Woensdag 02/12/2020

Wat niet weet, wat niet deert

Het Pentagon-rapport uit 1978 over Amerikaanse kernkoppen in de wereld, dat deze week min of meer publiek werd, geeft een cowboy-achtig beeld van de Amerikaanse pogingen om bevriende en minder bevriende gebieden met bommen te bevolken. Wat het rapport vooral leert is dat er bij die pogingen nogal wat mis liep.

Volgens The Bulletin of Atomic Scientists, dat het rapport publiceert - minus enkele doorgestreepte en niet te reconstrueren namen en passages - werden tussen juli 1945 en september 1977 in 27 landen duizenden Amerikaanse kernwapens opgeslagen. De wetenschappers die zich in opdracht van het blad over het rapport hebben gebogen, Robert Norris, William Arkin en William Burr, stuk voor stuk autoriteiten op het gebied van defensie en de geschiedenis van kernwapens, leggen de echte start van de ontplooiing van Amerikaans tuig op 11 juni 1950, wanneer president Truman beslist om niet-nucleair materiaal naar Groot-Brittannië te laten verschepen. Met dat materiaal kan het rompstuk van de kernbom worden gemaakt, het koetswerk, waaraan dan enkel nog een nucleaire capsule, op basis van plutonium of uranium, moet worden vastgehecht. De aanwezigheid van het niet-nucleaire deel van de bom zou bij een gewapend conflict met de Sovjetunie de assemblagetijd van de kernbom drastisch verkorten. Tegen eind juli 1950 zijn de niet-nucleaire componenten ter plekke.

Tussen vertrek en aankomst van de voor Groot-Brittannië bestemde componenten, op 25 juni 1950, breekt de Koreaanse Oorlog uit. Door deze oorlog komen de overzeese plannen van de Amerikaanse regering in een stroomversnelling. Truman laat onder meer niet-nucleaire onderdelen naar Guam, in de Stille Zuidzee, overbrengen, en naar het vliegdekschip Coral Sea in de Middellandse Zee.

Het gevaar en de kwetsbaarheid van dergelijke transporten wordt op spectaculaire manier duidelijk wanneer op 5 augustus 1950 een B-29 neerstort die met weliswaar niet-nucleair tuig was vertrokken richting Guam. Vijf minuten nadat het toestel de luchthaven in Californië heeft verlaten, stort het neer en brandt uit. Twaalf van de twintig inzittenden komen om het leven, maar daarnaast vallen ook op de begane grond zeven doden en 58 gewonden. De zware ontploffing (er was 5000 pond explosieven aan boord) is vijftig kilometer verder nog te voelen. Wrakstukken worden over een oppervlak van drie vierkante kilometer weggeslingerd. Achtenveertig huizen en twintig auto's zijn beschadigd of vernield. De luchtmacht geeft als officiële uitleg dat per abuis tien bommen van 500 pond zijn ontploft, toevallig tegelijk. In juli en augustus 1950 begint het Pentagon, het Amerikaans ministerie van Defensie, ook Canada bij de nucleaire plannen te betrekken. Op het oostelijke eiland Newfoundland worden niet-nucleaire tuigen geïnstalleerd, terwijl in het hoge noorden, dichtbij de Sovjetunie, drie bommenwerpers en twee brandstofteams klaar staan om bij onheil in actie te komen. De Canadese premier heeft hier toestemming voor gegeven, maar het merendeel van zijn ministers is niet op de hoogte. Na een periode van zes weken moet het Amerikaanse materiaal - zoals overeengekomen - weer vertrekken. Op de terugweg echter, op 10 november 1950, heeft een tweede ongeval plaats. Een B-50 verliest eerst één motor, en kort nadien de tweede. De standaardprocedure wil dat in zo'n geval het springtuig boven zee tot ontploffing wordt gebracht. Zover raakt het toestel niet meer. De bemanning laat de bommen exploderen boven de St. Lawrence rivier, op 750 meter hoogte, niet ver van het plaatsje Rivière du Loup in de provincie Québec. De explosie van 5000 pond chemisch springtuig doet nogal wat ruiten sneuvelen en valt bij de lokale bevolking niet in goede aarde. De Amerikaanse luchtmacht moet opnieuw een nepverhaal verzinnen om de ware aard van de explosie te verdoezelen.

Het eerste overzeese transport van nucleaire capsules vindt plaats in 1951. Op 6 april, nadat het Chinese leger in Korea een grootscheeps offensief heeft ingezet, laat president Truman kernkoppen naar Guam overvliegen. Negen kernbommen worden op het eiland geassembleerd. Vanaf januari 1952 worden op drie sites in Marokko - dan nog een kolonie van Frankrijk - wapens geïnstalleerd, eerst de niet-nucleaire onderdelen. In 1954 zijn zowel in Marokko als in Groot-Brittannië volwaardige kernwapens opgeslagen. Ook in Frankrijk worden in de jaren '50 wapens opgeslagen, zij het zonder de nucleaire capsules. Vanaf de late jaren '50 verandert de technologie. Men ontwikkelt wat men noemt 'houten bommen', nucleaire bommen in één stuk. De vroegere scheiding, waarbij de luchtmacht de bommen levert, terwijl de kernladingen onder civiel bestuur vallen, verdwijnt langzamerhand. De scheiding heeft nochtans strategische voordelen. Landen als Frankrijk en zeker Japan maken minder misbaar als er enkel niet-nucleaire onderdelen worden overgevlogen.

