Donderdag 18/07/2019

Rwanda

“We beseften dat het Belgische leger ons had voorgelogen”: de moord op de Belgische para’s in Rwanda, 25 jaar later

'Louis wilde zo graag op avontuur gaan': Joseph Plescia en Annina Gatto. Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Op 6 april 1994 wordt het vliegtuig van de Rwandese president Juvénal Habyarimana uit de lucht geschoten. De volgende dag slachten militairen van het regeringsleger uit wraak tien Belgische blauwhelmen af. De andere Belgische blauwhelmen keren terug naar huis, en in Rwanda breekt een genocide uit. Resultaat: 800.000 doden. “Mijn broer dacht dat hij naar Club Med ging, vakantie vieren in Rwanda. Dat hadden zijn oversten hem wijsgemaakt.”

In de mistroostige straten van Seraing, waar de lucht een tikje grijzer is dan in de rest van het land, is het leed nog niet geleden. Joseph Plescia, een warmbloedige Italiaanse Belg, kan niet aanvaarden dat hij zijn tweelingbroer Louis al een kwarteeuw moet missen. “Sinds zijn dood,” zegt hij, “ben ik maar half.” Zijn Italiaanse mama, Annina Gatto, versterkt het lamento met scherpe commentaren en onpeilbare stiltes. Het drama in Kamp Kigali trilt nog altijd na in het Waalse werkmanshuis.

Joseph Plescia: "Als tweeling ben je meer dan broers, je bent hechter, de ene kan niet zonder de andere. Zo was het ook bij ons: Louis en ik waren onafscheidelijk. Tot de dag dat hij trouwde, sliepen wij thuis in dezelfde kamer. Op een keer was ik met het nationale zwemteam op stage in het buitenland en moest Louis alleen slapen. In de loop van de nacht hoort mijn moeder gerucht in de kamer waar ze met papa ligt, ze opent haar ogen en ziet mijn broer op de grond liggen. ‘Louis,’ zegt ze verschrikt, ‘wat doe jij hier in hemelsnaam?’ – ‘Ik kan niet alleen slapen,’ zei hij."

Annina Gatto: "Een volwassen kerel die in zijn vrije tijd gevechtskunsten beoefende, maar hij had zo’n klein hartje. Hij kon niet zonder zijn broer.”

Plescia: "Sinds hij er niet meer is, voel ik me een wees."

'Louis wilde zo graag op avontuur gaan' Joseph Plescia en Annina Gatto Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Waarom is Louis bij het leger gegaan?

Plescia: "Zijn coach in de gevechtskunsten was een oud-paracommando. Hij heeft Louis aangespoord de opleiding te volgen. Hij heeft ze met succes volbracht, het was ook helemaal zijn ding: hij was een para. Hij wilde zo graag op avontuur naar Afrika. Toen de para’s in 1990 voor het eerst op missie naar Rwanda vertrokken, zat hij vast in de kazerne van Vottem. Hij kon niet mee en hij baalde verschrikkelijk. Maar in 1993 ging hij wel mee naar Somalië, en in 1994 naar Rwanda. Drie weken later was hij dood."

Hoe is hij naar Rwanda vertrokken?

Plescia: "La fleur au fusil – met een bloem in de loop van zijn geweer. De Belgische blauwhelmen maakten deel uit van de VN-vredesmacht. Hij moest de vrede bewaken."

Gatto: "Hij dacht dat hij naar Club Med ging: vakantie vieren in Rwanda."

Plescia: "Dat hadden zijn oversten hem wijsgemaakt. ‘De toestand in Rwanda is in niets te vergelijken met wat we in Somalië hebben meegemaakt,’ zeiden ze. In Somalië was het heftig geweest, daar hadden ze talloze vuurgevechten meegemaakt. Maar daar waren ze wel ingezet als soldaten: ze konden schieten als de plaatselijke milities elkaar onder vuur namen. In Rwanda mochten ze alleen helpen: de veiligheid van de bevolking verzekeren, ontwapenen, erop toezien dat het vredesakkoord van Arusha werd nageleefd. Maar waarom moeten soldaten dat doen als ze geen soldaat mogen zijn? Ze mochten niet schieten, tenzij in geval van zelfverdediging."

