Maandag 27/06/2022

'We leven toch in een vrij land'

De censuurkwestie die de voorbije jaren de gemoederen het felst beroerde, was de zaak-Brusselmans. Mogen kunstenaars doen en zeggen wat ze willen?

Veertig jaar censuur en processen in België

Censuur is in België bij wet verboden. Artikel 25 van de Grondwet stipuleert niet alleen dat de drukpers vrij is, maar ook dat 'de censuur' nooit kan 'worden ingevoerd'. Toch komt het censuurdebat geregeld nog hevig opzetten, meestal naar aanleiding van een proces tegen een schrijver. Een overzicht van de literaire censuuraffaires van de voorbije veertig jaar - van 'De penisgroet' tot 'de puitogen' van een modeontwerpster - is tegelijk een verhaal over een veranderde tijdgeest.

Door Johan Vandenbroucke

'De penisgroet' was de titel van een artikel dat Herman J. Claeys in oktober 1967 publiceerde in het gestencilde tijdschriftje Daele. Daarin stelde Claeys voor de handdruk te vervangen door een ander begroetingsritueel. Men zou elkaar kunnen begroeten door elkaars penis, of borsten bij de vrouwen, aan te raken, hetzij met een achteloze tik, hetzij enthousiaster, wat dan tot intensere handelingen kon leiden.

Méér was het niet, een vondstje, een grappig bedoeld voorstelletje. Dát artikeltje, literair volkomen onbenullig, was in 1967 de meest besproken tekst uit de gehele Nederlandstalige literatuur en daardoor werd ook het vrij marginale blad Daele de meest geciteerde literaire periodiek van dat jaar.

Door een Gentse procureur werd het stuk beschouwd als een aanfluiting van 'de goede zeden'. Op een vroege ochtend viel de BOB binnen in de woning van de uitgever van het tijdschrift, Jan Emiel Daele. Ze legden beslag op nummers van het tijdschrift en namen tevens een stapel andere periodieken, manuscripten en documenten mee.

De volgende dag noteerde Daele in zijn dagboek: "Gisterenochtend werden Anne en ik om kwart over zeven door hevig belgerinkel gewekt. Vier nazirechercheurs van de BOB kwamen huiszoeking verrichten en al mijn paperassen in beslag nemen. (...) Zij haalden heel mijn netjes gerangschikte rek door elkaar, op zoek naar pornografische geschriften, tijdschriften, kranten, foto's etcetera. Ze vonden heel wat. Pakken werden weggesleept of verzegeld."

Daeles dagboeknotities - geciteerd in Julien Weverberghs memoires De voorwerpen - getuigen van het roerige tijdsgewricht. Hij vermeldde dat hij nog handig een stukje hasj weg had weten te moffelen en beschreef ook hoe de protestactie meteen na de inval van start ging. "De stencilmachine trad in werking", aldus het dagboek: "Het moet gedaan zijn met die dictatuur en die censuur." Er werd een actiecomité opgericht, een manifest rondgestuurd, - "de eerste handtekeningen zijn van Hugo Raes, Hugo Claus en Louis Paul Boon", er werden protest-read-ins georganiseerd. "Nooit tevoren en nooit meer daarna hebben de Vlaamse schrijvers zich zo enthousiast en zo solidair opgesteld", zo vertelt Weverbergh later in zijn memoires.

Het waren de jaren van 'de gestencilde revolutie'. België in de jaren zestig. De samenleving, jongeren, provo's, schrijvers en kunstenaars voorop, begon zich te bevrijden van het juk van het katholieke conservatisme. De overheid reageerde geschrokken en repressief. Bij schilders werd 'pornografisch materiaal' in beslag genomen, pikante films werden verboden, erotische tekeningen uit galerieën verwijderd, buitenlandse seksblaadjes moesten door de distributeur 'gecensureerd' worden door middel van met zwarte viltstift aangebrachte zwarte bandjes.

In een boek met de ondubbelzinnige titel, Censuur, het veelkoppige monster (1969, uitgever Sonneville) staat een opsomming van feiten en feitjes. Naast gevallen van politieke censuur - in februari 1964 werd Pourquoi pas? uit de rekken gehaald wegens een artikel over de moord op Lumumba - zijn er hilarische voorbeelden: zo werd in maart 1967 het tijdschrift Kwik in beslag genomen wegens foto's van het Ballet van Maurice Béjart.

