Maandag 14/10/2019

Interview

Wat weet het web over je kind? En hoe moet je daar als ouder mee omgaan?

Beeld ROBIN UTRECHT

Een kindertijd zonder schermpjes is stilaan ondenkbaar: zelfs peuters zijn gebiologeerd door de smartphone of tablet van mama of papa. Maar wat voor spoor laat een kind online achter? En welke gevaren loeren er op het web? ‘Zodra kinderen op het web gaan, worden ze gerekruteerd als klant van de big tech-bedrijven. Ouders beseffen dat te weinig.’

Een Amerikaanse vader loopt een supermarkt van de Target-keten binnen. Hij is woest en wil de manager spreken: “Waarom sturen jullie mijn dochter kortingsbonnen voor babykleren en babybedjes? Ze zit nog op de middelbare school! Willen jullie haar misschien aanmoedigen om zwanger te worden?” De reclamefolder waarmee hij zwaait, is inderdaad uitdrukkelijk aan zijn dochter gericht en staat vol met babyartikelen. De manager verontschuldigt zich uitvoerig. Een paar dagen later belt hij de boze klant op om nogmaals zijn excuses aan te bieden. Alleen piept de vader nu anders: “Euh, mijn dochter en ik hebben eens gepraat. Blijkbaar was ik niet helemaal op de hoogte van wat hier in huis gaande is. In augustus word ik opa.” De Target-keten kende de dochter blijkbaar beter dan haar eigen vader.

Niks op het web is gratis, daarvan is elke volwassene zich stilaan bewust. Alleen betalen we Facebook en Google niet met geld, maar met onze persoonlijke gegevens: al die big tech-bedrijven sprokkelen onze zoekopdrachten, foto’s, likes en online comments, om ze vervolgens door te verkopen aan adverteerders, die met die schat aan informatie heel gerichte reclame op ons afvuren. En dat doen ze ook met onze kinderen. Wat weet het web allemaal over hen?

Target had het bij het rechte eind: het tienermeisje was zwanger. Hoe kon de supermarktketen weten wat er borrelde in haar buik?

Louis De Jaeger (digital product studio In The Pocket): “Zo’n voorspelling doen ze op basis van vroegere aankopen. Omdat ze de aankoopgeschiedenis van al hun klanten verzamelen, kunnen ze hun koopgedrag voorspellen: als mensen déze spullen kopen – pakweg een zwangerschapstest en bepaalde vitamines – dan beginnen ze negen maanden later doorgaans luiers in te slaan.”

Maarten Van Den Bossche (In The Pocket): “De dochter had wellicht een account op de Target-website. Daarmee kan de winkelketen bijhouden wat ze allemaal aanklikt en koopt. Wellicht heeft Target ook overeenkomsten gesloten met andere websites, die op hun beurt gegevens verzamelen en doorverkopen. Misschien staat op één van die websites een artikel met de titel: ‘Hoe weet je of je zwanger bent?’ Klikt het meisje op dat artikel, dan komt ze bij Target automatisch in een bepaalde doelgroep terecht. De keten heeft het thuisadres van hun klanten, dus krijgt ze al snel reclamefolders over babyspulletjes in de bus.”

Zodra we online gaan, laten we een spoor na. Wat voor spoor is dat bij een kind?

Ruben Verborgh (expert computerwetenschappen): We moeten een onderscheid maken tussen wat we zelf op het web zetten en wat we impliciet weggeven. Mijn oudste zoon is bijna 4. Toen hij amper één week oud was, stonden er al meer foto’s van hem op Facebook dan ik er heb van mijn eerste levensjaren. Het frustrerende was dat ik die foto’s er niet eens zelf op had gezet: het waren vooral familieleden en vrienden die op babybezoek kwamen, een foto namen en die deelden op Facebook. Daar heb ik geen vat op, en mijn pasgeboren kind al helemaal niet.”