Gatto: "Op 6 april heeft de zoon van Louis de hele dag zitten wachten bij de telefoon. Hij verwachtte felicitaties van zijn vader voor zijn 6de verjaardag, maar die zijn niet gekomen. Wij begrepen dat niet. Eén dag later zagen we vreemde dingen op tv: het vliegtuig van de Rwandese president was neergeschoten, blauwhelmen waren vermoord, Hutu’s en Tutsi’s stonden elkaar naar het leven in de straten van Kigali. Ik had een naar voorgevoel. De hele avond hebben we zitten wachten op nieuws uit Kigali, maar er kwam niets. Op een gegeven ogenblik stond ik op: ‘Ik ga naar bed’ – ik was het wachten beu. Maar om twee uur ’s nachts stond hier een man voor de deur. Een militair. We wisten genoeg."

Plescia: “‘Louis is dood,’ zei hij. ‘En negen andere jongens ook. Maar het is snel gegaan: ze zijn gefusilleerd – kogel in het hoofd. Ze hebben niet geleden.’ Wij geloofden hem. Wisten wij veel, wij waren kapot van verdriet, wij geloofden het leger toen nog.”

Uitzinnige meute

In Rwanda was alles in een stroomversnelling gekomen na de moord op president Juvénal Habyarimana. De bevelhebber van de VN-blauwhelmen in Rwanda, de Canadees Roméo Dallaire, had met premier Agathe Uwilingiyimana de afspraak gemaakt dat zij in de vroege ochtend na de aanslag de bevolking zou toespreken op de nationale radio. Een contingent Belgische blauwhelmen zou haar daarbij vergezellen. Maar zover is het nooit gekomen. De Belgische blauwhelmen werden bij het huis van de Rwandese premier onder vuur genomen en overmeesterd door troepen van het Rwandese regeringsleger. Agathe werd vermoord en de Belgen werden met vijf Ghanese blauwhelmen, die Agathe hadden bewaakt, in een minibus overgebracht naar Kamp Kigali, een kazerne even verderop.

Luitenant Yves Theunissen was op het moment van de feiten in Kigali. Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Luitenant Yves Theunissen was op het moment van de feiten in Kigali.

Yves Theunissen: "Tot 6 april verliep alles naar wens. Het was rustig in Kigali, al merkten we wel dat de spanning opliep: op patrouille zagen we her en der een lijk liggen, we drukten opstootjes tussen Hutu’s en Tutsi’s de kop in, maar we hadden er geen besef van dat de genocide op het punt stond uit te breken. Op 7 april, de dag na de aanslag, gingen de poppen aan het dansen. De Fransen, die als enigen het vliegtuig van Juvénal Habyarimana hadden doorzocht, patrouilleerden vanaf ’s ochtends vroeg in hun jeeps door de straten van de hoofdstad. Ze haalden overal documenten op die compromitterend materiaal konden bevatten. Na de middag zijn ze in zeven haasten terug naar Frankrijk gevlogen. Als u het mij vraagt, zaten de Fransen achter de aanslag op de Rwandese president.

"Maar goed, niet alleen de Fransen waren op straat gekomen, ook de militairen van het Rwandese regeringsleger hadden overal barricades opgeworpen. Er was beroering in de stad. En onze boy, een Rwandese man die voor ons kookte en ons onderdak verschafte, had op Radio Mille Collines gehoord dat de Belgen ervan werden beschuldigd dat zij het presidentiële vliegtuig hadden neergehaald. Het was duidelijk: het werd heel gevaarlijk voor ons.

