Dinsdag 02/03/2021

wat heeft de cia met frank olson gedaan?

Eric Olson leeft met een obsessie: bewijzen dat de dood van zijn vader geen zelfmoord was. Eric gaat zelf op onderzoek uit maar beseft al vlug dat hij tegenover een samenzwering van de stilte staat, waarvan zijn vader ooit zelf lid geweest was. Hij stuit op een complot van mensen die in het diepste geheim angstaanjagend onderzoek deden.

Michael Ignatieff

Al vijfentwintig jaar is een goede vriend van mij, een studiegenoot uit Harvard, ervan overtuigd dat de Central Intelligence Agency (CIA) zijn vader, een wetenschapper die voor de overheid werkte, heeft vermoord. Die overtuiging, zegt mijn vriend, impliceert "dat je het bekende universum verlaat", het universum waarin mensen naïef geloven dat een onderdeel van de Amerikaanse regering zoiets niet doet. Mijn vriend heeft zijn vader veertig jaar na diens dood laten opgraven. De forensische bewijzen geven hem gelijk. Voor mijn vriend is die wetenschap geen troost. Als ik vraag wat hij van zijn beproeving heeft geleerd, zegt hij: "Dat je nooit je vader mag opgraven". Hij lacht. En de uitdrukking op zijn gezicht is wild, bitter en gekweld.

Op 28 november 1953, omstreeks twee uur 's ochtends, haastte Armand Pastore, de nachtportier van het Statler Hotel in New York, zich naar de uitgang van het hotel aan Seventh Avenue, waar een man van middelbare leeftijd in onderhemd en onderbroek op het voetpad lag. Zijn benen waren gebroken en wezen in een gruwelijke hoek. Toen Pastore opkeek, zag hij een rolgordijn uit een leeg venster op de tiende verdieping hangen. De man moest door het gesloten raam gevallen zijn. Hij leefde nog. "Hij mompelde iets onverstaanbaars", zei Pastore. "Het klonk helemaal vervormd. Ik vroeg hoe hij heette." Toen de priester en de ziekenwagen arriveerden, was de onbekende op het voetpad dood.

Toen Pastore met de politie naar kamer 1018A ging, vonden ze daar een man die met zijn hoofd in zijn handen op het toilet zat. Hij zei dat hij Robert Lashbrook heette. Beneden vroeg Pastore aan de receptioniste of ze telefoons uit kamer 1018A had geregistreerd. Twee, zei ze. Een mannenstem had gezegd: "Hij is er niet meer", waarop de stem aan de andere kant van de lijn antwoordde: "Dat is jammer." Lashbrook gaf toe dat hij twee telefoontjes had gepleegd, maar ontkende iets dergelijks te hebben gezegd. In Frederick, een stadje in Maryland, was het nog donker toen Eric Olson door zijn moeder, Alice, werd gewekt. Ze nam hem mee naar de woonkamer, terwijl zijn jongere zus, Lisa, en hun broer, Nils, boven rustig sliepen. Luitenant-kolonel Vincent Ruwet, de baas van Erics vader in het onderzoekscentrum van het leger in Fort Detrick, vertelde de jongen dat er iets naars was gebeurd. "Gevallen of gesprongen" en "ongeluk" waren de woorden die Eric onthield. Later schreef hij: "Toen ik hoorde dat mijn vader uit een venster was gevallen en dood was, leek het alsof ergens in mijn brein een stekker uitgetrokken werd. Een vitaal deel van mijn bewustzijn viel weg." Hij was negen jaar.

Toen ik Eric Olson in 1974 leerde kennen, werkten we allebei in Harvard aan een doctoraalscriptie. Ik studeerde geschiedenis, hij klinische psychologie. Ik vond hem sympathiek vanwege zijn maniakale lachje - het ene ogenblik was hij in zijn lijzige zuiderse accent iets ingewikkelds aan het uitleggen, het volgende straalde zijn gezicht in een grijns met scheve tanden en daverde hij van het lachen. Het was een aanstekelijke lach maar ook een verontrustend trekje, want soms lachte Eric met dingen die helemaal niet grappig waren.