Nadat in september 1954 in Groot-Brittannië de eerste volledige Amerikaanse kernwapens zijn geïnstalleerd, volgen al gauw andere landen. West-Duitsland in maart 1955, Italië in april 1957, Frankrijk in augustus 1958, Turkije in februari 1959, Nederland in april 1960, Griekenland in oktober 1960 en België, als laatste land in Europa, met Kleine Brogel, in november 1963. West-Duitsland, op de frontlijn van de Koude Oorlog gelegen, krijgt de meeste kernwapens op zijn grondgebied. 21 verschillende soorten kernkoppen worden er vanaf 1955 opgeslagen. Van de 7300 kernkoppen die de Navo op zijn toppunt in Europa opslaat, is de helft op West-Duitse bodem ondergebracht. Op het Japanse eiland Okinawa zijn in de periode tussen 1954 en 1972 negentien soorten kernkoppen opgeslagen, in totaal zo'n 1000 stuks.

De Verenigde Staten willen de Europese Navo-leden, zeker in de jaren vijftig, een grotere rol toebedelen bij de planning en zelfs het gebruik van de kernwapens. Militairen uit de Europese Navo-landen krijgen een speciale training. Vooral onder president Eisenhower is het systeem verbazingwekkend laks. Amerikaanse militairen staan weliswaar in voor de bewaking van de kernwapens, maar zodra de alarmtoestand wordt afgekondigd, hebben bijvoorbeeld Luftwaffe-piloten zogoed als de controle over de bommen. Onder president Kennedy worden de regels strakker. De nucleaire permissiviteit wordt teruggedraaid, het gebruik van de kernwapens wordt bemoeilijkt door de invoering van extra tussenstappen. De auteurs van The Bulletin of Atomic Scientists schatten dat er tegenwoordig in Europa nog 150 kernwapens overblijven, de helft daarvan verspreid over zes landen: België, Duitsland, Griekenland, Italië, Nederland en Turkije. Wat er in België zit, en waarom het er nog zit terwijl de meeste kernkoppen toch uit Europa verwijderd zijn, is niet bekend, omdat de Belgische regeringen daar altijd (tot en met deze week) het stilzwijgen over hebben bewaard. Door dat Belgische stilzwijgen zag het Pentagon zich verplicht om in zijn rapport de gegevens over dit land onleesbaar te maken. De Belgische minister van Defensie, André Flahaut, verklaarde donderdag in de Kamer dat het Pentagon-rapport op de periode tot 1977 slaat en dus de huidige realiteit niet zou weergeven. Premier Verhofstadt zou volgende week een groep parlementsleden inlichten over 'de eventuele aanwezigheid van kernbommen' op Belgisch grondgebied. Wat er op Kleine Brogel zou staan? Tien kernbommen, van het type B61 of B61-11, met een kernlading van 0,3 tot 300 kiloton.

Terwijl de Koreaanse oorlog woedt, blijft de nucleaire aanwezigheid van de Verenigde Staten nog beperkt tot de niet-nucleaire voorbereiding. In 1954-55 komt daar verandering in. Er dreigt een ander conflict in de regio: China en de VS bekvechten over Taiwan. De Amerikanen vrezen een Chinese invasie van naburige eilanden, of eventueel van Taiwan zelf. Op dat moment worden complete nucleaire wapens opgeslagen in Okinawa, terwijl het nucleair bewapende vliegdekschip USS Midway door de territoriale wateren van Taiwan vaart. Twaalf jaar lang, van 1954 tot 1965, wordt Japan, zonder dat er ruchtbaarheid aan wordt gegeven, ingeschakeld in de nucleaire strategie van de VS, dat er kernoperaties voorbereidt voor het geval het tot een oorlog met de Sovjetunie of met China zou komen. De aanwezigheid van nucleair tuig in Japan is door de Amerikaanse regering verzwegen, omdat wordt gevreesd dat het de relaties met Japan, dat nog altijd getraumatiseerd is door de bommen op Hiroshima en Nagasaki, onder druk zou zetten. Tegen het einde van het presidentschap van Eisenhower, zo rond 1960 dus, hebben de Verenigde Staten in het Stille Zuidzee-gebied 1600 kernkoppen ontplooid, onder andere op Taiwan (op 300 kilometer van China), op de Filippijnen en op Korea. Onder de presidenten Kennedy en Johnson nemen die aantallen nog fel toe. Op het toppunt, midden-1967, zouden 3200 kernwapens in dit gebied zijn ondergebracht. Onder Nixon lopen de aantallen dan weer fors terug. En tegen het einde van de jaren zeventig, onder president Carter, zijn de kernkoppen verwijderd uit Japan en uit de Filippijnen. Zuid-Korea volgt veel later - in 1991 worden daar de laatste koppen afgevoerd.