"In de nacht van 6 op 7 april zijn omstreeks half drie ’s nachts twee konvooien vertrokken op de luchthaven van Kigali. Het ene ging naar de Belgische ambassadeur Johan Swinnen, het andere naar premier Agathe. De bevelhebber van het laatste konvooi was luitenant Thierry Lotin. Omstreeks vijf uur ’s ochtends heb ik op de radio vernomen dat Lotin in de rats zat. Twee korporaals van hem lagen op de grond met een wapen tegen hun hoofd. ‘Als we onze wapens niet afgeven, maken ze hen af,’ zei hij. ‘Wat doe ik?’ Na enig overleg liet kolonel Joseph Dewez (de tweede hoogste officier van het Belgische leger in Rwanda, red.) Lotin de keuze: ‘Jij bent de hoogste in rang ter plaatse, jij beslist.’

"Lotin stond voor een dilemma. De gulden regel is: een para geeft zijn wapen niet af. Nooit. Onder geen enkele omstandigheid. Maar als Lotin dat niet deed, waren twee van zijn manschappen dood – door zijn schuld. Hij heeft voor zijn mannen gekozen. Daarop hebben de Rwandezen hen gevangengenomen.

"Ik had de beschikking over een veertigtal goed getrainde en zwaarbewapende paracommando’s. We zaten vlakbij, op 800 meter van de sectie van Lotin. Even over zeven heb ik via de radio gepleit voor een interventie. Ik zei: ‘Wij staan klaar.’ Maar de rechterhand van kolonel Dewez wimpelde het voorstel af: ‘On ne bouge pas, wij hebben een oplossing.’ Oké, dacht ik, zij zullen het oplossen. Ik maakte me weinig zorgen: mannen van ons bataljon waren gevangengenomen, maar volgens de Conventie van Genève hoorden ze met respect te worden behandeld. Ze zouden vroeg of laat wel worden vrijgelaten.

"Maar na de middag sijpelden berichten binnen dat alle leden van de sectie-Lotin, na hun overbrenging naar Kamp Kigali, in koelen bloede waren afgemaakt. We waren verbijsterd: ‘Kennen die smeerlappen de Conventie van Genève niet?’ Maar algauw richtte onze woede zich op onze oversten, die helemaal geen oplossing hadden bedacht. Ze hadden niets gedaan. Generaal Roméo Dallaire is omstreeks tien uur in een wagen voorbij Kamp Kigali gereden. Hij heeft de Belgische blauwhelmen strijd zien leveren tegen een uitzinnige meute. En hij is niet gestopt: hij moest zogezegd naar een belangrijke vergadering. Majoor Peter Maggen, een Belg, was bij hem. Maar ook hij heeft de generaal niet aangepord om poolshoogte te nemen. Dat kwam hem niet toe, zei hij later: ‘Ik ben maar een majoor.’ (Zucht) Voor mij is het simpel: Dallaire en Maggen zijn de hoofdverantwoordelijken voor het drama."

Er loopt een traan uit het linkeroog van Theunissen, maar hij spreekt met vaste stem. “Ik kende Thierry Lotin goed: we hebben samen onze opleiding in Marche-les-Dames gekregen. Topkerel. Uitstekende bevelvoerder ook, erg begaan met het welzijn van zijn manschappen. Daarom heeft hij ook zijn wapens afgegeven. (Zwijgt) Wij hadden hen kunnen redden.”

Zwaar verminkt

Bij Joseph Plescia strijden verdriet en woede om voorrang als hij het over de gebeurtenissen in Rwanda heeft. Hij kan niet vatten dat zoveel hoge vertegenwoordigers van het leger met droge ogen hebben gelogen tegen de nabestaanden van de slachtoffers. “We hebben jarenlang zelf de waarheid bij elkaar moeten puzzelen,” zegt hij.

