Zaterdag 15/08/2020

‘We doen dit louter uit beleefdheid’

amen spelen hebben ze de voorbije twintig jaar nauwelijks gedaan, maar dat de onderlinge banden al die tijd vriendschappelijk zijn gebleven kunnen ze niet verstoppen. We ontmoeten de heren, alle drie om en bij de vijftig, in het restaurant van de AB, waar het - in tegenstelling tot wat de gebruiken voorschrijven als muzikanten samenscholen - niet over voetbal, vrouwen of instrumenten gaat. In plaats daarvan geeft Jan Vanroelen zijn recept voor kaastaart prijs, een gerecht dat hij, zo bevestigen de andere twee, op meesterlijke wijze kan bereiden. Het tekent de sfeer tussen de drie vrienden, die in de vroege jaren tachtig de aandacht trokken met absurde, haast dadaïstische elektropop en zelfs hits scoorden met ‘Ik sta scherp’, ‘De man die alles noteert’ en - vooral - de John Terrapersiflage ‘De dag dat het zonlicht niet meer scheen.’

Enkele maanden geleden gaven ze voor het oog van tienduizend nostalgische new wavers al een eerste reünieconcert op Sinner’s Day. “Een meevaller”, aldus Marcel Vanthilt. “We hadden twintig jaar niet meer in deze formule op het podium gestaan, dus normaal neem je dan de draad weer op in een kleine club of op een verjaardagsfeestje waar het niet erg is als je op je bek gaat. Maar in Hasselt gingen we meteen van nul naar het grootste podium waar we ooit hadden opgetreden. En ik merkte dat we de aandacht van het publiek vast konden houden. Meer nog, er kwamen almaar meer mensen bij. Een goed teken, want voor hetzelfde geld waren ze na het tweede nummer naar de bar gevlucht.”

Gierden de zenuwen door de keel?

Jan Vanroelen: “Natuurlijk. Muzikanten die zeggen dat ze zonder verpinken de confrontatie met het publiek aangaan, geloof ik trouwens niet. Ze staan allemaal te zweten met een spuitbus Rexona Super Dry binnen handbereik.”

Luc Van Acker: “We hadden een podium van 30 op 16 meter, maar dat was blijkbaar nog niet groot genoeg. Ik liep tijdens het concert even naar Marcel toe en het was meteen van: ‘Wat kom jij hier doen? Dit is mijn helft.’ Hilarisch.”

Vonden jullie het evident om in te gaan op de vraag om weer samen te komen?

Marcel Vanthilt: “Absoluut niet. Alleen was het een once in a lifetime chance om samen met namen als Psychedelic Furs, Echo & The Bunnymen en Marc Almond op dezelfde affiche te staan. Sterker nog: The Ramones - of toch de restanten ervan - moesten nog voor ons het podium op. Niet te geloven. Dat waren echt topnamen toen wij begonnen.”

Wat waren de pro’s en de contra’s om Arbeid Adelt! nieuw leven in te blazen?

Vanthilt: “We liepen uiteraard het risico om ons tegenover een groot publiek oeverloos belachelijk te maken. En er was ook de vraag of we in 2011 nog wel recht van bestaan hadden.”

Vanroelen: “Maar de vraag om ons nog eens live bezig te zien, was klaar en duidelijk. Dus ofwel aanvaard je het nostalgiegegeven en zeik je daar verder niet over, ofwel blijf je weg op dat soort festivals.”

Van Acker: “We krijgen al tien jaar aanbiedingen van organisatoren om weer samen te komen, maar nu hebben we toegestemd omdat de tijd er rijp voor is. Er zijn tegenwoordig steeds meer bands die teruggrijpen naar het geluid van de vroege jaren tachtig en via eBay op zoek gaan naar de authentieke elektronische instrumenten van toen. Natuurlijk is er de voorbije jaren veel veranderd in de elektronische muziek. Het klinkt allemaal wat scherper, sneller en spitser.”

Zijn jullie onlangs met een klein hartje naar de eerste repetitie gereden?

Vanroelen: “Nee. We hebben destijds wel 350 concerten gespeeld, hé.”

Goed, maar dat is meer dan twintig jaar geleden.

Vanroelen: “Optreden is zoals fietsen en zwemmen, dat verleer je niet.”

Vanthilt: “De voornaamste vraag was of we ondertussen niet te veel als een oudemannenorkest zouden klinken. Maar dat was niet het geval. Dus wisten we meteen wat ons te doen stond: oefenen. Trouwens, sinds we gestopt zijn, heb ik nog niemand gezien die onze plaats ingenomen heeft. We zijn niet aan de kant geduwd door andere elektrogroepen die in het Nederlands zingen.”