Hij specialiseerde zich in de hulpverlening aan mensen die aan een trauma leden. Samen met psychiater Robert Jay Lifton was hij naar Man, West Virginia geweest, om er de overlevenden te interviewen van een ramp waarin 125 mensen waren gestorven en 4000 dakloos waren geworden, nadat een dam was gebroken en een muur van zwart water vol steenkoolafval Buffalo Creek had overspoeld. Ik herinner me dat Eric in zijn appartementje in Cambridge uren praatte over een techniek die hij had ontwikkeld om de mensen van Buffalo Creek te helpen. Hij noemde het de "collagemethode", en het kwam erop neer dat de patiënten collages maakten van knipsels uit kranten en tijdschriften. Eerst leek het me kinderachtig, maar Eric vertelde dat het maken van collages op een vreemde manier bevredigend was voor mensen die hun leven aan gruizelementen hadden zien vallen. Na vijfenzeventig jaar psychoanalyse was dit eindelijk een therapie die niet op woorden maar op beelden gebaseerd was. Eric had de techniek ontdekt toen hij en een vriendin op een avond stoned waren en foto's uit tijdschriften begonnen te knippen en op te plakken. Toen hij klaar was met zijn collage, was het centrale beeld een korrelige foto van een man die uit een raam viel...

Op 11 juni 1975 meldde de krant The Washington Post dat een onderzoekscommissie onder voorzitterschap van vice-president Nelson Rockefeller onthuld had dat "een burger die voor het leger werkte zonder het te weten LSD had genomen, als onderdeel van een experiment van de CIA". De man was in New York uit een hotelvenster gesprongen. Het rapport van de onderzoekscommissie vermeldde in een voetnoot: "Er bestaan aanwijzingen dat de persoon een voorgeschiedenis van emotionele labiliteit had."

Lisa, Erics zuster, ging na het verschijnen van dat artikel met Vincent Ruwet praten, de vroegere baas van haar vader in Fort Detrick. Ruwet was een huisvriend van de Olsons geworden. Toen Lisa Olson hem met het bericht confronteerde, deed hij eerst ontwijkend, maar uiteindelijk gaf hij toe dat de man in kwestie Frank Olson was en dat hijzelf al die jaren op de hoogte was geweest. De Olsons hadden dus tweeëntwintig jaar te midden van leugens geleefd: Franks collega's en hun gezinnen hadden de waarheid voor hen verborgen gehouden. Het zwijgen had ook binnen het gezin schade aangericht. Alice had nooit over Franks dood willen praten en was in de loop der jaren aan de drank geraakt. Ruwet was er altijd om haar gezelschap te houden. Later bleek dat hij van de directeur van de CIA, Allen Dulles, opdracht had gekregen om contact met haar te houden. De onthullingen in The Washington Post veranderden alles voor de Olsons. Ze deden hun verhaal in exclusiviteit aan Seymour Hersh van de New York Times. Toen Hersh hun huis in Frederick binnenkwam, waren zijn eerste woorden: "Dit moet het minst nieuwsgierige gezin van de Verenigde Staten zijn. Ik vind het ongelooflijk dat jullie dat verhaal tweeëntwintig jaar lang hebben geslikt." Later maakte de familie tijdens een persconferentie bekend dat ze de overheid wegens doodslag zou aanklagen. Ze wilden dat "Amerika hun vader nooit zou vergeten". De persconferentie had onmiddellijk resultaat. Op 21 juli 1975 werden Alice, Eric, Nils, Lisa en Lisa's echtgenoot, Greg Hayward, uitgenodigd in het Witte huis. In het Oval Office deelde president Gerald Ford hen "het medeleven van het Amerikaanse volk mee" en verontschuldigde hij zich "in naam van de regering van de Verenigde Staten". Er bestaat een foto van Alice die de hand van de president schudt. Haar gezicht straalt. De catharsis was echter van korte duur. De ontmoeting met de president was in zeventien minuten voorbij.