Het waren de jaren van provo. Op zich onbeduidende, lokale provoblaadjes zoals Revo, Bom, Anar en Eindelijk werden herhaaldelijk geconfisqueerd. De beschuldiging betrof telkens de zedenschennende of majesteitsschennende inhoud, aldus een scriptie over de Vlaamse provobeweging van de historicus Joris Verschueren. Meestal had het met 'zedenschennis' te maken, met seks dus. Het eerste nummer van het Gentse provoblaadje Den Uil was een protestnummer tegen de inbeslagname van Eindelijk 7, dat verboden was wegens een "pornografische afbeelding" (waarover historicus Verschueren schrijft: "Ik vond met moeite de blote borst"). Enkele maanden later, juni 1968, verscheen weer een protestnummer na de inbeslagname van tekeningen van Walter de Buck in Gent. Na weer een confiscatie van een provotijdschrift, ditmaal Revo, protesteerde de al genoemde Herman J. Claeys door op een Leopardtank te klimmen met een bord waarop stond: "De vertoning van deze tank is obsceen, het naakte lichaam niet."

Provo en porno, één strijd. Het kan vandaag een vreemde combinatie lijken, de strijd voor vrije meningsuiting én voor seksblaadjes. Het vrije woord en het onbelemmerde bloot.

In Brussel werd opnieuw dezelfde Herman J. Claeys aangeklaagd omdat hij in zijn Free Press Bookshop naast allerlei undergrounduitgaven ook 'pornografische publicaties' verhandelde. Het ging over tijdschriften als Gandalf en Suck, over boektitels als Homofiele houdingen, maar ook over Vrij Nederland. In het nummer van 30 mei 1970 stond immers, bij een artikel over de gemeenteraadsverkiezingen, een groepsfoto waarop enkele ontklede Kabouters waren afgebeeld. Ook die foto viel volgens het gerecht onder de bepaling 'oneerbare prenten of afbeeldingen'.

Een specifiek geval van censuur overkwam Roger van de Velde, die in de jaren zestig wegens zijn verslaving langere periodes in de gevangenis verbleef. Daar schreef hij onder meer Galgenaas (1966), waarvan het manuscript door zijn vrouw de gevangenis uit gesmokkeld werd. Vervolgens kreeg hij een publicatieverbod opgelegd van de gevangenisautoriteiten. Op de meest willekeurige momenten moest hij een cel- of lijfonderzoek ondergaan en zelfs zijn brieven aan de advocaat werden onderzocht. In een interview vertelde hij: "Een mededeling van het ministerie van Justitie hield in dat onder géén beding een geschrift van mij, bestemd voor publicatie, de gevangenis mocht verlaten. Ik kon evenmin over een schrijfmachine beschikken." (Deze maatregelen werden later, na protesten van schrijversorganisaties, versoepeld.)

Op 22 mei 1968 werd Hugo Claus voor de correctionele rechtbank aangeklaagd wegens "openbare zedenschennis". In zijn toneelstuk Masscheroen had hij de Heilige Drievuldigheid ten tonele gevoerd in de gestalte van drie naakte mannen. De zaak kreeg veel media-aandacht. Er werd een petitie-actie gelanceerd, verzoekschriften werden gepubliceerd, en er vond een protest-read-in plaats.

Ondanks een "magistraal pleidooi" (dixit de Nederlandse krant Het Binnenhof) van zijn advocaat, de ook van de televisie bekende John Bultinck, werd Claus veroordeeld tot vier maanden effectieve gevangenisstraf (in beroep omgezet tot vier maanden voorwaardelijk) en een boete van 10.000 frank.

Meteen na de uitspraak stuurde Claus' Nederlandse uitgever een telegram: "Wat een schande stop wat een land stop wat een rechtspraak stop wat een schrijver stop".

In een interview verklaarde Claus: "De verschijning van de Heilige Drievuldigheid te Knokke was allesbehalve erotisch. Wie bij het zien van drie naakte acteurs, die een theologisch concept uitbeelden, opgewonden geraakt, zodat er juridisch sprake kan zijn van obsceniteit, is een gevaarlijke geperverteerde, die men beter in een instituut stopt om zijn schildklieren te laten opereren."

Een andere beruchte censuurkwestie vond plaats in november 1969. Toen deed de politie een inval in de linkse Brusselse boekhandel Corman. Er werd een dertigtal voornamelijk Nederlandstalige titels "ter onderzoek" meegenomen. Daarbij was de roman Gangreen 1 (Black Venus) van Jef Geeraerts, kort daarvoor bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza. (Zie de aparte bijdrage van Jef Geeraerts.)

Julien Weverbergh wees in zijn memoires ook op het voordeel van bepaalde inbeslagnames: "Ten huize van Geeraerts knalde de rode champagne en in het uitgevershuis Manteau werden vuurpijlen van vreugde afgestoken: het boek, dat ondanks de staatsprijs toch niet écht van de grond was gekomen, zoals verwacht en verhoopt, werd een geheide bestseller."