Dat doet me denken aan de 14-jarige dochter van Gwyneth Paltrow, die haar moeder onlangs op het matje riep. Mama Paltrow had een selfie van hun tweetjes gedeeld met haar vijf miljoen Instagram-volgers. De dochter schreef een bitsige comment: ‘Mama, we hebben het hierover gehad. Je mag niets posten zonder mijn toestemming.’

Eva Lievens (expert kinderrechten en technologie): “Precies. Sharenting (van ‘parenting’ en ‘sharing’, het fenomeen dat ouders ongevraagd foto’s en data van hun kroost online zetten, red.) kan een probleem zijn. Mijn collega’s van het departement communicatiewetenschappen van de UGent hebben jongeren tussen 12 en 18 jaar bevraagd: één op de vijf antwoordde moeite te hebben met wat hun ouders over hen online zetten, en vindt dat er te weinig afspraken over worden gemaakt.”

Verborgh: “Instagram en Facebook weten al heel veel over onze kinderen voor ze zelf hun eerste stapjes op die platformen hebben gezet. ‘Wat valt er nu af te leiden uit zo’n foto?’ kun je je afvragen. Best veel. Ze weten wanneer de eerste foto’s van mijn zoon zijn verschenen, dus ze hebben een idee van wanneer hij is geboren. Op die foto’s vallen ook dingen automatisch te herkennen, zoals gezichten van familieleden. Wat voor speelgoed is er te zien? Is de foto genomen met de laatste nieuwe telefoon? Dan is het kind wellicht geboren in een welstellend gezin. We geven dus veel meer data af dan we zelf zouden willen.”

“Wat wij bewust delen, is small data. Ik geef bijvoorbeeld een like aan De Morgen, aan de stad Gent en aan hamburgers. Dat lijkt peanuts, maar bedrijven als Facebook maken daar big data van: ze hebben small data van quasi alle mensen over de hele wereld en kunnen daarin op zoek gaan naar patronen. Stel dat ik voorzichtig ben en op Facebook met geen woord rep over politiek of over mijn inkomen, dan nog kunnen ze van alles over me afleiden omdat er nog andere mensen zijn met een like voor De Morgen, voor Gent én voor hamburgers. Op basis daarvan gaan ze vergelijken en voorspellen. Ze kunnen bijvoorbeeld met een grote nauwkeurigheid mijn politieke voorkeuren inschatten. Ze kunnen zelfs voorspellen welke argumenten mij zouden kunnen overtuigen om voor de ene of de andere partij te stemmen. Dat is geen fictie meer: we weten dat Facebook is gebruikt bij de Amerikaanse verkiezingen en het brexitreferendum. Een klein stukje data dat voor mij niks betekent, kan voor hen de sleutel zijn om veel meer over mij te leren.”

Waar gebruiken ze die data zoal voor?

Verborgh: “Dat zijn bedrijfsgeheimen. Maar Facebook verdient geld door ons relevante advertenties te tonen. Advertenties zijn bedoeld om de keuzes van mensen te beïnvloeden, en dat gebeurt op basis van data die je zelf niet onder controle hebt. Ik vind dat een probleem.”


Vingerafdruk

De big tech-bedrijven hebben een mapje vol data over jou en mij. Hebben ze dat ook over onze kinderen?

Verborgh: “Daar ga ik van uit, ja.”

Maar een kind kan zelf nog niet consumeren, het kan hooguit jengelen bij z’n ouders om iets te krijgen.

“Kinderen vormen een heel interessante markt. Zolang ze nog geen kredietkaart hebben, zijn ze zelf nog geen consumenten, maar ze oefenen wel al enorm veel invloed uit op hun ouders. Bovendien worden ze door de big tech-bedrijven gezien als toekomstige consumentjes. Veel merken willen dolgraag van jongs af een band opbouwen met een kind, in de hoop dat het dan later loyaal blijft. Om kinderen klaar te stomen tot de consumenten van morgen, worden ze nu al in vakjes gestopt op basis van pakweg de superheldenfilmpjes die ze bekijken op YouTube.”

