer zijn probleem dan van het fantoom van z’n overleden vrouw.

“U hebt inderdaad gelijk: er zitten ook zware elementen in deze film, er is een vorm van tragiek, maar die wordt wel op een luchtige manier aangepakt. Het klinkt misschien pretentieus wat ik nu ga zeggen, maar ik wilde van Tous les soleils een verfijnde en intelligente komedie maken. Ik heb de film intussen al vaak gezien met publiek in de zaal en er wordt echt veel en luid gelachen. Maar het zijn uiteindelijk voornamelijk ernstige onderwerpen waarover verteld wordt. Het verlies van de geliefde, hoe een nieuw leven opbouwen, een vader die zich zorgen maakt over z’n dochter, een moeder en een dochter die niet meer met elkaar kunnen communiceren, twee vrouwen die wanhopig op zoek zijn naar een compagnon, de postbediende die zich niet begrepen voelt en die het heeft over de zelfmoorden van collega’s, de broer die zich als een clown gedraagt maar die ondertussen wél diepe waarheden vertelt, enzovoort. Dat zijn allemaal toch serieuze thema’s, maar de aanpak blijft licht. Die mengeling van toon is precies de reden waarom ik zo van de Italiaanse komedies hou. Zij slagen erin om ons, binnen de ruimte van dezelfde film, te laten lachen en huilen. En tegelijk lukt het hen ook nog om er kritiek in te stoppen, om er een sociale of politieke satire van te maken.”

Tous les soleils is ten slotte ook een film over de liefde, zoals onder meer uit de Italiaanse versie van de Sinatra-klassieker ‘Something Stupid’, die ook de op de soundtrack staat.

“Dat ‘Qualche Stupido Ti Amo’ is niet zomaar een Italiaanse versie, maar de Italiaanse versie die Sacha Distel daar indertijd van gemaakt heeft, in duet met de Canadese actrice Joanna Shimkus. Voor mij was dat een soort knipoog naar mijn eigen jeugd. Het was niet makkelijk om dat liedje terug te vinden, maar dankzij de zoon van Sacha Distel is het ons uiteindelijk toch gelukt om die opname te pakken te krijgen. Dat liedje, dat onder meer gaat over de vrees of de terughoudendheid van mensen om hun gevoelens uit te drukken, vond ik wel passen in deze film, waarin het inderdaad vaak over de liefde gaat. Over onmogelijke liefdes. Over de liefde die men verloren heeft. Over de eerste liefde of over de mogelijkheid van een nieuwe liefde. En ook over de onmogelijkheid om aan mensen te zeggen dat we van hen houden. Het zijn allemaal variaties op hetzelfde thema.”

Elke goede film is, net zoals dat voor goede romans het geval is, altijd wel een beetje autobiografisch. In dit verband hebt u al toegegeven dat de manier waarop Alessandro zich als docent bij een examen laat beïnvloeden door de tranen van een studente niet helemaal verzonnen is.

“Dat klopt (lacht). Toen ik zelf nog leraar was, volstond het soms dat een meisje voor mijn neus in tranen uitbarstte om haar een hoger cijfer te geven. In de film zien we ook hoe Alessandro in het ziekenhuis bij patiënten gaat voorlezen. Dat heb ik zelf niet gedaan, maar ik ben wel een tijdje actief geweest bij een organisatie van vrijwilligers in Nancy die in ziekenhuizen bijlessen ging geven aan zieke kinderen en adolescenten. En ook de liefde voor de wijn is in deze film een zéér autobiografisch detail (lacht).”

Als Alessandro een oude man de keuze laat tussen een boek van Kafka of Sartre, vraagt die patiënt of hij niets erotischer in de aanbieding heeft. Dat dit grapje uit de pen komt van een gerenommeerd schrijver zoals u vind ik toch wel getuigen van gezonde zelfironie tegenover de Literatuur met grote L.

“Ach, we moeten onszelf toch niet te veel serieus nemen. Ik probeer dat althans niet te doen.”

Uw eerste film was puur realisme. De tweede kan ook wel realistisch genoemd worden, maar er is ook sprake van magische elementen, zoals de aanwezigheid van die geesten. Of de ontmoeting van Alessandro met Agathe aan de oever van de rivier. Een ontmoeting die in feite onmogelijk is omdat die vrouw op datzelfde moment in het ziekenhuis op sterven ligt.

“Ik ben zelf weliswaar een grote fan van wat men realistische cinema zou kunnen noemen, maar als ik een lijstje zou moeten maken van mijn tien favoriete cultfilms, dan zou Brazil van Terry Gilliam daar zeker bij zijn. Dat kan je toch moeilijk een realistische film noemen. In dat lijstje zouden ongetwijfeld nog andere films van Terry Gilliam een plaatsje vinden, en misschien zou dat ook wel gelden voor een of twee films van Tim Burton. Ik hou dus ook van films als die de vorm van een fabel aannemen of de uitdrukking van een sprookje worden. Die magische kant van de cinema interesseert mij evenzeer.”

Zou u het zelf ook ooit willen proberen?

“Waarom niet? Wat mij in feite het meest interesseert in film, is de exploratie van de genres. Voor mij is Stanley Kubrick hét absolute filmgenie. Hij heeft in zowat elk genre films gemaakt en telkens is hij erin geslaagd om niet alleen dat genre opnieuw uit te vinden, maar ook nog eens elke keer opnieuw een meesterwerk af te leveren. Voor mij is hij dé grootste filmmaker van de twintigste eeuw. Kubrick is iemand die de hele filmgeschiedenis compleet begrepen heeft en die, zoals hij dat zelf altijd gezegd heeft, zeer schatplichtig is aan de stille film. Hij heeft elke filmtaal geëxploreerd en dat vind ik buitengewoon fascinerend. Op mijn eigen bescheiden niveau bevalt het mij wel om eerst een melodrama te hebben gedraaid en nu een komedie. Mijn derde film zal ongetwijfeld weer iets compleet anders zijn. Ik ben momenteel nog met verschillende projecten bezig, maar het is wel telkens iets in een ander genre.”

Stefano Accorsi als de Italiaanse muziekleraar Alessandro, die in Straatsbrug leeft in de schaduw van zijn overleden vrouw. ‘Tragiek die op een luchtige manier wordt aangepakt’.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234