Zowel rond de ontplooiing van kernwapens als rond hun verwijdering hing en hangt, ondanks het Pentagon-rapport, nog altijd een waas. In Japan heeft nooit openheid bestaan. De kernkoppen waren officieel op de Amerikaanse bases op Okinawa geconcentreerd, maar niet-nucleaire onderdelen werden in Japan zelf geïnstalleerd. Het Pentagon hoopte Japan van zijn 'nucleaire allergie' te genezen, maar dat plan werd uiteindelijk in 1965 opgegeven, wegens onrealistisch. Wel konden de VS hun bases en de havens van het land gebruiken bij transport van nucleair materiaal. Dat werd toegelaten door een geheime clausule in een verdrag uit 1960. Een ander moeilijk geval was Denemarken. Denemarken wou officieel geen kernwapens op zijn grondgebied toelaten. Voor Groenland, een officieel aanhangsel van Denemarken, moest dezelfde regel blijven gelden. Toch werd ervan uitgegaan dat Amerikaanse vliegtuigen, met nucleaire lading, geregeld vluchten boven Groenland uitvoerden. In 1994 werd onthuld dat die vluchten inderdaad hadden plaatsgevonden. Na de onthulling onderhandelden Denemarken en de VS over een gezamenlijke repliek op de kritiek die vrij algemeen de kop opstak. De Deense regering gaf in het parlement toe dat de nucleaire vluchten over Groenland niet verzonnen waren, maar stelde dat de VS te goeder trouw had gehandeld. In 1957 had de Deense regering tijdens geheime onderhandelingen toegezegd dat ze nooit vragen zou stellen naar de inhoud van Amerikaanse legervliegtuigen die over haar grondgebied vlogen. De Amerikaanse overheid hoefde dus ook nooit Denemarken van een ongewone lading op de hoogte stellen. Aan deze politiek van 'wat niet weet wat niet deert' kwam abrupt een eind toen in 1968 een Amerikaanse B-52, met vier kernbommen aan boord, op het Groenlandse ijs neerstortte. Sedertdien maakt Denemarken er een punt van zijn niet-nucleaire standpunten expliciet te verspreiden. Maar niet zo expliciet dat schepen met kernkoppen aan boord uit de havens werden geweerd. De rel rond de onthullingen uit 1994 was nog nauwelijks bekoeld toen de toenmalige Amerikaanse minister van Defensie, William Perry, een geheime brief aan de Deense regering bezorgde waaruit bleek dat in tegenstelling tot vroegere garanties wel degelijk, in 1958, vier kernkoppen op Deens grondgebied waren geïnstalleerd. Met name op de Groenlandse basis Thule: aangekomen in februari 1958, verwijderd tussen oktober en december van dat jaar. De bommen waren van het type Mk.36, een gigantische thermonucleaire bom die bijna een ton weegt en een explosie van 9 à 10 megaton veroorzaakt. Behalve de eigenlijke bommen was er ook niet-nucleair materiaal opgeslagen waarmee nog eens zes kernbommen konden worden geassembleerd. IJsland was, zoals Denemarken, een land met een anti-nucleaire traditie. Toch werden er op de Amerikaanse legerbasis in Keflavik tussen 1956 en 1966 niet-nucleaire componenten van kernbommen opgeslagen, en tussen september 1956 en eind 1959 complete kernbommen. Op Taiwan verliep de geheimhouderij in de andere richting. Tot de vroege jaren '70 waren meer kernkoppen aanwezig dan algemeen bekend was. Later, na het bezoek van president Nixon aan China waar blijkbaar een geheime ontmantelingsovereenkomst werd gesloten, werden de aantallen eerst drastisch beperkt, en werd het ook moeilijker gemaakt de resterende bommen te gebruiken. De laatste kernkoppen werden, in het kader van een akkoord met China, in 1974 door de VS uit Taiwan verwijderd. Uit angst dat de Taiwanese nationalisten de wapens zouden stelen, werd de ontmanteling geheim gehouden.

De auteurs van The Bulletin of Atomic Scientists vragen zich tot slot af waarom het Pentagon bepaalde lokaties van kernbommen gewoon bekendmaakte (Duitsland) terwijl het andere lokaties verdonkeremaande (Italië, Korea en België), zelfs al staan in sommige van de verzwegen landen momenteel geen kernkoppen meer. Het eenvoudigste antwoord is dat de informatie in deze landen nog niet vrijgegeven is, en vooral dat de regeringen in deze landen door de publicatie van details in verlegenheid kunnen worden gebracht.

De aanwezigheid van nucleair tuig op Okinawa werd verzwegen omdat Japan het trauma van de bommen op Hiroshima en Nagasaki nog niet had verwerkt

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234