Beeld Amaury Miller

Jeroen Lemaire (CEO In The Pocket): Neem bijvoorbeeld Messenger Kids, de chatapp die Facebook speciaal voor kinderen heeft gelanceerd. Bedoeling is dat ze die alleen gebruiken om met familie te chatten. Dat is handig voor Facebook: zo kunnen ze meteen de hele familie in kaart brengen. Zegt een adverteerder: ‘Wij willen alleen maar adverteren aan gezinnen van minstens zes personen’, dan weet Facebook perfect aan wie ze die reclame moeten tonen. Ik wil niet te nostalgisch klinken, maar je kunt je afvragen: waarom bélt dat kleinkind niet gewoon even met opa?”

“Natuurlijk is Messenger Kids een manier om, onder het mom van kindvriendelijkheid, gebruikers al op heel jonge leeftijd te rekruteren. Als je op je 5de al Facebook-gebruiker bent, waarom zou je het dan niet blijven voor de rest van je leven?”

De Jaeger: “Als je al sinds je kindertijd op Facebook zit, dan is de map die ze tegen je 25ste over je hebben verzameld een pak dikker dan wanneer je je pas als volwassene aanmeldt. Hoe meer data over een persoon, des te duurder de advertentie kan worden verkocht.”

Lemaire: “Onderzoek toont aan dat veel volwassenen er weinig problemen mee hebben hun data af te geven, maar ouders beseffen te weinig dat kinderen, zodra ze op het web gaan, óók gerekruteerd worden door de big tech-bedrijven.”

Lievens: “Het gaat trouwens niet alleen over commerciële bedrijven: ook scholen houden veel online informatie bij over je kind. In het Verenigd Koninkrijk heb je al een paar schandalen gehad waarbij scholen data van leerlingen doorverkochten aan commerciële bedrijven. Dat een leerling naar een privéschool gaat en dus wellicht over behoorlijk wat financiële middelen beschikt, is commercieel interessante informatie. Ook de studierichting die iemand volgt, kan nuttig zijn voor adverteerders.”

Ook huiswerk en uitslagen staan nu online, op digitale leerplatformen zoals Smartschool.

“Tegenwoordig krijgen ouders het rapport zo snel in hun mailbox dat zoon- of dochterlief mama of papa niet meer kan voorbereiden op een buis. Zodra een lesuur wegvalt, worden ouders via het online platform gewaarschuwd. Wij profiteerden vroeger van zo’n vrij uurtje om ongestoord in de stad rond te hangen, maar die mogelijkheid hebben tieners niet meer.”

“In het Verenigd Koninkrijk zijn er al scholen waar leerlingen hun lunch betalen met een vingerafdruk. Die scholen hebben dus een databank met biometrische gegevens van elke leerling. Volgens de wetgeving zijn dat uiterst gevoelige gegevens en mag je die niet zomaar gebruiken, maar het argument van die scholen is dat tieners geen geld op zak hebben en hun bankkaart vaak verliezen. Hun duim hebben ze altijd bij zich. Ik zeg niet dat scholen die data doelbewust misbruiken, maar als ze ze niet veilig opslaan en hun databank wordt gehackt, dan zijn zulke gegevens ideaal voor identiteitsdiefstal. De technologie evolueert zo snel dat we onze ogen moeten openhouden voor mogelijke toekomstige misbruiken, zeker als databanken aan elkaar gekoppeld worden. We willen niet meemaken dat de online zoekopdrachten van onze kinderen gelinkt worden aan hun gezondheidsdata, met als gevolg dat ze bepaalde jobkansen mislopen of geen hospitalisatieverzekering meer krijgen.”


Valse datum

Zijn de gegevens van kinderen beter beschermd sinds de GDPR, de privacywet van de EU?