Enkele decennia later was de overheid veel minder ambitieus om als censor op te treden. Soms werd een schrijver wel nog voor de rechtbank gedaagd door een medeburger die hoopte een boek te kunnen laten verbieden. De beruchtste kwestie uit de jaren negentig was de klacht van prinses Lilian, weduwe van koning Leopold III, tegen de schrijver Pierre Mertens. Aanleiding waren passages in zijn roman Une paix royale (1995), waardoor de prinses zich geschoffeerd voelde. De prinses eiste een royale schadevergoeding en de inbeslagname van het boek, de auteur verdedigde zich met de stelling dat hij fictie had geschreven. Mertens werd veroordeeld tot de symbolische één frank morele schadevergoeding. De rechter besliste om het boek niet uit de handel te nemen, maar hij deed wel een opmerkelijke uitspraak door het procedé om nog levende figuren in een roman op te voeren "foutief" te noemen. (De roman werd, mede door de opschudding, een bestseller.)

Mogen nog levende figuren opgevoerd worden in een literaire tekst? Dezelfde vraag rees in februari 2005, in het Gentse justitiepaleis, waar een kort geding was aangespannen tegen het toneelhuis Victoria en schrijver Dimitri Verhulst. In de toneeltekst Aalst had Verhulst de feiten van een dubbele kindermoord verwerkt met fictie. Volgens de advocaat van de moordenares - in 2003 tot levenslang veroordeeld - zou het toneelstuk de eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling van zijn cliënte in het gedrang kunnen brengen, alsook haar reïntegratie in de maatschappij. Zij had, dixit haar advocaat, "het recht om vergeten te worden". Op de ochtend van de geplande, intussen ook uitverkochte, première, besliste de rechter dat het toneelstuk toch mocht worden opgevoerd.

Over de uitspraak had Dimitri Verhulst zich weinig zorgen gemaakt: "Ik had niet anders verwacht." Helemaal tevreden was hij echter niet: "Ik had graag gezien dat het vonnis duidelijker benadrukte dat auteurs het recht hebben materiaal uit de werkelijkheid te gebruiken voor een literair werk of toneelstuk. De helft van de wereldliteratuur is volgens dat procedé tot stand gekomen."

Het was niet zijn eerste proceservaring. Eind augustus 1999 werd hij gedagvaard door zijn moeder, die zich in zijn debuut De kamer hiernaast meende te herkennen in het personage van Nicole, de "waanzinnig dikke moeder". Ze voelde zich gekwetst en eiste een half miljoen frank voor elk boek dat niet uit de handel werd genomen. In kort geding oordeelde de rechter dat het dwingende karakter van de procedure niet meer relevant was, gezien de klacht pas maanden na de publicatie van het boek was gekomen. De roman kon dus verder verkocht worden, in afwachting van een uitspraak ten gronde. Bij de tweede druk wijzigde Verhulst vrijwillig de naam van het personage. Hij wilde hiermee een geste doen, tevens in de hoop tot een minnelijke schikking te komen. Het gebaar volstond echter niet voor de tegenpartij om van de rechtsgang af te zien.

"Zo'n proces leidt de aandacht alleen maar af van het boek", verklaarde Verhulst later in een interview: "Ik wilde dat mijn boek gelezen werd om de literaire waarde." Overigens werd hij over de hele lijn vrijgesproken.

De censuurkwestie die de voorbije jaren de gemoederen het felst beroerde, was de zaak-Brusselmans. In het voorjaar van 2000 werd op bevel van de rechter de roman Uitgeverij Guggenheimer uit de handel gehaald. De in het boek met naam genoemde modeontwerpster Ann Demeulemeester had verzocht om een verspreidingsverbod, ze voelde zich beledigd door enkele passages in de roman. De rechter oordeelde, in afwachting van een uitspraak ten gronde, dat het boek niet langer verkocht mocht worden in België. Volgens hem was het recht op vrije meningsuiting misbruikt door Brusselmans.

De affaire kreeg veel media-aandacht. Artikelen, opinies, lezersbrieven. Geen columnist die er zijn mening niet over uitte. Met als gevolg dat iedereen - ook degene die anders nooit kennis zouden nemen van Brusselmans' geschriften - de gewraakte passages te lezen kreeg, zoals die waarin het romanpersonage de modeontwerpster omschrijft als een "dwergpoliep met puitogen en haar van op haar pruim tot op haar rug".

Bij de collega-schrijvers was de verontwaardiging groot. Op initiatief van Tom Lanoye werd een petitie opgesteld, die ondertekend werd door vele schrijvers. (Ook Nederlandse schrijvers tekenden de petitie, onder wie Joost Zwagerman, die in 1991 vrijwillig een passage over hoerenloperij van een bekende Nederlander liet verwijderen uit zijn roman Vals licht.)

In Nederland werd Brusselmans' roman overigens gewoon verder verkocht. De tweede druk kreeg een buikbandje om, waarop de tekst: "Alleen in Nederland verkrijgbaar".

