Woensdag 13/11/2019

Wat sommige kunstenaars verdringen

Elk met hun diverse achtergronden construeren leraren, arbeiders, ambtenaren, bedrijfsleiders, advocaten, buschauffeurs en koks de Vlaamse identiteit. Ze brengen daarin hun persoonlijke traject mee, hun seksuele, religieuze en politieke voorkeuren. Elk op hun manier, en elk met hun gewicht en waarden, bepalen Philip Dewinter en Luc Tuymans, Stefan Hertmans en Goedele Liekens hoe Vlaanderen op dit moment gestalte krijgt. En dat geldt ook voor mijn buren van Turkse, Bulgaarse, Wit-Russische en Iraanse afkomst. Het geldt ook voor de Franstaligen uit de Brusselse rand. Wie in Vlaanderen woont en werkt heeft in die Vlaamse identiteitsvorming een aandeel. In die zin is het inderdaad wat Bart De Wever “een lotsgemeenschap” noemt.

Deze ‘identiteit’ is geen ‘dikke’, 19de-eeuwse nationalistische identiteit, maar een heterogene identiteit. Ze is de optelsom van alle individuele ‘identiteiten’ die het noordelijk deel van wat vooralsnog België heet, bevolken. Ze ontwikkelt zich in het spanningsveld tussen het lokale en het globale. Alleen gelden in zowel cultural studies als het discours van de antiglobalisten lokale identiteiten als een voorname bron van weerstand tegen globalisering en cultuurimperialisme. Lokale identiteiten zijn dus geen retrograde, gesloten systemen, maar verzetshaarden tegen een bepaalde mate van culturele verschraling die een globale economie met zich meebrengt. Cultuursocioloog John Tomlinson meent dat globalisering lokale identiteiten eerder versterkt dan vernietigt.

In het Vlaamse identiteitsproject zijn bindende factoren de taal, het grondgebied, en het daarmee verbonden socio-economische project. Identiteitscreatie vindt plaats binnen de gezinnen, de 150.000 kmo’s, de scholen, cultuurorganisaties en verenigingen, overheid en media. En o ja: in de kunsten. Hoe internationaal georiënteerd ook onze kunstencentra en bedrijven, ze bevinden zich in het noorden van ‘België’. Dredging International, Agfa-Gevaert, Bekaert. Hun hoofdzetels staan in Vlaanderen en net in de provincie Luik. Niet in Italië of Zweden. Waarmee ik maar gezegd wil hebben dat Franstalig België in dat opzicht feitelijk een buitenland is.

Wat sommige Vlaamse kunstenaars lijken te vergeten - of te verdringen - is dat ze zelf actief betrokken zijn bij die identiteitscreatie. Ook wie zich daar niet bewust van is, of wie de Vlaamse identiteit expliciet afwijst, draagt door zijn creaties bij tot die identiteit. Dat heeft te maken met het institutionele kader waarbinnen men werkt. Autonomie op het vlak van taal en cultuur kwam er bijvoorbeeld al in 1970. Zowat iedereen die vandaag jonger dan 50 is, groeide op in een Vlaanderen dat uitsluitend bevoegd was voor taal, cultuur, onderwijs en media. De invloed van de Franstalige Belgische cultuur op die Werdegang was voor de meeste Vlamingen waarschijnlijk kleiner dan de invloed van de angelsaksische cultuur. Daarnaast hebben kunstenaars de voorbije veertig jaar mede de cultuurinstituties (zoals de kunstencentra) uit de grond gestampt die uniek zijn voor Vlaanderen, en die ertoe hebben geleid dat Vlaamse kunstenaars radicaal kunst van internationaal niveau konden maken. Producties in beeldende kunsten, podiumkunsten, muziek en literatuur worden gefinancierd met Vlaams geld en geproduceerd binnen de Vlaamse instituties, uitgerekend die plekken waar de lokale identiteit vorm krijgt die een tegengewicht kan bieden tegen de vervlakkende tendenzen van de globale economie. Kijk ik naar het werk van hedendaagse Vlaamse dichters, dan is de invloed van de Franstalige Belgische poëzie op de Vlaamse naoorlogse poëzie nihil.