In de jaren van de punk en de new wave werd er neergekeken op alles wat van ver of dicht met nostalgie te maken had. Hebben jullie inmiddels een leeftijd bereikt waarop dat wél kan?

Vanroelen: “Er is niks mis met nostalgie, al heb ik op Sinner’s Day zelf vastgesteld dat veel van de bands waar ik vroeger naar opkeek toch ook veel minderwaardig materiaal hadden. Nostalgie gaat alleen op voor goede nummers. De slechte vergeet je. Helaas speelden ze die ook nog allemaal.”

Vanthilt: “(lacht) Over welke van onze nummers heb je het dan precies?”

Vanroelen: “Wij hadden uitsluitend goeie songs. Daar ben ik heel nostalgisch in gebleven.”

Klopt het verhaal dat Arbeid Adelt! in de Ancienne Belgique is opgericht na een optreden van Siouxsie & The Banshees?

Vanthilt: “Ongeveer. Eigenlijk stonden we op de stoep van cafe Het Vermoeden, er recht tegenover. Ik weet ook niet of het echt wel na dat concert was. Je weet nooit wanneer je je kind gemaakt hebt, maar wel wanneer het geboren wordt. We zaten aan de VUB, en daar had iedereen die we kenden al een groep. Cas Vander Taelen zong bij Lavvi Ebbel, de broer van Jan speelde bij The Employees. Wij waren zowat de laatsten die nog geen muziek maakten, dus het lag voor de hand dat we ook die weg zouden inslaan.”

Vanroelen: “Het waren de nadagen van de punk, dus je hoefde helemaal niet te kunnen spelen. Integendeel, dat werd als een voordeel beschouwd, omdat je dan geen rekening moest houden met allerlei muzikale wetten. Je kon gewoon vrij zijn.”

Vanthilt: “De laatste plaat die ik voor de doorbraak van de punk heb gekocht, was ‘More than a Feeling’ van Boston. Dat klonk als iets wat ik zelf nooit zou kunnen. Maar toen hoorde ik ‘New Rose’ van The Damned en alles werd anders. Ik dacht meteen: dit kan ik ook. In die zin heeft de punk een belangrijke kentering teweeggebracht. Niet alleen in mijn leven, maar bij veel mensen die toen jong waren.”

Hoe belangrijk was de toen nog vrij ongebruikelijke keuze om in het Nederlands te zingen?

Vanthilt: “Die vraag hebben we ons eigenlijk nooit gesteld. We wilden zo authentiek mogelijk zijn. Het mocht geen kleinkunst zijn, geen new wave, geen pop. Wij waren anders. Jan stond met een cassetterecorder op het podium en ik liep wat heen en weer. Klaar. Daarom was het geen optie om Engelse groepjes na te bootsen. Ik vond Costello geweldig. Als ik zijn teksten las, besefte ik zeer goed dat ik nooit de taalvaardigheid zou hebben om daaraan te tippen. Je had wel Belgische groepen die in het Engels zongen, maar daar stond toch flink wat haar op. Het heeft jaren geduurd voor ik besefte dat Guy Swinnen van The Scabs destijds ‘I Wanna Live Like I Like’ zong. Door zijn zware Diestse tongval dacht ik dat hij ‘leven als een lijk’ bedoelde. (lacht)”

Vanroelen: “We waren ook niet zo naïef om te denken dat we iets konden betekenen in het buitenland. Daar lag onze ambitie niet. Dus konden we evengoed voor het Nederlands gaan. In het begin wist het publiek niet zo goed wat het met ons aan moest. We werden eigenlijk meer als performanceartiesten beschouwd dan als muzikanten.”

Vanthilt: “In recensies vielen woorden als ‘krankzinnig’, ‘gekkengesticht’ en ‘waanzinnig’. Geen idee of dat goed of slecht was.”

Wat me opvalt, is hoe verschillend jullie karakters zijn. Jan is onverstoorbaar rustig, Marcel de hyper-kinetische die alle kanten tegelijk uit rent, en achteraf kwam daar ook nog de anarchistische Luc Van Acker bij. Een bont gezelschap.

Van Acker: “Toen ik twee maanden bij hen speelde, ben ik naar de dokter moeten gaan. Echt waar. Omdat ik voortdurend pijnlijke kaken had, van al dat lachen.”

Vanthilt: “Luc kwam uit Tienen. Daar was plezier maken bij wet verboden.”