Ongeveer een week later ontmoetten Eric, Lisa, Nils en twee advocaten de directeur van de juridische dienst van de CIA, William Colby, in het hoofdkwartier van het agentschap in Langley, Virginia. In zijn memoires herinnerde Colby zich de lunch als "een van de moeilijkste opdrachten die ik ooit heb gehad". Op het einde van de maaltijd overhandigde hij de familie een tweeënhalve centimeter dik dossier met documenten over de dood van Frank Olson. Wat Colby niet vertelde - en pas onthulde toen hij amper drie jaar later zijn memoires publiceerde - was dat Frank Olson niet zomaar een geleerde was die voor het leger werkte. Hij was in vaste dienst bij de CIA.

Colby's documenten waren fotokopieën van het dossier dat het agentschap tijdens een intern onderzoek naar Olsons dood had aangelegd. Ze leken op de collages van Eric: een geredigeerde warboel van fragmenten, vol onverklaarde termen als 'project Artichoke' en 'project Bluebird'. De twee projecten bleken voorlopers te zijn van wat bekend werd als MK-ULTRA, een project dat de CIA tijdens de Koreaanse oorlog begon om de toepassing te onderzoeken van drugs als LSD, waarheidsserum, botulisme en antrax, voor gebruik in clandestiene moorden.

Volgens de documenten had Sidney Gottlieb, een CIA-medewerker, op 19 november 1953 ongemerkt een dosis LSD in Olsons glas Cointreau gedaan. Dat gebeurde tijdens een vergadering van onderzoekers van de CIA en Fort Detrick in Deep Creek Lodge, Maryland. Na twintig minuten vertoonde Olson milde symptomen van verwarring. Hij kreeg toen te horen dat er met zijn drankje geknoeid was. De volgende dag keerde Olson vroeg naar huis terug. Hij bracht het weekend door in een stemming die Alice zich herinnerde als stil maar zeker niet psychotisch. Hij zei voortdurend dat hij een verschrikkelijke vergissing had gemaakt, maar wou niet zeggen wat hij precies bedoelde.

Die zondag gingen ze naar een film over Maarten Luther kijken. Het hoogtepunt was de gewetenscrisis van Luther - "Hier sta ik, ik kan niet anders" - en zijn besluit om de machtige katholieke Kerk aan te pakken. De volgende dag stapte Frank Olson naar het kantoor van Vincent Ruwet, zijn baas, en bood hij zijn ontslag aan. Ruwet zei dat hij niet zo hard van stapel moest lopen. Alice herinnert zich dat haar man met een ethisch dilemma worstelde, maar Ruwet zag het anders: hij vertelde de onderzoekers van de CIA dat Olson "erg overstuur" leek en "helemaal in de war" was.

Ruwet en Robert Lashbrook, een verbindingsofficier van de CIA in Fort Detrick, vertrokken met Olson naar New York, zogezegd om hem psychiatrisch te laten onderzoeken. Ze brachten hem echter niet naar een psychiater maar naar een allergiespecialist, Harold Abramson, die voor rekening van de CIA experimenten met LSD uitvoerde. Bij wijze van therapie schreef Abramson Olson Nembutal en bourbon voor - dan zou hij kunnen slapen. Vervolgens namen Ruwet en Lashbrook hun patiënt mee naar John Mulholland, een illusionist die eveneens op de loonlijst van de CIA stond. Het is mogelijk dat Mulholland probeerde Olson te hypnotiseren. Ruwet vertelde de onderzoekers van de CIA dat Olson bij Mulholland erg opgewonden was geworden. "Wat zit hier achter?" vroeg hij voortdurend aan zijn vriend Ruwet. "Zeg wat er aan de hand is. Wat proberen ze met mij te doen? Denken ze dat ik niet meer te vertrouwen ben?" Hij zei tegen Lashbrook dat "iedereen in een complot zit om mij te pakken". Hij smeekte hem: "Laat me alsjeblieft gewoon verdwijnen."