Plescia: "Toen de andere blauwhelmen uit Rwanda terugkeerden, hebben we met sommigen van hen gesproken. Beetje bij beetje vernamen we dat het niet zo was gelopen als men ons had voorgehouden: de tien para’s hadden urenlang voor hun leven gevochten – de laatste overlevenden zelfs vijf uur. Het was geen snelle dood, geen kogel in hun kop. Ze zijn op gruwelijke wijze afgemaakt.

Beeld Wouter Van Vaerenbergh

"Als we niet zelf op onderzoek waren uitgegaan, hadden we het nooit geweten. Heel snel heeft het leger de weduwen en familieleden voorgesteld te tekenen voor een pensioen en smartengeld in ruil voor hun stilzwijgen. Dat was weloverwogen: ze wilden de hele affaire in de doofpot stoppen."

Waarom wilden ze dat?

Gatto: "Ze hadden boter op het hoofd. Generaal Dallaire is twee keer voorbij Kamp Kigali gekomen, terwijl men de para’s aan het vermoorden was."

Plescia: "En majoor Maggen was bij hem. Wij zijn in Rwanda ter plaatse geweest. Wij hebben met eigen ogen gezien dat de weg voor Kamp Kigali op 30 meter ligt. 30 meter! Het kan niet anders of Maggen en Dallaire hebben de commotie gezien en het tumult gehoord. Ça tirait, ça criait, maar Maggen zei achteraf in de parlementaire onderzoekscommissie: ‘Wij hebben niets gezien of gehoord.’

"Ik heb in al die jaren geleerd dat de hoogste officieren slechts aan één ding denken: hun carrière. Ze hebben geen besef van wat wij, als familie van de vermoorde para’s, doormaken. Kolonel Dewez is achteraf de families komen condoleren. Op een dag stond hij ook hier voor de deur. Hij zei lompweg: ‘Beter tien dode para’s dan vijftig.’ Hij bedoelde dat door de dood van de tien para’s de anderen levend uit Rwanda zijn kunnen vertrekken. Maar dat is een compleet foute redenering: als het leger de zaken professioneel had aangepakt, was er geen enkele dode gevallen. Dan had niemand hoeven te vertrekken en had de deur niet opengestaan voor de genocide. Zij zijn zwaar in de fout gegaan. Mijn oude vader, die toen al doodziek in bed lag, is opgesprongen en heeft kolonel Dewez onmiddellijk weggestuurd. Zulke stompzinnigheden wilden wij echt niet aanhoren."

'Generaal Dallaire is voorbij Kamp Kigali (foto) gereden. Hij heeft de Belgische blauwhelmen strijd zien leveren tegen een uitzinnige meute. Hij is niet gestopt: hij moest zogezegd naar een belangrijke vergadering’ Beeld Wouter Van Vaerenbergh

“Ik heb hetzelfde discours gehoord,” zegt Martine Debatty, zus van Alain, één van de tien vermoorde para’s. “Ambassadeur Johan Swinnen verklaarde dat de Belgische para’s door hun moedige optreden veel levens hadden gered. Het tegendeel is waar: door het terugtrekken van de Belgische para’s heeft een genocide in Rwanda kunnen plaatsvinden. Bijna één miljoen mensen zijn afgemaakt.”

'De VN en België zijn mee verantwoordelijk voor de genocide': Martine Debatty. Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Debatty, een taaie turnlerares uit Charleroi, kan heldhaftige verhalen vertellen over hoe de nabestaanden de waarheid over de dood van de tien para’s boven water hebben gekregen. Meer dan tien jaar lang hebben ze zich daarvoor de pleuris gewerkt, want de legertop was niet bereid iets te lossen.