Lievens: “De GDPR verbiedt niet expliciet dat de online gegevens van een kind worden bijgehouden voor commerciële doeleinden, maar Europa heeft wel bepaald dat reclame op basis van surfgedrag bij kinderen niet mag. In theorie zijn kinderen dus beter beschermd dan volwassenen, alleen is dat in de praktijk niet altijd evident. Volgens het Kinderrechtenverdrag is iedereen onder de 18 nog een kind, maar voor online dataverzameling gelden andere regels: de Europese wet bepaalt dat kinderen al vanaf 16 jaar zelf toestemming kunnen geven voor de verwerking van hun persoonsgegevens. De individuele lidstaten mogen die leeftijdgrens nog naar beneden halen, en dat heeft België ook gedaan: bij ons ligt de grens op 13 jaar. Onder die leeftijd hebben kinderen de toestemming van hun ouders nodig. Daarom zet Facebook in zijn gebruiksvoorwaarden dat je 13 moet zijn om hun platform te gebruiken.”

De Jaeger: “13 is erg jong. Welke 13-jarige ligt nu al wakker van wat er met zijn data gebeurt? Die wil gewoon praten met z’n vrienden op Facebook of filmpjes bekijken. Eigenlijk is het ronduit gek: een kind van 13 mag volgens de wet geen commercieel contract afsluiten voor een auto of een huis, maar volgens de privacywetgeving mag je op die leeftijd wel al je eigen gebruikersovereenkomst tekenen met Facebook en met één klik al je persoonlijke data weggeven.”

Hoe kunnen Google of Facebook weten of er een kind van 12 of een tiener van 16 aan de andere kant van het scherm zit?

Lievens: “Daar knelt het schoentje. Sommigen beweren dat Facebook en Google dat wél weten, op basis van alle data die ze verzamelen. Zelf beweren die bedrijven natuurlijk van niet, en niemand kan die beschuldiging hardmaken.”

“De wet zegt dat bedrijven redelijke maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de toestemming daadwerkelijk door een ouder wordt gegeven. Alleen is dat niet zo vanzelfsprekend. Ik krijg er geregeld vragen over van bedrijven die het goed menen, maar met de handen in het haar zitten. Kinderen zijn slim genoeg om een valse geboortedatum in te vullen. De website van Ketnet gebruikt een tweestapsverificatie, waarbij eerst een e-mail naar de ouder wordt verstuurd, en vervolgens nog een sms met een code. Maar dat is omslachtig en veel bedrijven zijn bang om daardoor gebruikers te verliezen.”

Beeld ANP XTRA

Stephanie Depuydt (In The Pocket): “TikTok, het vroegere Musical.ly, heeft recent nog een boete gekregen omdat het bedrijf overduidelijk wist dat veel van de gebruikers jonger zijn dan 13, en toch hun gegevens sprokkelde. Ze schermden met het excuus: ‘Ja, maar in onze terms and conditions staat dat je 13 moet zijn om onze app te gebruiken.’ Maar dat achtte de rechter niet voldoende. Als je als bedrijf wéét dat er min-13-jarigen actief zijn op je platform, dan moet je daarnaar handelen. Ze hebben nu een versie uitgebracht speciaal voor kinderen. Daarmee kun je bijvoorbeeld niet meer in contact komen met wildvreemden. Maar opnieuw: als je kind zelf een account aanmaakt en liegt over zijn leeftijd, dan omzeilt het die beperkingen.”

Sinds de GDPR heeft iedere burger het recht om persoonlijke data op te vragen bij een bedrijf dat die data bijhoudt, of het nu gaat over Facebook of Delhaize.

Lievens: “Precies. Je vroeg daarnet: wat weet het web over mijn kind? Wel, aan het web kun je dat moeilijk vragen, maar je kunt het wél vragen aan elk afzonderlijk bedrijf. Iedereen heeft het recht om die gegevens in te kijken én om ze te laten verwijderen. Daar wordt nog veel te weinig gebruik van gemaakt. Mensen weten het niet of denken dat het heel omslachtig is, maar het wordt steeds makkelijker. Het is zeker iets wat ik mijn drie dochters probeer aan te leren: je hebt online rechten en die kun je uitoefenen.”

