Maandag 26/10/2020

Wapens, papavers en muziek

Op bezoek bij de Colombiaanse Farc, de oudste guerrilla ter wereld

'Vergiftigde waterbronnen, hoofdpijn en zere ogen bij de arme cocaboeren', klaagt guerrilla- commandant Gerónimo. Het mee door de VS gefinancierde Plan Colombia, dat met militaire middelen de cocateelt wil uitroeien en zo de vermeende financieringsbron van de guerrilla droog wil leggen, is een ramp. Na veertig jaar oorlog zullen ook dure onkruidverdelgers geen vrede brengen in Colombia.

Lode Delputte

Bij de oudste guerrilla ter wereld komen doe je niet zomaar. Het is een behendig over het Andes-gebergte laverende Ramón die ons er in zijn Cessna heenbrengt, een type dat graag door de drugskartels gebruikt wordt omdat het in één ruk van Colombia naar de Verenigde Staten vliegt, het land van de klant. Meer nog, dit eigenste toestel is op de maffia buitgemaakt toen het een keer klaarstond om een verse vracht cocaïne naar de gringo's te brengen. Ramón moet er nog steeds om lachen: "Door de staat in beslag genomen, daarna gerecycled."

En Ramón, niet bang dat de luchtafweer ook jou vroeg of laat voor een drugskoerier neemt? Of dat de guerrilla ook jou, zoals in Colombia wel eerder voorviel, per vergissing neerhaalt? "Hoe zou ik?", wuift hij de vraag weg, terwijl hij aan een schakelaar friemelt. "Hier toeren de Cessna's bij honderden door de lucht, je moet al brute pech hebben. En trouwens, in Colombia heerst al veertig jaar oorlog. We kennen onderhand de do's en don'ts wel."

Onze vliegreis naar de marxistische Farc ('Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia') leidt over diepe dalen met steile wanden, over geheimzinnige rotspartijen en grillige cañons, over door erosie en branden geteisterde wouden en sierlijk aangelegde terrassen vol koffiestruiken. Naar de door de Amerikaanse War on Drugs en het Plan Colombia zo belaagde coca- of papaverplantages die de guerrilla in Zuidwest-Colombia zou runnen, is het zoeken als naar een naald in een hooiberg. En oorlogsfronten zijn er al helemaal niet te zien. "Alsof je er als toerist even boven kunt gaan scheren!", roept Ramón. "Ben je gek, man?"

En toch. Als we over een van metershoge antennes en radars voorzien bouwsel sputteren, keert de werkelijkheid abrupt terug. Het blijkt om een door de Farc op het regeringsleger veroverde zendpost te gaan. In de buurt staat een met witte keien op de bergflank gevormde slogan te lezen: "Farc. La Fuerza Disponible". Farc, de beschikbare kracht. "Allemaal onder hun controle", wijst Ramón naar beneden. "Hier deelt comandante Gerónimo de lakens uit, niet president Pastrana."

Luttele minuten nadat we hoogte en vaart zijn gaan minderen, komt pal onder ons, door hoge bergen omringd, een klein dorp tevoorschijn, Planadas, gelegen in het strategisch belangrijke departement Tolima, een paar honderd kilometer ten zuidwesten van Bogotá. (Een paard dat ongevraagd midden op de landingsstrip is gaan staan, noopt Ramón tot een rondje wachten. Pas als het dier door zijn vermoedelijke eigenaar is weggehaald, kan onze piloot de Cessna veilig aan de grond zetten.)

Kleine verrassing: bij het uitstappen zijn het geen guerrillero's die onze namen komen registreren, maar tot de tanden gewapende, met blitse oorlogssnufjes uitgeruste agenten van de Colombiaanse militaire politie. "Gespannen, erg gespannen", evalueert een van de jongens de militaire toestand. De angst staat in zijn ogen te lezen, en hij kijkt grimmig. "De boel kan hier elk ogenblik ontploffen."

"Ach, het valt wel mee", relativeert de dorpsbewoner die ons even later met een jeep naar de Farc-basis belooft te brengen. De man lijkt goedgeluimd. "Komt er een truck met guerrillero's voorbij, dan kijken de agenten gewoon even de andere kant op. Als ze elkaar al niet doodleuk gedag zeggen. Zo gaat het in Planadas."