Vanroelen: “Marcel en ik hadden wat succes gehad met onze eerste singles en waren ook al een paar keer op televisie geweest. We hadden veel opgetreden, ook. Soms vier keer per week. Maar toen werd het toch tijd om er een gitarist bij te halen, en Luc kenden we van op de VUB, waar hij weleens in de cafetaria zat. We hebben hem op een woensdag gevraagd, hebben donderdag de set doorgenomen en vrijdag stonden we al samen op het podium in Groningen. Zo ging dat in die tijd.”

In mijn herinnering hebben jullie, net zoals veel Belgische acts in die tijd, nogal wat te danken aan Hitring, een muziekprogramma dat zowaar in primetime op de VRT-televisie werd uitgezonden.

Vanthilt: “Dat is zeer zeker waar. Succes heeft altijd alles met exposure te maken. Als je nu niet aan de bak komt bij Studio Brussel, Jim of TMF kun je het als jonge groep ook wel schudden. Kurt Van Eeghem presenteerde dat programma, maar ik wil hier toch graag even de naam van producer Claude Blondeel laten vallen, die vandaag nog altijd actief is. En Paul De Cock, de vader van kunstenaar Jan De Cock, was onze cameraman. Een script hadden we eigenlijk nooit als we een videoclip draaiden. Dat werd voor de opnamen tijdens de koffie snel-snel bij elkaar geïmproviseerd.”

De Ancienne Belgique heeft jullie gevraagd om in het kader vanRewind jullie debuut Jonge helden live uit te voeren, een plaat die als een mijlpaal in de vaderlandse muziek wordt beschouwd. Verrast?

Vanthilt: “Ja, en fier, uiteraard. Dan denk ik toch weer terug aan hoe ik in de jaren zeventig als kleine jongen uit Leopoldsburg naar Brussel kwam en hier met grote ogen en een klein hartje naar bands in de AB kwam kijken. Als datzelfde instituut ons nu wil huldigen, krijg ik daar toch wel een warm gevoel bij.”

Vanroelen: “Als de AB je een compliment geeft, vind ik het maar normaal dat je daar - al was het maar uit beleefdheid - op ingaat.”

Vanthilt: “(schatert) Dat is waar. Dat strelen van ons ego, dat interesseert ons allemaal niet. We durfden gewoon niet te weigeren.”

Van Acker: “Dat zou meteen een goeie titel zijn voor een nieuwe cd: Uit beleefdheid.”

Is Jonge helden jullie beste werk?

Vanthilt: “Absoluut. En dat is minstens evenveel de verdienste van Jean-Marie Aerts als van ons. Want eerlijk, wij waren 22 of 23 jaar en wisten van niets. Het ritueel in de studio was altijd hetzelfde: hij rolde een joint die zo lang was als de mengtafel, stuurde ons wandelen en ging aan de slag. Maar het resultaat klonk geweldig. Hij heeft De Kreuners ook veel beter gemaakt dan ze eigenlijk waren.”

Vanroelen: “Wij hebben destijds bij EMI getekend omdat we de factuur van de opnames die we in de ICP-studio hadden gemaakt niet konden betalen. Wisten wij veel. Dus toen zijn we met onze tape naar die platenfirma gestapt. Nog een geluk dat ze ons wilden. Anders hadden we nu wellicht nog in de schulden gezeten.”

Jullie zijn die eerste keer erg snel uit elkaar gegaan. Na twee mini-elpees was het al afgelopen.

Vanthilt: “Halverwege de jaren tachtig had de Belpop zijn beste tijd gehad en bloedde die hele beweging dood. Na Le chagrin en quatre-vingts hebben we nog wel een paar maanden aangemodderd, maar niet veel later werden we, net zoals quasi alle Belgische bands, aan de deur gezet bij EMI. Het enige wat ze nog van ons wilden uitbrengen, waren de nummers die we eigenlijk bij wijze van grap hadden geschreven. Zaken als ‘Witte kom hie’ en ‘Stroom’. Omdat ze dachten dat ze daar op de gimmick nog wel wat exemplaren van konden slijten. De Belgische muziek is pas uit haar dip geraakt toen er wat groepen opstonden die iets makkelijker gemarket konden worden. The Radios, Soulsister, New Beat ook. Wij waren plots mannen van de oude garde en werden aan de kant gezet. Het werd bij platenfirma’s de nieuwe policy om wat bands omhoog te gooien om te zien welke zouden blijven plakken. En wij deden dat niet.”