Zou je ouders aanraden om aan Facebook te vragen wat het bedrijf allemaal weet over hun kind?

Lievens: “Waarom niet? Zeker als het gaat om erg jonge kinderen en je vermoedt dat de gegevens worden gebruikt voor commerciële doeleinden. Bij een 14-jarige valt het misschien minder aan te raden: die stellen dat soort bemoeizucht van ouders niet meer op prijs.” (lacht)

Verborgh: “Ik raad iedereen aan om zo’n verzoek in te dienen bij Facebook om de druk op hen te vergroten. Ik heb het mijne in januari ingediend, maar voorlopig weigeren ze me de data te geven waar ik recht op heb.”

“De oplossing voor het probleem ligt nochtans voor de hand: de persoonlijke datakluis. Samen met Tim Berners-Lee, de uitvinder van het wereldwijde web, werk ik daaraan. Met een datakluis krijgt elk individu zelf de keuze over wat er met persoonlijke gegevens gebeurt. Mijn foto’s, mijn comments, mijn likes komen allemaal in mijn datakluis terecht. Ik beslis zelf waar die kluis wordt opgeslagen en wie er aan mijn data kan. Ik kan zeggen: ‘Facebook, jij mag dat stukje van mijn data zien, maar je mag het niet opslaan, het blijft in mijn datakluis.’ Zeker voor kinderen is dat een prachtige oplossing. Vergelijk het met de spaarrekening die je voor je kind opent als het geboren wordt. Zodra het 18 wordt, mag het zelf beschikken over dat geld. Zo zou het ook gaan met alle foto’s en data van mijn zoon: die gaan in zijn datakluis tot hij 18 is en er zelf over kan beschikken. Ik hoop dat het systeem van de datakluis tegen die tijd begint te lopen. Dan hoef ik me geen zorgen te maken over de sporen die mijn zoon online achterlaat.”

Alarmbellen

Heeft het zin om controlerende apps te installeren op elk schermpje in huis zodat je het online gedrag van je kroost kunt volgen?

Depuydt: “Er zijn apps waarmee je alles kunt tracken wat je kind online uitspookt. Bij sommige apps kun je instellen op welke websites je kind mag komen of hoeveel tijd ze op een bepaalde site of app mogen doorbrengen.”

De Jaeger: “Of je stelt bepaalde zoektermen in waarop ze niet mogen zoeken. Maar wat doe je dan met trefwoorden die een dubbele betekenis hebben?”

Poesje of pussy, het is een wereld van verschil.

Depuydt: “Je kunt zelfs een gps-tracker installeren op de smartphone van je kind. Ik weet alleen niet of het gezond is voor de ontwikkeling om continu te checken waar je kroost uithangt. Je stopt toch ook geen chip in je kind?”

De Jaeger: “Je mag kinderen niet onderschatten: vanaf een bepaalde leeftijd weten ze best hoe ze die beperkingen kunnen omzeilen. Op mijn middelbare school hadden ze blokkades geïnstalleerd op het netwerk, waardoor je bijvoorbeeld niet naar Facebook kon surfen. Ik kan je verzekeren: alle leerlingen wisten die blokkades perfect te omzeilen. Opvoeding is belangrijker dan controle.”

Depuydt: “Precies. Als ouder moet je je kind leren hoe het web werkt en hoe je je in die online omgeving op een verantwoordelijke manier gedraagt. Je kunt je kinderen online controleren, en op jonge leeftijd móét je dat misschien ook doen, maar je moet hen vooral ook wegwijs maken op het web en hen wijzen op de voordelen ervan. Het grote probleem is dat heel wat ouders zélf niet veel begrijpen van Snapchat en Instagram. Ze zouden er zelf moeten in duiken om te weten wat het inhoudt en waar de mogelijke gevaren schuilen.”