In de striemende regen, voorbij een bocht aan de uitgang van het dorp, ontwaren we een nieuw teken van de Farc: een groot bord waarop met rode hoofdletters en enkele krachtige uitroeptekens de Movimiento Bolivariano gepropageerd wordt, de verboden politieke arm van de guerrilla. "El maestro luchando también está educando", staat erop. Ook door te strijden, vervult de leraar een educatieve rol. Planadas lijkt Havana in miniversie wel.

Ideologisch zijn we dan wel in Farc-gebied, we hebben nog steeds niet één guerrillero te zien gekregen. Een halfuur later pas, als we na een hotsebotsende rit langs bergbeken, watervallen en tropische slingerplanten op een steile helling tot stilstand komen, wordt ons geduld beloond. Boven op de heuvel, tussen het weelderige lover, staat een armetierig boerderijtje, kennelijk de plaats van afspraak.

Hoe het komt dat Gerónimo, de leider van een gebied groter dan België, zich in zo'n krot zo ver van de wereld ophoudt? Omdat dit hoe dan ook zijn echte commandocentrum niet kan zijn, hoop en al een schuiloord voor een handvol guerrillero's. Gerónimo is de codenaam van de leider van het zogenaamde Centrale Blok van de Farc. Hij heeft fikse delen van de departementen Tolima en Huila in zijn macht, net als stukken van de Eje Cafetero, de vulkanische en koffierijke as ten westen van het centrale Andes-gebergte."Buenos días señores", groet Gerónimo ons met een stevige handdruk. "Buenos días comandante."

Omdat ze op een politiek gespannen moment kwam - dagen waarin de voortzetting van de zogeheten vredesgesprekken tussen de regering van president Pastrana en de Farc op het spel stond - heeft de ontmoeting tussen de Farc en de Belgische parlementsleden Lode Vanoost (Agalev) en Ferdy Willems (VU), begin september, duivels veel voeten in de aarde gehad. Maar hier staan ze dan. Op uitnodiging van de guerrilla, die haar visie op de slabakkende dialoog uit de doeken wil doen aan enkele politici uit het land dat op dit moment EU-voorzitter is. Met garanties voor zijn persoonlijke veiligheid aanvaardde Vanoost de uitgestoken hand, de Farc duidelijk makend dat zowel Buitenlandse Zaken als de Colombiaanse ambassade in Brussel van het bezoek op de hoogte waren. Willems, net als zijn collega bekend met de situatie in Colombia, vergezelt hem.

Dat van die veiligheid is geen overbodige luxe: de Farc heeft een drieste reputatie en lijkt, als het op mensenrechtenschendingen aankomt, steeds minder te moeten onderdoen voor die andere gewapende acteur in de Colombiaanse oorlog, de extreem-rechtse paramilitaire doodseskaders van het AUC (Autodefensas Unidas de Colombia, die de belangen van grootgrondbezitters en bedrijfsleiders verdedigen). De Farc wordt onder meer beschuldigd van standrechtelijke executies, de verplichte rekrutering van kindsoldaten, het gebruik van gifgas, contacten met het Iers Republikeins Leger en de dreiging om het conflict door middel van terreur naar de Colombiaanse grootsteden te exporteren, de oprichting van concentratiekampen, de ontvoering van buitenlanders, zoals de drie Duitse ngo-medewerkers die zonder plausibele reden al maanden door ze worden vastgehouden en van wie één intussen kon ontsnappen.

Wil dit soort guerrilla nu vrede of niet, vragen de Colombianen zich af. En is behalve de Farc zelf ook maar één Colombiaan gediend met het gedemilitariseerde gebied ter grootte van Nederland dat de guerrilla in 1999 cadeau kreeg? Is het territorium rond het zuidelijke stadje San Vicente del Caguán, dat ten behoeve van de dialoog met Bogotá aan de Farc werd afgestaan, het vredeslaboratorium geworden dat beide partijen voor ogen hadden? Of heeft de Farc het gulle gebaar uit de hoofdstad onder druk van haar eigen radicalen misbruikt, en hebben de guerrillero's zich in 'Farclandia' ingegraven om zich op de totale oorlog voor te bereiden? Is San Vicente, enkele uren ten zuiden van Planadas, in plaats van een revolutionair sociaal-economisch experiment tot drugs- en gevangenisoord verworden? Een plek waar hooguit pro forma nu en dan nog over vrede wordt gepraat en waar geen mens zijn mond nog open durft te doen? Kan een guerrilla die al veertig jaar lang Colombia's verrotte liberaal-conservatieve establishment omver wil gooien en bijna de helft van het territorium controleert, plots de wapens uit handen geven? Valt een oorlog die honderdduizenden mensenlevens kostte en twee miljoen andere op de vlucht dreef, nog wel te stoppen? Het feit is alleszins dat er, op een beperkt aantal economische issues na, hooguit nog over de uitwisseling van gevangenen onderhandeld wordt.

"Luister geïnteresseerd naar wat Gerónimo zegt", had de goede raad van kenners geklonken. "Stel geen vervelende vragen, neem niets op, noteer discreet en praat met niemand anders dan met hem." Niet met de in kaki guerrillero-outfit gestoken jongens en meisjes dus die om het kamp heen lummelen, er in kapotte potten en pannen hun prakje koken, de was doen of wapens klaarhouden voor het geval ze haastig moeten opkrassen of zich een onwaarschijnlijke verrassingsaanval door het leger voordoet.

Een naar schatting 20-jarige guerrillera die sinaasappelsap geperst heeft en ons een glas inschenkt, brengt hooguit een schuchter 'alstublieft' uit. Haar strijdmakker die ons een schotel gegrilde Mojarra-vis komt voorzetten, blijkt al evenmin een spraakwaterval. Zijn deze jongeren met geweld uit hun boerendorpen weggehaald en door de Farc gerekruteerd? Hebben hun haveloze ouders hen hierheen gestuurd omdat de guerrilla zo slecht nog niet betaalt? Of brandt in hun hart het revolutionaire vuur dat veertig jaar geleden ook in Cuba al naar de overwinning leidde? We komen het niet te weten. Hier voert Gerónimo het woord, de rest houdt zijn mond.

Maar het moet gezegd: commandant Gerónimo lijkt een goedschikse kerel, niet bepaald het type dat Bogotá doet sidderen en beven. We schatten hem een jaar of vijfenveertig, hij lacht een mond vol Colgate-tanden bloot, zijn linkerknie zit in het verband, op zijn rechter bovenarm draagt hij het gele Farc-logo met gestileerde kaart van Colombia, op het hoofd heeft hij een zuidwester staan, goed tegen de regen. Voor de rest is Gerónimo van top tot teen met oud wapentuig en munitie behangen, niets wat de vergelijking met de politieagenten van een uur geleden kan doorstaan.

"Hoe zouden we tot vrede kunnen komen als de regering-Pastrana de dialoog met haar Plan Colombia doorkruist?", snoeft Gerónimo als het 7,5 miljard dollar dure, op de tekentafels van het Pentagon totstandgekomen project ter sprake komt. Het internationaal danig omstreden Plan Colombia - de EU weigerde het te steunen - wil de coca- en papaverplantages in het zuiden de verdelging insproeien en in één ruk door korte metten maken met de zogenaamde narcocommunisten. Volgens Washington hebben die de Farc tot een winstgevend drugskartel vertimmerd. Het Plan Colombia slaat dan ook twee vliegen in één klap: én de drugs, en de commies die er rijk van worden.

"Eén groot trauma", noemt Gerónimo de strategie. "Vergiftigde waterbronnen, de natuur die eraan gaat, hoofdpijn, jeuk en zere ogen bij de boeren, dikke winsten voor de Amerikaanse multinational Monsanto die hier tienduizenden liters van het erg giftige glyfosfaat (het in Europa verboden Roundup, LD) sproeit, kassa kassa ook voor de geprivatiseerde onderdelen van het Amerikaanse leger die voor de sprayoperatie instaan (het omstreden bedrijf Dyncorp met name, wiens vliegtuigen in de lucht door Amerikaanse Black Hawk-helikopters, op de grond door Colombiaanse drugsbestrijdingsbataljons beschermd worden, LD).

"Hier in Planadas hebben we geen cocaplantages maar papaver", licht hij toe. "Maar het probleem is hetzelfde. Sinds de tweede helft van de jaren tachtig kunnen de boeren alleen daarmee nog overleven. Helaas, door Bogotá en Washington worden ze als drugstrafikanten beschouwd, de boeren worden helemaal gecriminaliseerd, de herverdeling van de grond en de landbouwhervorming waardoor ze anders en beter aan de bak zouden kunnen komen, worden ondanks mooie woorden almaar uitgesteld."

Gerónimo's betoog houdt steek, en heeft, toegegeven, meer dan zuivere propaganda om het lijf. "Wat de Farc tot stand wil brengen", zegt hij, "is de stapsgewijze herinvoering van normale landbouwgewassen. Ervoor zorgen dat de zeer hoge intresten op leningen voor pakweg de maïsteelt naar beneden gehaald worden, dat de opkopers van weleer hier weer heen willen komen, in plaats van de drugskartels. We eisen dat er een degelijk beleid voor vervangingsteelten komt, dat Bogotá met centen over de brug komt in plaats van almaar naar de pijpen van het Internationaal Muntfonds te dansen. Dat ze het geld dat ze de hongerende boeren beloofd hebben, daadwerkelijk bij ze laten arriveren, in plaats van het aan de eigen handen te laten kleven."

Maar euh... verdient de Farc nu écht zo goed aan de drugs? "Op elke economische activiteit heffen we revolutionaire belasting", zegt Gerónimo laconiek. Een antwoord dat ook Claus Nyholm, de baas van het erg belangrijke Colombiaanse bureau van het Antidrugsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), aannemelijk zou vinden. Uit het gesprek dat we dagen eerder in zijn gesofistikeerde bunker in Bogotá met hem hadden, bleek hoezeer ook Nyholm het militaire onderdeel van het Plan Colombia verwerpt en het concept 'narcoguerrilla' onzin vindt. Hoewel: "Ze zijn nog geen kartel, maar als er niet snel vrede komt, dan worden ze het", vreest Nyholm. "De guerrilla háát de drugskartels en zij haten de guerrilla. Maar hoelang nog? Ze maken steeds vaker van elkaar gebruik."

Vanoost en Willems zitten op een wankel bankje, luisteren aandachtig naar de commandant, knikken, stellen vragen, geven hun mening en maken opmerkingen. Ook zij veroordelen de strategie die achter het Plan Colombia schuilgaat, ook zij zijn voorstanders van de milieuvriendelijke manuele uitroeiing van papaverplanten waar commandant Gerónimo voor pleit, ook zij vinden dat de sociaal-economische ontwrichting die het neoliberalisme in Colombia heeft veroorzaakt, ongehoord is. Het is waanzin dat de boeren van een vruchtbaar land als Colombia hun voedingsgewassen aan de straatstenen niet meer kwijtraken, terwijl de republiek sinds het begin van de jaren negentig liefst vijftien keer meer duur voedsel is gaan importeren.

"Natuurlijk moet die toestand aangepakt worden", zegt Vanoost met herhaalde nadruk. "Maar niet met wapens, door te praten." De Belgische parlementsleden weiden uit over hoe ons land, dat in de negentiende eeuw evenveel sociaal onrecht kende als Colombia nu en in de bloedige twintigste eeuw liefst twee wereldoorlogen over zich heen kreeg, het politieke compromis tot levenskunst verhief, en hoe België mee daardoor uit het dal van de sociale ongelijkheid wist te klimmen - althans naar Latijns-Amerikaanse maatstaven.

Als Ferdy Willems zegt dat er in de Belgische regering zowel liberalen, groenen als federalisten zitten, fronst Gerónimo al helemaal de wenkbrauwen. Hij wisselt een veelbetekenende blik uit met Moisés, de kakikleurige 'journalist' van de revolutionaire radiozender Voz de la Resistencia. Moisés is er pas komen bijzitten en hoopt de Belgische delegatie voor een radiopraatje te strikken. Vreemd land, zie je hem denken over België. In Colombia, waar compromis en politieke nederlaag sinds jaar en dag synoniem zijn, gaat het wel even anders toe, en is alleen de totale overwinning goed genoeg.

Er wordt gegeten, gedronken, bij gebrek aan toilet tegen de bomen geplast, gefotografeerd. Gerónimo prutst aan de kalasjnikov die hij ongecomplexeerd op tafel heeft gelegd, tussen de borden. Ook dat is internationale politiek. Gewoon doen om vertrouwen te scheppen. Zo ongeveer stellen we ons het begin van het Colombiaanse vredesproces voor, toen president Pastrana in jeans en T-shirt met Farc-leider Marulanda ging praten, pardoes onder een oud afdak ergens in San Vicente.

Terwijl Vanoost met de commandant de tuin inwandelt, praat Willems met Moisés. Met zijn vaste stem en pientere blik is de Farc-journalist, ergens vooraan de dertig, uit het goede ideologische hout gesneden, en zijn vragen zijn ernaar. "Wie van jullie is het meest links?" Waarop Willems repliceert dat dit soort kwesties bij ons niet langer aan de orde is en we het maar beter over de waanzin van het Colombiaanse oorlogsgeweld kunnen hebben, de mensenrechtenschendingen, de ontvoeringen.

Moisés ként de slechte reputatie van de Farc. Maar rijkelui ontvoeren? Doen ze niet, hooguit heffen ze belasting en zetten ze degenen die hun plicht niet nakomen onder druk. "We hebben revolutionaire wetten opgesteld en handelen ernaar." De mensenrechten schenden? "We zitten nu eenmaal in een dynamiek van oorlog."

Getuigenissen over door de Farc gekidnapte regeringssoldaten die tot aan hun schouders in de grond worden begraven met bommen naast zich die ontploffen bij de geringste ontsnappingspoging, doet Moisés als Bogotaanse propaganda af. Net als het voorval met de onfortuinlijke Elvira, een volksvrouw die vorig jaar de wereldpers haalde toen ze een onverwijderbaar en later tot ontploffing gekomen halssnoer kreeg omgehangen, een gruweldaad waarvoor deze guerrilla verantwoordelijk is gesteld. "Alsof we zoiets zouden doen", schudt de journalist verongelijkt het hoofd. Nee, niet hij, geen lui als Moisés, verzekeren we hem, maar elementen binnen de vele losse fronten die van de Farc een even mobiel als weinig gestructureerd Vietcong-apparaat maken, waarom niet?

De replieken doen voorgekauwd aan, eruitkomen doen we niet. "Maar de internationale gemeenschap", vraagt Vanoost in de aanloop naar het afscheid, "kan die hier niet een rol spelen? De VN?" "Ik heb alle respect voor de VN", zweert Gerónimo, terwijl hij aan zijn zoveelste sinaasappelsap nipt, "maar ze lijken me meer en meer een instrument in handen van de Navo te zijn geworden. Hoe kunnen de VN hun eigen neutraliteit waarborgen als Washington en Londen er de plak boven zwaaien? En hoe kan er dan objectief met ons samengewerkt worden?" Hij klemt de lippen op elkaar en haalt veelbetekenend de schouders op. Alleen in de Europese Unie, die het Plan Colombia veroordeelde, lijkt Gerónimo nog een kans voor internatonale bemiddeling te zien. "Maar het is en blijft aan Bogotá om eindelijk maar eens serieuze issues op de agenda te zetten."

We schudden comandante Gerónimo de hand en danken hem voor het middagmaal. Moisés heeft zich even achter zijn donkerrode pick-up zonder nummerplaat verstopt. "Ik kleed me om om naar het dorp te gaan", roept hij terwijl hij een roze T-shirt aantrekt, "ik ga liever in burger. Dan loop ik minder in de kijker."

"(...) en ook onze zonen bij de guerrilla zijn Colombianen!" Stormachtig applaus, gejuich in de dorpszaal van het nabij Planadas gelegen Gaitania. De razend populaire gouverneur van het departement Tolima, dokter Guillermo Alfonso Jaramillo, heeft het dorp eens te meer op zijn hand gekregen. Geheel volgens de regels van de redenaarskunst heeft hij zijn pluim op de hoed van de guerrilla voor het slot bewaard. Want alleen met de guerrilla kun je in Gaitania in schoonheid eindigen. Jammer voor de zwaarbewapende agenten bij de ingang, zij behoren de centrale regering toe en staan er een beetje beteuterd bij.

In de aanloop naar zijn triomfantelijke slotzin had Jaramillo - jeans, windjak en sportpetje - nochtans voor enige suspens gezorgd, voor zenuwachtig geschuifel op de stoelen, voor bizarre stilte zelfs. Dat de gouverneur de soldaten van het regeringsleger mensen noemt, daar kon zijn gehoor nog wel mee leven. Maar de paramilitairen van het AUC? In Gaitania, met zijn vele anti-imperialistische en marxistische slogans op de dorpsmuren, breekt het koude zweet de boeren uit als ze nog maar aan het AUC denken. Hoe kan een politicus wiens eigen leven door dat schorremorrie wordt bedreigd - de gouverneur kan nauwelijks buiten zijn gepantserde auto en lijfwachten om - het aan zijn hart laten komen dat er ook in extreem-rechtse, paramilitaire rangen wordt gesneuveld? Voor Jaramillo zelf is het in ieder geval duidelijk: "Ook daar treuren altijd weer een moeder, een broer of een zus om een veel te vroeg gestorven man."

De gouverneur is dan ook vastbesloten: hij is een vriend van de vrede, en vrede zal er komen. In de eerste plaats in zijn verscheurde Tolima. Gaitania, waar leger en guerrilla elkaar tolereren en waar bijna zeker ook de paramilitairen hun pionnen hebben uitgezet, zal tot voorbeeld dienen. "Kijk maar, er zijn belangrijke mensen uit het buitenland voor langs gekomen."

Op het podium in de zaal zitten Willems en Vanoost, "de vice-president van het departement van de republiek België", zoals de parochieherder, een wat stijve man in een tot op de draad versleten witte soutane, de Agalev-Kamerondervoorzitter in zijn welkomstwoord begroet had en tot een redevoering uitnodigde. Dat er reikhalzend naar solidariteit uit het verre Europa uitgekeken wordt, hebben de Belgische parlementsleden al eerder die dag mogen ervaren: toen ze, met het hele dorp in hun kielzog, door fanfare en majorettes door de straten werden geleid, terwijl in uniform gestoken dorpskinderen Colombiaanse en Tolimese vlaggen omhooghielden en zelfbeschreven borden met daarop de tekst "Welkom aan de heren ambassadeurs van België en Honduras".

"De middelen zijn schaars", verontschuldigt een lerares zich voor de vergissing die er geen blijkt te zijn. "We hebben de borden bovengehaald die we enkele maanden geleden al maakten, toen jullie ambassadeur hier enkele ontwikkelingsprojecten kwam bezoeken."

Met de marsmuziek, de plensende regen, het exotische groen en de tientallen kinderen die de buitenlandse gasten een handtekening of wat Belgische franken komen vragen, lijkt Gaitania wel het Macondo van Gabriel García Márquez. Magisch realistisch. Het dorp ligt aan de voet van de meer dan vijfduizend meter hoge vulkaan Nevado del Huila, pal in het gebied waar veertig jaar geleden de Farc geboren werd, niet ver van het sindsdien in het hele land roemruchte plaatsje Marquetalia.

Gaitania is om meerdere redenen een bijzonder dorp: guerrilla en leger gaan er alles welbeschouwd vrij tolerant met elkaar om, een experiment dat de rest van het land tot voorbeeld kan strekken, én het is een centrum van de snelgroeiende papaverteelt, de fraaie klaproos waarvan heroïne en opium gemaakt worden. Niet door de arme boeren- en inheemse Pa'ez-bevolking, wel door de drugslabs in het oerwoud, waar opkopers het spul heenbrengen. Cijfers die de eerder vermelde Nyholm ons meegaf, wijzen op de snelle groei van Colombia als heroïneproducent nu de kaarten van Birma en Afghanistan minder goed liggen.

"Maar de klaproos is níét illegaal!" Gouverneur Jaramillo gesticuleert dat het een aard heeft, terwijl hij druk kinderen over de bol aait en van trotse ouders met ze op de foto moet. "Het gebruik dat de maffia ervan maakt is illegaal. Jullie zijn de criminelen niet, maar zíj! Net zoals deze oorlog jullie oorlog niet is, maar de húnne, die van de Verenigde Staten! De rotzooi waarmee jullie besproeid worden, is Noord-Amerikaans, de klanten die de drugs kopen ook. Dit is een Noord-Amerikaanse oorlog die op ons grondgebied uitgevochten wordt, waar ons volk voor sterft! Nee aan de sprays, leve de manuele uitroeiing. Nee aan het Plan Colombia waarover nooit onze mening is gevraagd, wij willen het Plan Tolima." Applaus van de omstanders.