Volgens de documenten die Colby aan de familie gaf, doolde Olson, compleet overstuur, die nacht door de straten van New York. Hij verloor zijn portefeuille en identiteitsbewijzen. Hij zei dat hij zich te erg schaamde om zijn vrouw en kinderen onder ogen te komen. Het was Thanksgiving, het familiefeest bij uitstek, maar die avond aten hij en Lashbrook uit een automaat. Nog steeds volgens het verhaal van de CIA beslisten Olsons begeleiders de volgende dag dat ze Olson moesten laten opnemen. Toen hij 's avonds echter met Alice belde, zei hij dat hij "zich veel beter voelde" en ernaar uitkeek haar de volgende dag terug te zien. De nacht brachten ze door in kamer 1018A. Lashbrook nam het bed bij de deur. Olson leek kalm. Hij waste zijn sokken en ondergoed en ging naar bed. Vier uur later vond Armand Pastore hem op zijn rug op Seventh Avenue.

De directeur van de juridische dienst van de CIA, die in 1953 onmiddellijk was opgeroepen om de dood van Olson te onderzoeken, merkte op dat het officiële verhaal - een door LSD uitgelokte zelfmoord - niet overeenkwam met de feiten. Hij beval tuchtmaatregelen aan tegen Gottlieb en Lashbrook, maar de directeur van de CIA, Allen Dulles, hield het bij een milde vermaning. Lashbrook nam kort na de feiten ontslag, maar Gottlieb bekleedde nog twintig jaar hoge functies. Hij vertelde de interne onderzoekers dat Olsons dood "een normaal risico van een wetenschappelijk experiment" was. De experimenten met LSD eindigden niet met Olsons dood maar zouden nog twintig jaar worden voortgezet.

De documenten van Colby brachten de familie in verwarring. De Olsons geloofden niet langer dat Franks dood een gewone zelfmoord was, maar wisten niet wat ze dan wel moesten geloven. Een foto in People Magazine van juli 1975 toont hen in de woonkamer van het huis in Frederick. De gezichten zijn ernstig. Ze kijken elkaar niet aan.

In 1976, na onderhandelingen waarin ze afzagen van hun recht op burgerlijke of criminele vervolging van de regering, ontving de familie alles bij mekaar 750.000 dollar, een half miljoen minder dan aanvankelijk was aanbevolen door het Witte Huis en zelfs door de CIA. Het geld bracht geen geluk. Erics zuster wou haar aandeel in een zagerij in de Adirondacks investeren. Toen ze er met haar echtgenoot en hun zoontje van twee, Jonathan, naartoe vloog, stortte hun vliegtuigje neer en kwamen alle inzittenden om.

Na de dood van Lisa vertrok Eric met zijn deel van het geld naar Zweden. Hij wou ontsnappen aan het vervloekte verhaal. In Stockholm las hij veel en zocht hij verbanden tussen zijn op de collage gebaseerde ruimtelijke theorieën over de geest, en de linguïstische beschrijvingen van mentale processen. Hij kreeg op zijn beurt een zoon, Stephan, van een vrouw met wie hij nooit trouwde. Maar de dood van zijn vader liet hem niet los. In 1984 keerde hij terug naar de Verenigde Staten, vastberaden om de waarheid eens voor altijd aan het licht te brengen.

Eric ging naar New York. Eric nam een kamer in het Statler. Kamer 1018A. Hij herinnert zich die vreemde nacht als een revelatie. "Het drong tot me door", zegt hij. De kamer was gewoon te klein opdat zijn vader genoeg aanloop had kunnen nemen om rennend door het raam te springen. De vensteropening was te hoog en te diep - er stond een radiator voor - om in het donker door een gesloten raam en een neergelaten rolgordijn te kunnen duiken.

Samen met Nils en Alice, die inmiddels van de drank af was, spoorde Eric Sidney Gottlieb op in Culpeper, Virginia. De gepensioneerde spion kweekte er geiten, at yoghurt en predikte vrede en ecologie. Hij ontving zijn bezoekers vriendelijk maar maakte hen niets wijzer. "Een heel bijzondere man", herinnert Eric zich. "Een verstand van wereldklasse." Ze kwamen ook Lashbrook op het spoor, die in Ojai, Californië, woonde. Hij herhaalde zenuwachtig zijn versie van wat er in kamer 1018A was gebeurd - hoe een klap hem had gewekt, hij een gebroken venster had gezien en een leeg bed, en begrepen had dat Frank Olson zich had gezelfmoord. Na die ontmoetingen besefte Eric dat hij tegenover een samenzwering van de stilte stond. Een samenzwering waarvan zijn vader ooit zelf lid geweest was. Een samenzwering van mensen die in het diepste geheim angstaanjagend onderzoek deden.