Elodie Truyens (e-safety consultant bij Child Focus): “Bij Child Focus zijn we geen voorstander van parental control-apps. Die zijn niet de magische oplossing. Probeer maar eens je huiswerk voor seksuele opvoeding te maken als je het woord ‘seks’ niet mag intikken! Wij zijn eerder voorstander van dialoog en begeleiding. Toon interesse. Koop je een nieuw gezelschapsspel voor je kind, dan speel je de eerste keer toch ook mee en bekijk je samen de spelregels? Waarom zou je dat niet doen als je kind online een nieuw spel speelt?”

Wat voor vragen krijgt Child Focus over kinderen en het web?

Truyens: “Het goede nieuws is dat ouders en scholen vandaag veel meer bezig zijn met veilig internetten dan vroeger. Tot voor een paar jaar wilden scholen hun verantwoordelijkheid totaal niet nemen. Hun redenering was dat dat buiten de schoolmuren gebeurt. Het heeft ons veel moeite gekost om scholen ervan te overtuigen dat internet en sociale media de school wél binnenkomen. Het cyberpesten stopt niet als een kind de speelplaats opwandelt.”

“Omdat Child Focus zich concentreert op seksuele uitbuiting, krijgen we vaak vragen die daarmee te maken hebben. In 2018 waren dat 114 gevallen van fout gelopen sexting, 46 gevallen van sextortion (een vorm van afpersing waarbij het slachtoffer moet betalen om te vermijden dat er seksueel getinte beelden van hem of haar verspreid worden, red.), 36 gevallen van grooming (het online benaderen van kinderen door pedofielen, red.), en 20 gevallen van cyberpesten. Daarnaast kregen we vorig jaar ook 122 niet-seksuele vragen over veilig internetten, bijvoorbeeld over parental control-apps.”

Welke dossiers raken u het meest?

Truyens: “De gevallen van grooming. Soms zijn de slachtoffers erg jong. Ik herinner me een meisje van 10, ze had op haar profiel op sociale media aangegeven dat ze erg geïnteresseerd was in musicals. Daarop was een 35-jarige man met haar beginnen te chatten. Het startte heel onschuldig: hij wist veel van musicals en zou haar wat tips geven over zingen en audities. Daarna vroeg hij haar om foto’s – ‘Dan kan ik zeggen of je kans maakt op een auditie.’ Het is ermee geëindigd dat het meisje naaktfoto’s naar hem opstuurde. Op een bepaald moment kregen de ouders in de gaten dat hun dochter zich vaak alleen met de tablet terugtrok op haar kamer. Gelukkig zijn er toen bij hen alarmbellen afgegaan en kwam de situatie aan het licht.”

“Grooming laat ernstige sporen na bij kinderen, omdat ze meestal niet beseffen in wat voor risicovolle situatie ze zijn beland, en een emotionele band krijgen met de dader. Soms zijn ze zelfs boos op hun ouders als die vragen de relatie te verbreken: ‘Hij luistert tenminste naar mij, jullie niet.’ Ook dit meisje reageerde opstandig. Toen ze zagen hoe erg hun dochter leed onder de situatie, besloten de ouders de politie niet in te lichten. Ze wilden haar het verhoor besparen. Wij hadden daar begrip voor, maar hebben wel zélf aangifte gedaan, zonder de naam van het meisje aan de politie door te geven. De kans was groot dat die man online met meer kinderen in contact stond.”

“Het is belangrijk dat ouders betrokken zijn en hun kinderen leren met een kritische geest het web op te gaan. Ze moeten online een zekere weerbaarheid krijgen, óók als ze alleen apps gebruiken die aangepast zijn aan hun leeftijd, zoals YouTube Kids of Ketnet. Ook op de Ketnet-chat kan een volwassene beginnen te chatten met een kind.”

Hoe pak jij dat aan, je kinderen weerbaar maken online?