Van Acker: “Ik ben in Engeland uit miserie bij Shriekback gaan spelen. Er waren geen optredens meer en Arbeid Adelt! viel gewoon stil.”

Vanroelen: “De tijdgeest was veranderd. Wij speelden new wave en elektro, maar vanaf ’85 kreeg je plots groepen die echt technische bagage hadden. Een jaar nadat we ermee opgehouden waren, hebben we het roer compleet omgegooid en zijn we opnieuw begonnen. Zonder Luc, maar met Willy Willy - een hardrockgitarist - en Dani Klein als achtergrondzangeres.”

Van Acker: “Ik vond altijd al dat ik voor twee telde, en zo zag ik mijn gelijk bewezen.”

Toch heeft ook die bezetting het niet lang uitgehouden. Marcel en Luc bleven vrij zichtbaar in de media, maar Jan begon achter de schermen te werken. Als hoesontwerper voor Get Ready!, om maar iets te zeggen.

Vanroelen: “Klopt. Ik heb ook newbeatnummers gemaakt voor Plastic Bertrand, en heb met Arno gecomponeerd. Het was niet onaangenaam om vanuit mijn hoekje te werken, want ik heb sowieso nooit erg de behoefte gevoeld om zelf op het podium te staan. Ik zie live spelen nog altijd als het onvermijdelijke gevolg van alle voorbereidingen die je maakt. Eerlijk gezegd: van mij mag het stoppen bij de vlaai en de koffie. Optreden hoeft voor mij niet. Daar is mijn ego te klein voor.”

Opmerkelijk dat Des duivels oorkussen en Noblësse oblige, jullie recentere cd’s uit de jaren negentig, al helemaal vergeten zijn. Miskende meesterwerken of deugden die platen echt niet?

Vanthilt: “Toch dat laatste, vrees ik. Ik heb ze met het oog op het concert in de AB onlangs nog eens beluisterd en ik hoorde daar - behalve links en rechts een goed nummer - toch vooral veel mislukte en slecht uitgewerkte ideeën.”

Van Acker: “Eigenlijk is Arbeid Adelt! als instantkoffie: wij functioneren alleen op het moment zelf. Dat was vroeger ook al zo. Wij kwamen totaal onvoorbereid de studio binnen en improviseerden alles. Een beetje meer van dit, een beetje minder daar... Het gebeurde vaak dat we tijdens een soundcheck nog snel drie nieuwe nummers schreven en die ’s avonds meteen live speelden. Er hing echt elektriciteit tussen ons drieën, zeker op die eerste twee elpees. Als we dus al iets hebben bijgedragen aan de Belgische popmuziek, is het alleszins volledig onbewust geweest.”

Na 4 februari zit het reünieconcert erop. Wat dan?

Vanroelen: “Dan zullen we onderling toch eens moeten vergaderen, denk ik.”

Vanthilt: “De AB heeft me wakker geschud toen ze een tegel hebben gelegd om ons muzikaal belang te onderstrepen. Dat was een eye-opener. Voor mij stond de Arbeid Adelt! uit de jaren tachtig tot voor kort vooral synoniem voor die drie kartonnen dozen memorabilia op zolder. Ik besef nu meer dan vroeger dat die plaat zoveel jaren later nog altijd overeind staat. En de creativiteit in de geest is nog steeds aanwezig. Dus we kunnen maar beter heel snel iets nieuws opnemen. Dan maken we misschien wel weer iets wat over dertig jaar nog overeind staat. Het voordeel is dat je vandaag nauwelijks nog geld en middelen nodig hebt om een cd op te nemen. Het komt er gewoon opaan om ons twee maanden op te sluiten. Aan het Comomeer, bijvoorbeeld, met lekker eten. Dan komen we zo met een goeie nieuwe cd naar buiten.”

Kortom, de goesting om de groep weer op een permanentere basis op te richten is er.

Vanthilt: “Ik heb alleszins het gevoel dat er vandaag nog altijd een plaats is voor wat we doen. Ik ben ondertussen 53 jaar, de klok tikt. Het lijkt me wel wat om de jaren die me nog resten daarmee op te vullen. Het enige wat ons kan tegenhouden is luiheid. Of het feit dat we niets meer te melden zouden hebben. Maar daar ben ik niet bang voor. Ik voel me veel rijper en mondiger dan toen. Jan heeft onlangs nog een doos met oude teksten van me teruggevonden en toen ik die herlas, dacht ik: ‘What the fuck dronk die gast toen?’ Ik kreeg er kop noch staart aan. Al maak ik me sterk dat net dát onze grootste charme was.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234