Martine Debatty: "Op de begrafenis wisten we van niets. De autopsie was in Afrika gebeurd, de kisten waren verzegeld op Melsbroek aangekomen, we hadden geen benul wat de jongens in hun laatste uren hadden doorstaan. Maar na één week bond de weduwe van Stéphane Lhoir de kat de bel aan: ‘We beginnen met een werkgroep.’ Zij had vernomen dat de lichamen van de jongens zwaar verminkt waren, en dat ze – in tegenstelling met wat het leger beweerde – niet als helden waren gestorven. De nabestaanden hebben een vzw opgericht, een advocaat in de arm genomen en in navolging van enkele Rwandese burgers ook een klacht bij de burgerlijke rechtbank ingediend. Zo moest er een gerechtelijk onderzoek komen buiten het Krijgshof om, want daar schoot het niet op: bij het Krijgshof hield iedereen de lippen op elkaar, la grande muette, zo gaat dat in het leger. Kolonel Luc Marchal (de hoogste Belgische officier, en de nummer twee van de VN in Rwanda, red.) is er gewoon vrijgesproken.

"Twee jaar na datum zijn we voor het eerst naar Rwanda geweest – op bedevaart, zeg ik altijd. Onze ogen zijn daar opengegaan. We hebben te voet de route van de woning van premier Agathe naar Kamp Kigali gevolgd, de weg die de para’s als gevangenen hebben afgelegd. We hebben gezien hoe dicht Dallaire bij het kamp is geweest. En die had zogezegd niets gezien? Dat was een schok voor ons allemaal. Toen besefte iedereen: ze hebben ons vierkant voorgelogen.

"De werkgroep heeft 200.000 handtekeningen verzameld: we hebben een parlementaire onderzoekscommissie afgedwongen, al was premier Jean-Luc Dehaene daar geen voorstander van. Hij zei: ‘Het onderzoek naar uw dierbaren zal voor politieke doeleinden misbruikt worden.’ Wij snapten dat niet, wij dachten dat het een militaire kwestie was, maar op het hoogste niveau lopen het politieke en militaire in elkaar over. Dehaene had gelijk."

Heeft Guy Verhofstadt, de latere premier, van de parlementaire onderzoekscommissie geprofiteerd?

Debatty: "Jazeker, maar wij hebben ook van hem geprofiteerd. Als Guy Verhofstadt en Hilde Vautmans niet alle documenten hadden doorgeploegd, was er geen onderzoekscommissie gekomen. Zij hebben de vinger op de wonde gelegd. Ik trek me niets aan van politiek, maar Guy Verhofstadt, Louis Michel en André Flahaut hebben voor ons de deur geopend."

Wanneer hebt u precies geweten wat uw broer in zijn laatste ogenblikken heeft meegemaakt?

Debatty: "In 2007, op het assisenproces tegen majoor Bernard Ntuyahaga, de man die de para’s in een minibus naar Kamp Kigali heeft begeleid en daar de gemoederen heeft opgehitst (Ntuyahaga is tot twintig jaar cel veroordeeld, red.). Op het proces heeft een Ghanese blauwhelm getuigd over wat hij in Kamp Kigali had meegemaakt. ‘We werden daar verwacht,’ zei hij. ‘Bij aankomst ging de slagboom vanzelf open. Soldaten stonden in het gelid. Nog voor we een voet op de grond hadden gezet, kregen we klappen te verduren. Voor de Rwandese militairen waren de Belgen de moordenaars van president Habyarimana. Ntuyahaga had ze daar allemaal van overtuigd.’

"Ntuyahaga zelf heeft niet deelgenomen aan de lynchpartij. Hij verdween in zijn kantoor, en verscheen af en toe op zijn terras om te controleren of alles verliep zoals gepland.

"Dat de tien para’s genadeloos waren afgemaakt, wisten we al van onderzoeksrechter Damien Vandermeersch. Hij heeft ons de foto’s uit het autopsierapport laten zien. Gruwelijke beelden, maar ze maakten wel duidelijk hoe het in werkelijkheid was gegaan: ils ont été battus à mort – ze zijn met machetes en bijlen doodgeslagen. En soms zijn ze ook neergekogeld. Enkelen zijn bijna onmiddellijk na hun aankomst in Kamp Kigali bezweken, anderen hebben zich nog in het gebouwtje van de plaatselijke VN-waarnemer verschanst, maar ook zij zijn afgemaakt.