Frank Olson bleek gespecialiseerd te zijn in aërosols voor de toediening van antrax. Na de ontdekking in de jaren vijftig dat de Noord-Koreanen Amerikaanse krijgsgevangenen hersenspoelden, werd Fort Detrick het centrum voor het onderzoek naar drugs die men bij hersenspoelingen en ondervragingen kon gebruiken (LSD bleek erg geschikt te zijn voor ondervragingen). Alice Olson was nooit echt op de hoogte van Franks werk, maar herinnert zich wel dat er op apen werd geëxperimenteerd, en dat haar man erg gespannen thuiskwam als er dieren waren doodgegaan.

Uit de stempels in Frank Olsons paspoort bleek dat hij in de zomer van 1953 Zweden, Duitsland en Groot-Brittannië had bezocht. De reis leverde een kritieke aanwijzing op over zijn geestestoestand in de maanden voor zijn dood. Via Gordon Thomas, een Brits journalist die verscheidene boeken over inlichtingendiensten heeft geschreven, ontdekte Eric dat zijn vader tijdens een reis naar Londen een zekere William Sargant in vertrouwen had genomen. Sargant was een psychiater die de Britse inlichtingendienst over technieken voor hersenspoeling adviseerde.

Volgens Thomas, een oude vriend van Sargant, vertelde Olson aan Sargant dat hij in de omgeving van Frankfurt geheime test- en onderzoeksinstallaties van de Amerikanen en de Britten had bezocht. Thomas veronderstelt dat de CIA daar ondervragings- en waarheidsserums testte, niet op apen maar op mensen, "te verwaarlozen personen", zoals gevangen Russische agenten en gewezen nazi's. Volgens Thomas bekende Olson aan Sargant dat hij iets vreselijks had meegemaakt, misschien een "terminaal experiment" op één of meer "te verwaarlozen personen". Sargant luisterde naar Olson en rapporteerde vervolgens aan de Britse inlichtingendienst dat de jonge Amerikaanse geleerde een veiligheidsrisico was. Hij raadde aan om Olson de toegang te ontzeggen tot Porton Down, het Britse onderzoekscentrum voor chemische wapens. Later las Eric een document uit het persoonlijke dossier van zijn vader waaruit bleek dat er kort voor zijn dood inderdaad twijfels bestonden over Olsons betrouwbaarheid. Alice Olson, die niet wist wat er tijdens Franks reis was gebeurd, merkte dat hij na zijn terugkeer uit Europa erg in zichzelf gekeerd was. Olson, van opleiding een wetenschapper, moet geweten hebben dat hij voor een regering werkte die in Nürnberg nazigeleerden had veroordeeld wegens immorele experimenten op mensen. In de nazomer van 1953 was hij volgens zijn zoon een naïeve Amerikaanse patriot die geconfronteerd werd met de mogelijkheid dat zijn eigen regering hetzelfde deed. Als de CIA in Duitsland inderdaad met "te verwaarlozen personen" experimenteerde en als Olson daarvan op de hoogte was, redeneert Eric, zou het niet volstaan hem in een instelling op te nemen, hem met leugens over zijn mentale toestand in diskrediet te brengen en daarna naar het burgerleven te laten terugkeren. Het zou beter uitkomen hem uit te schakelen en het op een zelfmoord te doen lijken. Dat was de waarheid waarin Eric begon te geloven, de waarheid die verborgen ging achter de collage van de Colby-documenten.