Truyens: “Mijn dochter is pas 10 maanden oud. Als ik nadenk over haar eerste online stapjes, dan slaat de paniek me soms om het hart. Maar ik heb me al voorgenomen dat ik haar straks bij het handje neem en dat we samen het web verkennen. Dat is de beste aanpak. Dan weet ze dat ze, als er ooit een probleem is, bij mij terechtkan. En later zal ik haar, als ze online iets heeft gespeeld, vragen: ‘Hoe was het nog op Minecraft, schat?’ Als je kind buiten heeft gespeeld, vraag je dat toch ook? Ze moeten het normaal vinden dat erover wordt gepraat.”


Sociaal experiment

Lemaire: “Ik weet dat ze bestaan, de seksuele roofdieren op het web, en toch ben ik niet van plan mijn kinderen – ze zijn nu 7 en 9 – ervoor te waarschuwen. Dat zaadje wil ik niet planten in hun brein. Ik wil ze niet bang maken, ik wil vooral dat ze op een positieve manier naar de wereld kijken. Je stuurt je kind van 7 toch ook niet naar school met de boodschap: ‘En als je een pedofiele leerkracht ziet, laat me dan iets weten’? Zolang mijn kinderen op een gecontroleerde manier de tablet gebruiken, als wij in de buurt zijn, is dat niet het grootste gevaar. Het grootste gevaar is dat ze er te veel tijd op doorbrengen en dat dat een invloed heeft op hun mentale gezondheid. Dé reden waarom je kinderen niet zomaar op het web laat, is omdat het uiterst verslavend is. Steve Jobs en Bill Gates hadden dat goed begrepen: zij hielden hun kinderen zo lang mogelijk weg van het web en beperkten de tijd die ze online mochten doorbrengen.”

“Alle bedrijven op het web strijden om de aandacht van de mens. Ze willen zo veel mogelijk uren, ja zelfs minuten inpalmen. Televisie- en marketingbedrijven weten al langer welke snaren ze moeten bespelen om hun publiek lang voor de buis te houden en hun producten te verkopen, maar met de komst van Facebook is het een heuse industrie geworden. Bedrijven als Facebook zijn extreem goed in hun verleidingstechnologie. Ze houden ons met zijn allen urenlang aan de haak. Het verschil is: wij zijn volwassenen en ons brein is volgroeid. Wij kunnen zeggen: ‘Ik ga even niet op Twitter.’ Of: ‘Ik ga wat mensen ontvrienden, want ik ben hun negatieve energie beu.’ Of: ‘Ik installeer deze app niet op mijn smartphone, want ik kén mezelf.’ Onze vrije wil primeert, of toch meestal. Maar kinderen zijn compleet weerloos tegen die strategieën. Bij hen werkt het nog duizenden keren krachtiger. Geef een kind een iPad met YouTube, TikTok en Instagram, en het zal al véél honger en dorst moeten hebben voor het dat ding weer neerlegt. We moeten kinderen daartegen beschermen. Dat beseffen we nog veel te weinig.”

“Ook het brein van tieners is nog niet volgroeid, zij blijven erg kwetsbaar. Er is nu een explosie van mentale gezondheidsproblemen bij tieners: de ene na de andere studie toont een toename van depressies en zelfmoordneigingen. We mogen gerust spreken van een epidemie op wereldschaal. In januari bleek uit een studie van de University College of London nog een duidelijk verband tussen het aantal uren dat tienermeisjes op sociale media zitten, en de frequentie van depressies. Het is heel simpel: hoe meer uur per dag, des te groter de kans dat ze in een depressie belanden. In die studie zijn meisjes duidelijk vatbaarder voor de negatieve gevolgen van sociale media dan jongens. Onderzoek legt de link met een lager zelfbeeld en met uren slaaptekort. Sociale media slagen er letterlijk in slaap af te snoepen. Als je slaapt, dan ben je niets waard voor Facebook – je ligt daar gewoon nul euro op te brengen. Maar gaat een tienermeisje een uur later slapen, dan valt er nog wat geld aan haar te verdienen. Sociale media zijn daar zéér goed in geworden. We onderschatten hoe efficiënt die machine is, en wat we precies in de handen van onze kinderen duwen.”