"Alain is als één van de eersten gestorven. In zijn lichaam is geen kogel teruggevonden. Zijn hart vertoonde een steekwonde, en zijn ene long was geperforeerd. Van andere jongens waren de schedels verbrijzeld of hun hersenen verdwenen. Bon, ik kan u alle details geven, maar dat heeft geen zin: ze hebben een ongelijke strijd geleverd tegen een woedende menigte van opgehitste soldaten en burgers. Ze hadden geen enkele kans."

Plescia: "Louis is gestorven voor het gebouwtje van de VN-waarnemer. Daar is hij bezweken aan de vele klappen die hij heeft gekregen. Alles was gebroken in zijn lichaam, ledematen waren afgerukt, achillespezen doorgesneden. En dan heeft hij nog drie kogels gekregen. ‘U mag trots op hem zijn,’ zei Vandermeersch, ‘hij heeft zich tot het uiterste verweerd.’ Ik antwoordde: ‘Ja, maar ze hebben hem wel laten stikken.’"

Gatto: "Achteraf hebben de Rwandese militairen de lijken op een hoop gegooid, in stukken gehakt, als waren het wilde dieren. Dan hebben ze er nog eens op ingehakt. We weten niet precies wat zich voor of na hun dood heeft afgespeeld. Het zal voor altijd een mysterie blijven."

'De tien para's hebben urenlang voor hun leven gevochten, de laatste overlevenden zelfs vijf uur. Het was geen snelle dood, zoals het leger ons heeft verteld.' V.l.n.r. Louis Plescia, Alain Debatty en Thierry Lotin Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Koffie bij de koning

Martine Debatty is geen klein beetje trots op de vele grote namen die de werkgroep van de nabestaanden, in hun lange zoektocht naar de waarheid, voor hun karretje heeft kunnen spannen. Uiteindelijk hebben ze zelfs een audiëntie bij koning Albert gekregen, zegt ze, ‘een privéaudiëntie, zonder zijn kabinetschef Jacques van Ypersele’.

Debatty: "Van Ypersele had ons altijd bij de koning weggehouden. Albert had de ouders van de vermiste kinderen ontvangen, en de nabestaanden van de slachtoffers van de Bende van Nijvel, maar voor de nabestaanden van de tien vermoorde para’s was er nooit tijd. Ja, in juli 1994 was er een protocollaire begroeting van de blauwhelmen – een ontmoeting kon je dat niet noemen. Maar in 2001 heeft André Flahaut, de toenmalige minister van Landsverdediging, alsnog geregeld dat wij de koning konden zien. We hebben gepraat van mens tot mens, en we hebben kunnen zeggen wat we werkelijk dachten."

Wat hebt u gezegd?

Debatty: "Dat hij ook wist wat het was om een broer te verliezen. Maar dat zijn broer Boudewijn inzake Rwanda niet altijd even verstandig had gehandeld: hij was een intieme vriend van president Habyarimana geweest, ze hadden samen in de koninklijke kapel gebeden. In Rwanda heeft dat wrevel veroorzaakt. Maar bovenal hebben we hem kunnen vertellen dat het Belgische leger ons jarenlang een rad voor de ogen heeft gedraaid. Ze hebben ons gemanipuleerd. Dat tegenover de koning kunnen uitspreken was een bevrijding."

“Van de koning hebben we een lekkere kop koffie gehad,” zegt Joseph Plescia. “Dat is alles.” Voor hem was de ontvangst allesbehalve een bevrijding. “Ik herinner me vooral de houding van koningin Paola bij de begrafenis van mijn broer. Ze liep op mijn moeder af om haar te condoleren, tot één van haar adviseurs de koningin vertelde dat ze niet de weduwe was. Zonder één woord draaide Paola zich om naar de vrouw van mijn broer. Het spijt me, maar zo ga je niet om met een andere Italiaanse mama. Mama, papa, broer – ze zag ons allemaal niet staan."