Als Eric gelijk heeft, was de LSD in Olsons Cointreau geen uit de hand gelopen experiment. Het was de bedoeling hem aan de praat te krijgen terwijl hij hallucineerde. De reis naar New York diende niet om zijn beginnende psychose te genezen. Ze diende om te beoordelen welk risico hij vormde en hem indien nodig te liquideren. Het idee om een gestoorde, misschien radeloze man onder te brengen in een hotelkamer op een tiende verdieping, was geen trieste beoordelingsfout. Het was het voorspel van een moord. Misschien had Frank Olson begrepen wat hem te wachten stond. Het maakte zijn laatste woorden begrijpelijk: "Laat me alsjeblieft gewoon verdwijnen." Het was een kreet om hulp geweest.

In 1997, nadat de CIA per ongeluk een moordhandleiding had vrijgegeven, kon Eric Olson het volgende lezen: "Het efficiëntste ongeval, bij een eenvoudige moord, is een val van 25 meter of meer op een hard vlak. Liftkokers, trappenhuizen, onafgeschermde vensters en bruggen zijn geschikt... De daad kan worden uitgevoerd door een krachtige, plotselinge [...] aan de enkels, zodat de persoon over de rand valt." De handleiding raadde ook een klap op de slaap aan om de persoon eerst te verdoven: "Bij een achtervolging zal het meestal nodig zijn de persoon eerst te verdoven of met drugs te bedwelmen voor men hem naar beneden gooit."

Toen hij aan de keukentafel in Frederick die passage las, besefte Eric dat het woord waar hij heel zijn leven naar op zoek geweest was, niet 'gevallen' of 'gesprongen' was, maar 'gegooid'. Eindelijk drong de waarheid tot hem door, en eindelijk werd de dood van zijn vader reëel.

Door de familie Olson het ultieme Amerikaanse sacrament van de genezing te geven - een formele verontschuldiging van de president in het Oval Office - had de CIA impliciet bekend dat ze een fout had gemaakt. Nu bleek die bekentenis een cynische leugen te zijn. Ze had de CIA de kans gegeven om een volmaakte moord voorgoed weg te moffelen.

Een pijnlijke waarheid geloven is nog niet hetzelfde als ze bewijzen. In 1994 liet Eric het lijk van zijn vader opgraven. Bij de begrafenis in 1953 was de kist gesloten, omdat de familie te horen had gekregen dat het lijk verminkt was en het gezicht vol snijwonden van gebroken glas zat. In werkelijkheid bleek het lichaam gebalsemd te zijn en verkeerde het in vrijwel perfecte staat.

Eric keek naar een gezicht dat hij eenenveertig jaar voordien voor het laatst had gezien. Er waren geen snijwonden van glas. Tijdens het onderzoek ontdekte het forensische team, geleid door James Starrs van de George Washington University, sporen van een klap op Olsons linkerslaap die een vuistgrote bloeding onder de voor het overige ongeschonden huid had veroorzaakt. Volgens de pathologen kon het letsel niet ontstaan zijn na de val uit het raam, omdat de snelheid dan een ernstiger trauma veroorzaakt zou hebben. Een van de leden van het team dacht dat Frank Olsons hoofd misschien de vensterbank had geraakt, maar Starrs en de anderen waren ervan overtuigd dat het letsel vóór de val ontstaan was. Dit bracht zowel Starr als Eric tot de conclusie dat iemand Olson bewusteloos had geslagen - terwijl hij sliep of tijdens een worsteling - en vervolgens uit het venster had gegooid.

Sinds de autopsie is Eric op zoek naar de moordenaar of moordenaars van zijn vader. H.P. Albarelli, een schrijver en speurder met contacten bij gepensioneerde CIA-agenten in Florida, heeft getuigen opgespoord die zeggen dat ze de identiteit kennen van twee mannen die naar kamer 1018A waren gegaan, vermoedelijk om Olson uit het venster te gooien. Het waren, zeggen ze, geen mensen van de CIA, maar huurmoordenaars die banden hadden met de maffiafamilie van Traficante en die soms klussen opknapten voor de CIA. Albarelli's tipgevers kunnen echter niet officieel getuigen, aangezien ze als gewezen CIA-agenten gebonden blijven aan hun geheimhoudingsplicht. Ze kunnen alleen praten als dat van het agentschap mag.