Tijdens de discussies werden de grote woorden - boekverbranding - en de grote vragen niet geschuwd. Mogen kunstenaars doen en zeggen wat ze willen? Zijn er grenzen aan de vrije meningsuiting? In het aan de kwestie gewijde nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift verschenen diverse meningen, ook kritische tegenover het schrijversprotest. Filosoof Frank Vande Veire poneerde bijvoorbeeld: "Dat het artistieke recht op onverantwoordelijkheid weleens eindig zou kunnen zijn, is een gedachte die niet alleen Brusselmans, maar ook een flink deel van het schrijversvolk blijkbaar totaal vreemd is."

Volgens enkele beschouwers was 'het grote censuurdebat' beter gediend geweest met een meer politieke kwestie dan het Brusselmansiaanse beledigen van beroemde Vlamingen. Xandra Schutte schreef in Vrij Nederland dat het "iets potsierlijks" had dat een volgens haar "benedenmaatse slapstickroman" als Uitgeverij Guggenheimer "de vaandrager van de literaire vrijheid" was geworden. Dat soort bedenkingen komt vaker voor in censuurdiscussies. In 1967 meende Roger van de Velde bijvoorbeeld ook al - in dat geval terecht - dat 'De penisgroet' van Herman J. Claeys "in literair opzicht zogoed als waardeloos" was. Maar juridisch maakt het natuurlijk niet uit of de censuurvraag nu over goede of slechte literatuur gaat.

Nogal wat commentatoren bleken dus verveeld te zitten met hun appreciatie voor de auteur. "Het censuurdebat wordt verkwanseld aan een figuur als Brusselmans", stelde Bart Meuleman onomwonden. Terwijl Brusselmans zelf, zo constateerde journalist Filip Rogiers, zich nauwelijks een houding wist te geven, precies omdat hij als hoofdrolspeler "terechtkwam in een circus waarvan hij, in normale doen, de clowns te kakken zou hebben gezet". De met Brusselmans solidaire schrijvers publiceerden een advertentie met als kop de uitspraak van Voltaire: "Meneer, ik ben het hartgrondig oneens met ieder woord dat u zegt, maar ik zou mijn leven geven voor uw recht die woorden te zeggen".

Uiteindelijk werd Brusselmans veroordeeld tot het betalen van honderdduizend frank (plus proceskosten). Toch werd het boek niet verboden en kwam het opnieuw in de handel. Geen censuur dus, wel een veroordeling voor smaad. Een "mossel noch vis-oordeel", aldus Brusselmans: "Je mag het dus doen, maar je wordt ervoor gestraft."

Nu, zes jaar later, kijkt Brusselmans "nog altijd met een zekere wrangheid" terug op de affaire. Vooreerst omdat hij meent dat hij het proces had moeten winnen: "Nu hebben beide partijen eigenlijk verloren. Ik werd veroordeeld, maar de tegenpartij verloor ook, omdat het boek opnieuw mocht worden verkocht."

De affaire had een invloed op zijn verdere schrijven. Sindsdien doet hij aan zelfcensuur: "Dat betekent dat ik bepaalde dingen niet meer schrijf, dat ik drie keer nadenk voordat ik iets publiceer. Ik vind het spijtig dat daarmee een bepaald segment van mijn schrijven - zeg maar het polemische, het offensieve - is weggevallen. Dat is natuurlijk mijn eigen keuze. Ik zou dat nog wel kunnen doen, maar dan telkens opnieuw het risico lopen een proces aan mijn broek te krijgen."

In de recente affaires is het niet meer de overheid die censuur inroept, maar wel een zich beledigd of gekwetst voelende burger die zich daartoe tot de rechtbank wendt. In een opmerkelijk essay in Militanten van de limiet. Over censuur en vrije meningsuiting (2000) schreef Bart Meuleman dat censuur de kunsten altijd een buitengewone betekenis heeft gegeven: "Door een kunstwerk te verbieden, werd het op slag staatsgevaarlijk, een directe bedreiging voor de politieke of morele orde." Verder merkte hij ook op dat het hallucinant was te beseffen wat er in de voorbije decennia allemaal mogelijk werd in België. Intussen dreigt er echter een andere censuur, zo besloot hij, "een censuur op economische basis, die niet werkt met uitspraken en verboden, maar feitelijk en boekhoudkundig". Wie momenteel iets wezenlijks over censuur wil zeggen, moet volgens Meuleman "dit economisch mechanisme in beeld brengen".

Het is onmiskenbaar: we leven toch in een vrij land!

Eind augustus 1999 werd Dimitri Verhulst gedagvaard door zijn moeder, die zich in zijn debuut De kamer hiernaast meende te herkennen in het personage van Nicole, de 'waanzinnig dikke moeder'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234