Het Plan Tolima dus. Jaramillo, steevast door bodyguards omringd, heeft er zijn stokpaardje van gemaakt: zijn departement is anderhalf keer zo groot als België, hij is verkozen voor een ambtstermijn van drie jaar en hoopt in die tijd iets te doen aan de extreme misère waar 15 procent van 'zijn' 1,4 miljoen inwoners in leven, aan de armoede tout court waar nog eens 30 procent van de Tolimezen onder gebukt gaat, aan de zwellende vluchtelingenstromen, aan de onophoudelijke verwoesting van dorpen en steden door het oorlogsgeweld. Met zijn Plan wil Jaramillo eerst vrede op basis van een aantal plaatselijke samenlevingsexperimenten, Gaitania bijvoorbeeld, daarna sociaal-economische voorspoed. Geen buitenlandse legers, geen Roundup ook, niets dat uit het door hem zo verfoeide, want al te centralistisch functionerende 'vice-koninkrijk Bogotá' komt.

Het alternatieve Plan Tolima is uitgedacht in de door de oorlog steeds moeilijker over land bereikbare departementshoofdstad Ibagué ("Ibagué verlaten: een steeds riskantere activiteit", kopt de plaatselijke krant), en wel op het bureau van Jaramillo. Vanuit zijn ruimbemeten, van moderne kunstwerken voorziene werkkamer kijkt de gouverneur op het centrale stadsplein neer. Ranke palmen staan er zacht te wiegen, uit het hooggebergte komt een frisse bries aangewaaid, straatventers slijten luid schreeuwend hun waar.

"Het moeilijke aan mijn plan", legt Jaramillo uit, "is dat het enerzijds vrede wil stichten, maar die vrede anderzijds ook nodig heeft om tot de verdere invulling ervan te komen. Alleen, hoe kom je in dit land tot vrede? Ik kan de Farc of de paramilitairen toch moeilijk vragen dat ze me hun strategisch project voor het komende jaar even komen voorleggen en ons vertellen welke dorpen ze denken aan te vallen en welke niet?" Hij zucht. "Het enige wat we kunnen doen, is de grootste gemene deler onder de Tolimezen proberen te vinden, duidelijk maken dat het schandalig is dat het besproeien van één hectare papaver dertien tot vijftien miljoen peso's kost, genoeg om één boerengezin drie jaar lang te laten overleven zonder dat het ook maar iets hoeft te doen. Het Plan Colombia is een ramp, het is gesneden op maat van het grootgrondbezit en de neoliberale economie. In plaats daarvan willen we de grond herverdelen, de ecologische reflex aanmoedigen, de sociale controle en participatie stimuleren, de publieke opinie alerter maken op het respect voor de mensenrechten."

Het valt op hoezeer Ibagué aan het gewapende conflict is gaan wennen. Een legervrachtwagen vol met tot de tanden gewapende soldaten rijdt rokend onder de open ramen van het conservatorium van Ibagué voorbij, neemt een bocht en bolt het stadscentrum uit, richting een of ander front. Maar in de prachtig gerestaureerde, negentiende-eeuwse concertzaal stoort het geronk het publiek nauwelijks. Alle ogen, ook die van gouverneur Jaramillo op de eerste rij, zijn op de strijkers en blazers van het stedelijke jeugdorkest gericht, en vooral op de achterzijde van de elegante, in zwarte avondjurk gestoken dirigente. Vanaf de sierlijke medaillonschilderijen aan de muur luisteren Gluck, Beethoven, Strauss, Bach, Schubert, Gounod, Villa-Lobos en vele andere componisten mee: naar hoe midden in de gegijzelde stad klassieke muziek de bewoners levend houdt. Terwijl het publiek vanuit het helrode pluche uitkijkt op heuvels die allang door de makkers van commandant Gerónimo zijn ingenomen, luistert Ibagué glimlachend naar de Speelgoedsymfonie van Haydn, of naar Dvoráks Symfonie van de Nieuwe Wereld. Het applaus is overweldigend. "Ook dát is werken aan vrede", legt Jaramillo onder het klappen aan zijn Belgische gasten uit. Dan staat hij op om de dirigente te omhelzen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234