In 1996 nam Eric contact op met de District Attorney (D.A.) van Manhattan, Robert Morgenthau, om hem te vragen een nieuw onderzoek naar de dood van zijn vader te openen. Het gerecht heeft in Ojai met Lashbrook gepraat. Enkele van de honderden sporen die Olson heeft ontdekt, zijn onderzocht. De D.A. is bereid om Albarelli's bronnen in Florida immuniteit te verlenen, maar heeft niets ondernomen om hun geheimhoudingsplicht te laten opheffen. Er zijn geen rechercheurs naar Florida gestuurd om met hen te praten.

Als de D.A. van Manhattan het dossier te zwak vindt om aan een Grand Jury voor te leggen, zullen Eric en zijn advocaat, Harry Huge, een burgerlijk proces moeten aanspannen, met het argument dat de CIA in 1976 leugens heeft gebruikt om de familie te doen beloven dat ze niet zou procederen. Maar de forensische bewijzen waarover hij beschikt, zullen misschien niet volstaan. Zonder een veroordeling geen schuldige, zonder schuldige geen genezing.

Vorige herfst zocht ik Eric op in Frederick. Het huis staat er verwaarloosd bij, alsof er in al die jaren niets aan is gedaan. Binnen lijkt het alsof alles nog hetzelfde is als bijna vijftig jaar geleden, toen Frank Olson stierf. De tapijten, de banken, een stoffig potje vaseline in de badkamer - er is niet aan het decor geraakt.

Eric heeft zijn collagetherapie een poosje op de waakvlam gezet. De dikke plakboeken vol collages van patiënten liggen ergens opgeslagen in een magazijn. In zijn huis slingeren manuscripten rond van een boek over de collages, en manuscripten van een boek over de geschiedenis van zijn vader. Hij kan het niet afwerken, want het verhaal is niet voorbij. Eric leeft van onderzoeksbeurzen, voorschotten op boeken en het geld dat zijn broer en anderen hem toestoppen. Hij praat met journalisten, probeert de D.A. van Manhattan te overtuigen, bestookt iedereen met een onophoudelijke stroom van e-mails en telefoontjes. Zijn werkkamer grenst aan de woonkamer, waar hij hoorde dat zijn vader "gevallen was of had gesprongen". Zijn vaste overtuiging dat zijn vader geen van beide heeft gedaan, geeft hem geen troost. Zijn geschiedenis doet denken aan de gevleugelde woorden 'de waarheid maakt vrij'. Toevallig is precies die spreuk in een muur van de inkomhal van het CIA-hoofdkwartier gebeiteld.

Eric weet dat zijn beschuldigingen hem verdacht maken, dat mensen denken dat hij gestoord is, gedreven wordt door woede, verdriet, paranoia of hebzucht. "Ze hebben misschien gelijk", zegt hij, en hij giechelt maniakaal. "Maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat", zijn ogen worden koud en meedogenloos, "waar het om gaat, is wat in die hotelkamer is gebeurd."

Voor ik vertrek, gaan we naar het kerkhof kijken, waar zijn moeder, zijn zuster, zijn zwager en hun kind begraven liggen. De plaats waar hij zijn vader wil begraven. Wanneer? Hij denkt even na. "Wanneer we weten wat we moeten zeggen", antwoordt hij ten slotte, terwijl hij naar het lege stuk gras naast het graf van zijn moeder kijkt. "Wanneer het voorbij is. Wanneer we het kunnen doen zoals het hoort."

'Toen ik hoorde dat mijn vader uit een venster was gevallen en dood was, leek het alsof ergens in mijn brein een stekker uitgetrokken werd. Een vitaal deel van mijn bewustzijn viel weg' Op 21 juli 1975 werden Alice, Eric, Nils, Lisa en Lisa's echtgenoot, Greg Hayward, uitgenodigd in het Oval Office, waar president Gerald Ford zich 'in naam van de regering van de Verenigde Staten' verontschuldigde Frank, Alice, Eric en Lisa Olson . © RV

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234