En toch doe je het zelf ook: je laat je kinderen online.

Lemaire: “Ja. Kinderen proberen weg te houden van het web is even zinloos als proberen ze weg te houden van een snoepwinkel: op een dag staan ze er toch. En dan kunnen ze maar beter zelf al een keer ervaren hebben dat je buikpijn krijgt van te veel snoep. Ze moeten het leren met vallen en opstaan. Zolang je ze bijstaat, komt het goed.”

Welke raad zou jij ouders geven?

Lemaire: “Beperk de schermtijd, maak er duidelijke afspraken over, zorg ervoor dat kinderen niet zelf apps kunnen installeren, installeer de kinderversies van apps en zorg dat de veiligheidsfilters aanstaan. Al dat werk kun je als ouder doen. En zorg ervoor dat het, tot op een bepaalde leeftijd, met sociale controle gebeurt, niet op hun eentje in hun kamer. Want kinderen vereenzamen achter dat schermpje. Ze spiegelen zich aan duizenden mensen die ze nooit in levenden lijve zullen ontmoeten. Mijn kinderen bingewatchen YouTube-sterretjes van amper 10 jaar, die elke week een miljoen kijkers naar hun YouTube-kanaal lokken met filmpjes waarin ze slijm maken. Ongelofelijk hoe gehypnotiseerd mijn kinderen daardoor zijn. Maar is het zinvol om hen daar helemaal van af te schermen? Ik vind van niet.”

Je sprak daarnet over een epidemie van mentale problemen onder tieners. Krijgen we die ooit opgelost?

Lemaire: “Dat denk ik wel. Ik ben een techno-optimist: naarmate een samenleving technologischer wordt, wordt ze welvarender, verhoogt ons welzijn en hebben we meer kans op een vreugdevol leven. Maar telkens als er een nieuwe technologie bij komt, moeten we eerst afrekenen met de neveneffecten. Een goed voorbeeld is de auto. Die is een fantastische aanwinst voor ons leven, maar wereldwijd sterven er ook elke dag drieduizend mensen in een auto-ongeval. Dat is vreselijk, maar het aantal daalt wel, omdat onze auto’s steeds beter worden. Over een jaar of tien zijn er alleen nog zelfrijdende auto’s en sterft bijna niemand meer in het verkeer. Op termijn lossen we de neveneffecten van nieuwe technologie op dankzij andere nieuwe technologie. Zo zal het ook gaan met het web.”

Offeren we deze generatie kinderen dan op aan de nieuwe technologie?

Lemaire: “Dit is in elk geval het grootste sociale experiment waarvan ik weet heb. Het is nog nooit in onze geschiedenis gebeurd dat een groep van twee miljard mensen op één en hetzelfde platform aanwezig is. Facebook neemt dat idee van sociaal experiment zelfs letterlijk: in 2012 hebben ze een proefproject gedaan met 689.000 mensen van wie ze de Facebook-feed manipuleerden. Hun vraag was: kunnen we hen zo blijer of minder blij maken? En inderdaad, door de selectie en volgorde van de boodschappen in hun feed aan te passen, slaagde Facebook erin de gemoedstoestand van die mensen te veranderen. Dat zoiets lukt, is tegelijk verontrustend en hoopgevend.

“Het internet heeft de wereld een enorme stap vooruitgeholpen. De kinderen van vandaag hebben alle kennis van de wereld in hun telefoon of tablet zitten. Het effect daarvan op hun geletterdheid en educatie is ongezien. Iedereen kan zich vandaag verdiepen in artificiële intelligentie en met de volgende nieuwe technologie op de proppen komen. Wat we vandaag zien, is nog maar het topje van de ijsberg. Het internet is misschien wel één van de beste dingen die de mensheid ooit zijn overkomen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234