Ook over de ontmoeting met de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, lopen de versies van Debatty en Plescia uiteen. Debatty noemt de diplomaat ‘de enige van wie ik echt onder de indruk was’. Plescia beweert dat Annan altijd hetzelfde refreintje zong: ‘I don’t know.’ Wat hem wel zal bijblijven, is die keer dat hij generaal Dallaire tegen het lijf liep bij een grootse herdenking van de genocide in Rwanda. In 2003, als zijn geheugen hem niet in de steek laat.

'We hadden de tien paracommando's kunnen redden': Yves Theunissen. Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Plescia: "Na afloop van de ceremonie verlaat ik het stadion en in de buurt waar de bussen geparkeerd staan, stuit ik op Dallaire. Ik stel me aan hem voor. Ik zie hem met grote ogen naar mij kijken: ‘Wat wil die kerel van me?’ Ik zeg: ‘U hebt uw soldaten in de steek gelaten. Slaapt u goed, meneer Dallaire?’ En ik heb ’m een duw gegeven. ‘Gaat het een beetje!’ riep hij en hij liep weg. Toen ging ik helemaal over de rooie: ‘U draait me de rug toe, zoals u dat ook met de blauwhelmen hebt gedaan, u bent een lafaard!’ Uiteindelijk zijn de Forces Spéciales tussenbeide gekomen om me tot kalmte te manen. (Zwijgt) De dood van mijn broer heeft me diep geraakt, zo diep dat ik op sommige momenten dingen doe die ik liever niet wil doen. Dan springen de zekeringen in mijn kop."

Het was niet de enige keer dat Plescia door het lint ging. “Op zulke momenten,” zegt Debatty, “is het beter dat ik erbij ben: ik ben de enige die hem soms in bedwang kan houden. ”Joseph,” zeg ik dan, “je hebt gelijk, maar het is beter om dat nu niet te zeggen.”

Debatty ontkent niet dat er ook in de werkgroep spanningen hebben bestaan. Dat is normaal, zegt ze. Het is als een huwelijk: in 25 jaar tijd zit iedereen niet noodzakelijk op dezelfde lijn. In de groep staan de familie van de nabestaanden en de weduwen weleens tegenover elkaar, maar dat kan haast ook niet anders: “De familieleden hebben het gevoel dat ze hun leven niet opnieuw kunnen beginnen, terwijl de meeste weduwen dat wel hebben gekund.” Maar uiteindelijk, zegt ze, doet dat er niet toe.

Debatty: "Ik had nooit gedacht dat wij er 25 jaar later nog zouden staan, dat blijft een onwaarschijnlijke prestatie. Wij waren niemand. Niemand had politieke connecties, niemand genoot enig maatschappelijk aanzien. Maar wij hebben de waarheid wel naar boven gekregen. Het is te zeggen: de hele waarheid kennen wij natuurlijk ook niet. Wie heeft het vliegtuig van Habyarimana neergehaald? Dat weten we nog altijd niet, ook al is de zwarte doos van het vliegtuig teruggevonden. Maar ik ben ervan overtuigd dat vroeg of laat nieuwe elementen aan de oppervlakte zullen komen, zoals dat is gebeurd bij de moord op JFK.

Het is nog altijd niet duidelijk wie achter de moord op John F. Kennedy zat.

Debatty: "Misschien zal dat ook zo blijven bij de moord op Habyarimana, maar ik ga ervan uit dat de kwalijke rol van de Franse president François Mitterrand wel aan het licht zal komen. Volgens mij was het een Franse staatsgreep, de huidige president Paul Kagame had er niets mee te maken. Waarom is mevrouw Habyarimana de dag na de aanslag meteen naar Frankrijk vertrokken? Zij stond aan de kant van de Hutu-extremisten. Zij heeft mee de genocide aangestuurd. Maar die kon pas een aanvang nemen als de Belgische blauwhelmen naar huis waren. En hoe kreeg je die weg? Door tien para’s te vermoorden. Voilà."

Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Hoe stond u indertijd tegenover de overhaaste terugkeer van de andere Belgische blauwhelmen?

Debatty: "Eerlijk gezegd, op dat moment kon het mij niets schelen. Ik had mijn broer verloren, Rwanda was voor mij een land van moordenaars. Maar na verloop van tijd, toen ik weer helder ging denken, besefte ik dat het een grote stommiteit was: de Verenigde Naties en België zijn medeverantwoordelijk voor de genocide. Het heeft tijd gekost om dat in te zien. Ik herinner me de eerste keer dat ik Rwanda bezocht, twee jaar na de dood van Alain. Op de luchthaven hadden ze de rode loper uitgerold voor ons. Hoogwaardigheidsbekleders stonden netjes op een rij om ons te begroeten, maar ik weigerde hun de hand te schudden. Ik ontplofte van woede als ik Rwandese weduwes zag lachen: in mijn ogen reageerden ze ongepast. Enfin, ik was bang.

"Maar op de tweede dag van ons bezoek deden we een kerk aan. Een verschrikking: de Rwandezen hadden alles gelaten zoals het was – de wereld wilde nog niet geloven dat een genocide had plaatsgevonden. Er lagen overal lijken, ledematen, kleren, afval. Het stonk er naar de dood. Op dat moment heb ik beseft dat het erger was geweest dan wat de Duitsers bij ons in de Tweede Wereldoorlog hadden aangericht. De Rwandezen hebben ontzettend zwaar geleden, Tutsi’s én Hutu’s. En gaandeweg zijn wij de woordvoerders van de Rwandezen geworden: we namen het voor hen op, we maakten een onderscheid tussen goeden en slechten, we probeerden hen te begrijpen. Als je het concentratiekamp van Auschwitz bezoekt, blijf je ook niet onaangedaan."

Gatto: "In het begin was het niet makkelijk, maar stilaan groeide er wel toenadering tussen de mensen. We praatten met elkaar, we lachten, we leerden elkaar kennen. Ook in België heb ik veel contact met zwarte mensen. Vanochtend op de bus, bijvoorbeeld, was de helft zwart. Geen probleem. Ik praat met iedereen. Maar bij mij thuis komen ze niet over de vloer, dat wil ik niet."

Plescia: "De Rwandezen hebben zich verschrikkelijk misdragen tijdens de genocide, maar voor mij dragen de Verenigde Naties en de Belgische regering de grootste schuld: ze hadden zich nooit mogen terugtrekken. En ze hadden allereerst geen vredesmissie naar Rwanda mogen sturen. Ze wisten dat het op elk moment kon ontploffen, dat had de minister van Buitenlandse Zaken hen eerder voorspeld. En toch zijn ze als blauwhelmen gegaan, brandweerlui die in hun onderbroek het vuur gingen bedwingen."

Op de vraag of hij zich nog altijd een Belg voelt, knikt hij heftig: natuurlijk wel. Zijn moeder zegt: “Ik ben een Italiaanse, ik heb nog een huis in Italië, maar in Seraing ben ik thuis.”

Plescia: "Ik ben een echte Belg sinds ik hier mijn legerdienst heb gedaan. Daarna heb ik, als cipier, voor de Belgische staat gewerkt. Ik heb net onder mijn oog een messteek gekregen, sindsdien ben ik met pensioen. Ils sont partout les mêmes, non? In Italië is het echt niet beter. Daar zijn ze allemaal corrupt (lacht)."

Intussen volgt Joseph Plescia een opleiding als veiligheidsagent. Thuiszitten met niets omhanden, dat is niets voor hem. Hij wijst naar buiten: “Het kerkhof ligt 150 meter verderop. Soms trek ik ernaartoe voor een minuutje of vijf. Dan kan ik weer verder met mijn leven.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden