Zondag 19/09/2021

InterviewPedro De Bruyckere

‘We hebben totaal geen zicht op de staat van ons onderwijs. We varen compleet blind’

Pedro De Bruyckere. Beeld Wouter Van Vooren
Pedro De Bruyckere.Beeld Wouter Van Vooren

We leven in een bijzondere tijd, meent Pedro De Bruyckere. Op de vooravond van de eerste schooldag maakt de pedagoog de balans op van ons onderwijs. ‘Ouders zijn zich daar niet van bewust, maar nu worden heel wat zaken in een definitieve plooi gelegd.’

Neen, corona heeft het acute lerarentekort niet plots weggetoverd. En de leerlingen uit de tweede en derde graad secundair wachten nog altijd op de nieuwe minimumlat, de eindtermen, waarover ze zullen moeten springen. Dan zijn er nog de taalscreening van onze kleuters en de invoering van centrale examens. Nog los van corona zijn er in het onderwijswereldje hot topics genoeg om er een boeiend schooljaar van te maken. Dat weet pedagoog en onderwijsexpert Pedro De Bruyckere (46, Arteveldehogeschool) als geen ander.

“Weet u waarover ik me het meeste zorgen maak? We hebben totaal geen zicht op de staat van ons onderwijs. We varen compleet blind. En vooral, we zullen dat nog een hele tijd blijven doen.”

Hoe bedoelt u?

“De internationale vergelijkingen worden uitgesteld door corona. Ik heb het over het PISA-onderzoek (dat 15-jarigen test op hun leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid, CG).”

Zal dat niet vooral een zekere rust brengen in het onderwijs? We deden het de voorbije jaren niet zo goed in die studies, wat telkens een paniekgolf veroorzaakte in onderwijsland. Dat kunnen we in coronatijden wel missen.

“Het kan inderdaad voor wat mentale rust zorgen. Maar voor mensen als ik is dat vooral erg frustrerend. We hebben al zo weinig zicht op hoe we ervoor staan. Er zijn momenteel alleen de peilingstoetsen en die internationale vergelijkingen. Als die laatste wegvallen, weet je helemaal niet meer of de negatieve trend waarin we zaten zich voortzet of dat we met de maatregelen die al genomen zijn, het tij wat hebben kunnen keren.

“Een voorbeeld? Een van de grootste veranderingen die we de voorbije jaren hebben ingevoerd, zijn de eindtermen basisgeletterdheid in de eerste graad. Dat zijn de basiszaken die nodig zijn om te participeren in de maatschappij: Nederlands, wiskunde, digitale en financiële geletterdheid. Het speciale aan deze eindtermen is dat elke leerling ze moet bereiken. Bij andere eindtermen is het zo dat het grootste deel van de populatie van een school die moet halen.

“Dit nieuwe concept is vorig schooljaar opgestart in het eerste middelbaar. Tegen het einde van dit schooljaar moeten die eindtermen dus behaald zijn door alle leerlingen. Maar of dat gelukt is, kunnen we door corona gewoon niet weten. Als een leerling die eindtermen niet gehaald heeft, ligt dat dan aan corona of aan het systeem dat niet goed werkt? Dat is enorm frusterend. Veel mensen, zeker ook ouders, begrijpen niet dat we in een bijzondere tijd leven. Er worden op dit ogenblik in ons onderwijs veel zaken in een plooi gelegd. Maar we kunnen niet uitzoeken wat het effect van al die maatregelen is.”

Kunnen de centrale examens, die minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) eind juli aankondigde, daarbij helpen? We gaan voortaan kinderen op vier momenten in hun schoolloopbaan testen, wat juist meer data moet geven over de staat van ons onderwijs.

“Ja, maar zover zijn we nog niet. Die examens moeten eerst nog ontwikkeld en daarna uitgezet worden. Je zult pas iets kunnen zeggen over de leerwinst die geboekt is als je de toets in het zesde leerjaar afgenomen hebt van leerlingen die zo’n toets ook al in het vierde leerjaar maakten. Met andere woorden: het duurt nog jaren vooraleer we daar iets aan hebben.”

Over de wenselijkheid van centrale examens bestaat al jaren discussie. Is het een meerwaarde voor leerlingen?

“Ik ben zelf een koele minnaar, maar moet toegeven dat ik daarin wel wat ben opgeschoven. Ik ken de problemen en benoem die. Maar ik kan me ook wel vinden in argumenten die de voorstanders aanbrengen. Zoals het feit dat we de grote kwaliteitsverschillen tussen scholen, zeker in het secundair, voor een stuk moeten gelijktrekken.

“Voor mij is de grotere discussie, wel of niet centrale examens, van minder belang. Maar ik zie in de discussie wel twee elementen waar we nog een vette kluif aan gaan hebben. Bijvoorbeeld: wat gaan we precies meten? Het meest logische lijken de eindtermen. Maar dat zijn minimumdoelen. Volgens sommigen, zoals onderwijsexpert Jan Van Damme, zijn het net die eindtermen die ertoe leiden dat we het in internationale vergelijkingen niet goed doen. Want door minimumdoelen in te voeren, zijn sommige scholen zich daarop gaan richten. En is de lat net lager komen te liggen, terwijl het de bedoeling was dat die hoger kwam. Dus is de vraag bij die centrale examens: als je de eindtermen test, versterk je dan niet net die focus op dat minimum?

“Er mag van mij wel wat meer ambitie in zo’n examen zitten. Het moet meer zijn dan het minimum. Maar wat kies je dan? Accenten die het Katholiek Onderwijs legt en het Gemeenschapsonderwijs misschien iets minder? Of omgekeerd? Dan krijg je per definitie een oneerlijke vergelijking. Dat wordt echt een moeilijke kwestie.

“Een tweede element is: wat gaan we doen met die resultaten? Worden die bekendgemaakt aan het grote publiek of niet? Hoe meer belang je aan die resultaten hecht, hoe meer fraude je zal krijgen. Al dan niet toegelaten fraude.”

Hoe bedoelt u?

“We zien wereldwijd dat als de job van de leerkracht en het prestige van een school aan die resultaten gekoppeld worden, sommigen weleens antwoorden durven mee te geven. Dat is letterlijk fraude. Maar er zijn ook scholen die wanneer de eindtoets eraan komt, slecht presterende leerlingen vragen de school te verlaten, om hun gemiddelde hoog te houden.

“Dat zijn mogelijke negatieve gevolgen. We moeten volgens mij die centrale examens een eerlijke kans geven en ervoor zorgen dat die negatieve gevolgen tot een absoluut minimum beperkt blijven. Maar we moeten die discussies goed voeren. Je ziet veel landen hiermee worstelen. Zo zat ik onlangs in een debat in het Verenigd Koninkrijk over de eventuele afschaffing van die centrale examens. Wij gaan nu ook in die worsteling stappen.

“Ergens ben ik wel optimistisch. Ik merk een zekere toenadering tussen alle spelers in het onderwijsveld. Dan bedoel ik die zowat veertig mensen, van vakbonden, koepels tot minister, die elkaar tijdens de coronacrisis maandenlang veel hebben gezien en altijd probeerden in consensus beslissingen te nemen. We hadden het daarnet over dingen die in de plooi worden gelegd. Wel, volgens mij is ook daar een plooi verlegd. Hopelijk kan dat helpen om de moeilijke dossiers die nog komen in een serene sfeer aan te pakken. Misschien is dat wel de grootste winst die we door corona geboekt hebben.”

Dan kan misschien de discussie over de eindtermen voor de tweede en derde graad eindelijk afgerond worden? Daarover was de jongste tijd veel te doen. Vorige week nog schreven dertig CEO’s een open brief waarin ze meer aandacht voor wetenschappen en digitale vorming vragen.

“Daar maak ik me niet zoveel zorgen over, om eerlijk te zijn. Er zal nog wel wat discussie over zijn, want de een vindt dat er te veel in die eindtermen zit, de ander vindt dat het te weinig is. Maar het grootste werk is op dit vlak wel achter de rug. Wat je nu hebt, is zeg maar de ‘normale’ discussie. Over een maand of vier is dat voorbij. Want op 1 september 2021 moet men kunnen starten met die eindtermen in het derde jaar secundair.

“Wat veel belangrijker wordt dit schooljaar, zijn de eindtermen voor het basisonderwijs. Dat is al onder de radar aan het broebelen en wordt binnenkort een groot thema. De hele discussie daarover moet nog beginnen. Het wordt een gigantisch werk. Dat basisonderwijs, dat is zoals de naam zegt de basis waarop de rest moet voortbouwen. Maar vooral: veel van de gekende knelpunten van ons onderwijs beginnen in het basisonderwijs. Denk maar aan de slechte resultaten die onze leerlingen in internationale studies halen op begrijpend lezen. Om die resultaten op te krikken, moeten we naar dat basisonderwijs kijken.”

Zal daar evenveel discussie over zijn als over de eindtermen voor het middelbaar?

“Absoluut. Een van de discussies gaat over de totale visie op basisonderwijs. Die is nu globaal, we hanteren een geïntegreerde aanpak. Eén leerkracht of toch een beperkt aantal leerkrachten voor de klas, die zowat alle vakken geven en het totaalplaatje overschouwen. De voorbije jaren zag je dat die visie onder druk kwam. Er werd geopperd om voor sommige vakken vakexperts in te schakelen. Voor Frans, bijvoorbeeld, omdat we zien dat veel leerkrachten daar wat meer moeite mee hebben. Maar ook voor meer STEM-gerichte (technologische, technische, exact-wetenschappelijke en wiskundige opleidingen, CG) vakken. En dus gaan we een debat krijgen: moet alles nog door één leerkracht gegeven worden of moeten experts ingeschakeld worden?

“Een tweede spanningsveld: wat is ‘basis’? Wat willen we aan iedereen meegeven? Neem de PIRLS-onderzoeken (het internationaal vergelijkend onderzoek naar leerlingenprestaties in begrijpend lezen, CG). Er is soms discussie over de cijfers, maar als je over tien jaar kijkt, dan zie je dat de tijd die naar begrijpend lezen gaat gehalveerd is. Dat is niet omdat er minder lesuren zijn, maar omdat er andere keuzes gemaakt zijn. Als je dat wilt opkrikken, moet je misschien iets anders schrappen. Waarvoor kies je dan? En wat schrap je? De discussie over de eindtermen voor de tweede en derde graad toont dat dingen schrappen je meteen boze open brieven, zoals die van de CEO’s, oplevert. Ook voor het basisonderwijs wordt dat een pittig debat.”

Dat is lang niet het enige waar leerlingen mee te maken krijgen. Het lerarentekort blijft ook bestaan.

“Klopt. Ik zie daar wel enkele hoopvolle signalen. Ik hoor van verschillende hogescholen dat de inschrijvingscijfers voor de lerarenopleidingen stijgen. Je ziet een gelijkaardige trend in het buitenland. In tijden van crisis kiezen mensen heel vaak voor zekerheid. Onderwijs kan dat bieden. Maar dat zal uiteraard het acute probleem niet oplossen. Het duurt nog enkele jaren voor die nieuwe lichting afgestudeerd is.

“In het beste geval slagen we erin de negatieve spiraal over twee à drie jaar te stoppen. De spiraal waarbij steeds minder mensen kiezen voor de job, waardoor steeds meer mensen meer werk moeten doen, waardoor die sneller een burn-out hebben of afhaken. Waardoor er nog minder mensen kiezen voor de job.

“Een verhoogde instroom door corona kan een geluk bij een ongeluk zijn. Maar we moeten er ook voor zorgen dat als ons ongeluk verdwijnt, ons geluk niet mee wegtrekt. We zijn nu gefocust op het overtuigen van mensen om voor ons te kiezen. Denk aan de maatregel die onderwijsminister Weyts invoerde om zij-instromers anciënniteit te laten meenemen. Het wordt heel interessant om te zien wat dat oplevert. Maar als de economie weer aantrekt en de war on talent weer woedt, moeten we wie al voor het onderwijs gekozen heeft er ook van kunnen overtuigen om niet opnieuw voor een ander te kiezen. Ook dat wordt een bijzonder belangrijk thema de komende jaren.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234