Het gebakkelei tussen de zogenaamde ‘cultuurdragers’ en de politiek, meer bepaald de N-VA, is een mooi voorbeeld van wat de cultuurtheoreticus Stuart Hall “discursieve strijd” noemt. Inzet van deze strijd is het predikaat ‘Vlaams’ en bij uitbreiding de ‘Vlaamse identiteit’ of het ‘Vlaamse project’. In oorsprong zijn begrippen als ‘Vlaams’ of ‘identiteit’ ideologisch neutraal. Pas in het gebruik door diverse maatschappelijke groepen worden ze ideologisch opgeladen. Afhankelijk van hun wereldbeeld leggen andere groepen telkens andere accenten, zodat wat ‘Vlaams’ is of wat ‘identiteit’ precies betekent, wordt bepaald door een maatschappelijke strijd, die in wezen een strijd om de heerschappij over het discours is. Een strijd, zegt Hall, “om welke maatschappelijke accentuering de overhand krijgt en aan geloofwaardigheid wint”.

Platte oppositie

De KVS-cultuurrevue ‘Niet in onze naam!’ moet binnen deze strijd worden geplaatst. Alleen was het een enorme gemiste kans voor kunstenaars om zich te tonen als hoe ze geacht worden te zijn: open, tolerant, bereid tot het debat, en geïnformeerd over de reële institutionele en economische situatie van dit land. Maar eerder dan het debat over de institutionele hervormingen aan te gaan met Bart De Wever of de Gravensteengroep, koos het kunstenaarsgild voor de platte oppositie. Verwonderlijk was dat niet. De actie was tenslotte een initiatief van Dirk Tuypens, Lieve Franssen en Lebuïn D’haese, alledrie PVDA-leden, zodat de hidden agenda van de revue wellicht een poging tot recuperatie door extreem links was.

Simplistisch was de boodschap ook omdat een andere slogan van die avond - ‘Solidariteit maakt een cultuur groot’ - de burgers een rad voor de ogen draait. Vlamingen zijn namelijk de facto solidair, al was het maar vanwege de RSZ die we op onze lonen betalen. (Werkgevers blijken in dat opzicht trouwens méér solidair dan werknemers, daar ze tussen de 30 en de 40 procent RSZ op het brutoloon betalen, terwijl dat voor de werknemer zelf slechts 13,07% van zijn brutosalaris is.) Wie gelooft dat de sociale zekerheid in een onafhankelijk Vlaanderen op Reaganeske leest geschoeid zal zijn, is even naïef als wie denkt dat Vlaanderen op dag één van het post-Belgiëtijdperk een Scandinavische modelstaat zal zijn.

Cruciale vraag die we bij deze belgicistische solidariteitseis moeten stellen is waarom Vlamingen pas (en uitsluitend) solidair zouden zijn als ze solidair zijn met Franstalige Belgen. Vanwaar die privileges voor de Franstalige Belgen, die het misschien minder moeilijk hebben dan allochtone Vlamingen om bijvoorbeeld een job te vinden? Ik zie niet in waarom er een geprivilegieerde solidariteit voor Franstalige Belgen zou moeten worden opgezet, net zomin als ik inzie waarom Franstaligen in Vlaanderen administratieve privileges moeten krijgen die hier wonende Tsjetsjenen, Spanjaarden of Zweden niet krijgen. Neen. Iedereen gelijk. Geef mij dan maar Californië, waar Engels de officiële taal is, maar waar het schriftelijke rijexamen in 31 talen kan worden afgelegd. Als een Franstalige Belg papieren in het Frans mag aanvragen, dan moet een Turkse Gentenaar papieren in het Turks kunnen aanvragen. Tot het zover is, geldt voor mij de analyse die een journalist van de Frankfurter Allgemeine maakte: “Hat ein Staat, dessen französischsprachiger Teil sich von der Niederländisch sprechenden Bevölkerung gigantisch alimentieren lässt, aber deren Kultur und Historie ostentativ ignoriert, nicht seine Existenz verspielt?”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234