Donderdag 27/06/2019

Wafelijzers en handjeklap

Nog maar enkele jaren geleden werd België 'de zieke man van Europa' genoemd, vanwege zijn torenhoge overheidsschuld. Welke historische factoren en politieke instrumenten maakten dat het zo ver kon komen? Een zoektocht naar de oorzaken van een nationale schande - gevolgd door het hoe en waarom van de radicale ommekeer.

Luc Huyse

Luc Huyse is socioloog en hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven. Om de vier weken schrijft hij op deze pagina's over nationale en internationale kwesties.

Op 1 januari 2001 worden we met z'n allen wakker in een ander land. Want dan werkt de federale overheid, tenminste als het politieke weer wat meezit, voor het eerst sinds 35 jaar met een begroting in evenwicht. Dat is groot nieuws. Het licht aan het eind van de tunnel, waar Martens de VIIIste in 1988 al van sprak, is geen zinsbegoocheling meer.

Kan er in de toekomst opnieuw een zichzelf voedende schuldenberg ontstaan? Ik denk van niet. Neen, niet omdat de liberalen aan het stuur zitten. Ook niet omdat de Waalse socialisten het gat in hun hand gedicht hebben. Wel omdat de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor die 9.533 miljard staatsschuld fel verzwakt zijn.

Het is allemaal kort na 1850 begonnen, jawel. Twee omwentelingen zonden toen schokgolven door het land. Er was de politieke revolutie die, rustend op de idealen van 1789, door Europa raasde. In onze streken was ze volop voelbaar in de eerste veertig, vijftig levensjaren van de nieuwe staat die men België noemde. De industriële revolutie zorgde voor een tweede aardbeving. Samen verwekten zij de drie vertrouwde barsten in het politieke landschap.

De opmars van de moderne staat, gestart in 1830, zette ook de laïcisering van de politiek in gang. Dat verliep allesbehalve probleemloos. Met de kerkelijke bevoogding van samenleving en politiek waren immers grote materiële en symbolische belangen verbonden. Van katholieke zijde werd elke verruiming van het werkveld van die staat bijgevolg als een bedreiging ervaren. Zo is de levensbeschouwelijke breuklijn verwekt. Zij zou meer dan een eeuw lang de politieke agenda voeden. Met de opdringerige staat rukte ook een officiële voertaal mee op, want een moderne staat heeft voor zijn wijdvertakt communicatiesysteem een taal nodig. Dat was, zo dicteerden de bouwheren van België, het Frans. Met die politieke keuze maakten zij de toegang tot het feitelijke burgerschap voor de ene taalgroep veel gemakkelijker dan voor de andere. De monopoliepositie van de Franse taal oefende dus een rechtstreekse invloed uit op de verdeling van levenskansen. Sommige Vlamingen voelden de maatschappelijke kosten, verbonden aan het spreken van het Vlaams, vrij snel aan en ontwikkelden terzake een politieke reflex. Zo vormde zich het geologisch materiaal waaruit een tweede breuklijn kon ontstaan. De industriële revolutie riep een derde spanningsveld in het leven. Haar impact op de arbeidersbevolking was verschrikkelijk. In het laatste kwartaal van de negentiende eeuw verschijnen, in een reactie daarop, de eerste vakbonden en wordt in 1885 de Belgische Werkliedenpartij gesticht. In 1895 volgt, aan de andere kant van de scheidslijn, de oprichting van het Comité Central Industriel van de patroons. De sociaal-economische kloof was daarmee, ook in haar politieke dimensie, voltooid.

Drie barsten, drie krachtige bronnen van conflicten ook. Want aan weerszijden van elke breuklijn verrees het hele gamma van politieke strijdorganisaties: partijen, drukkingsgroepen, politiek gebonden media. Het was te verwachten dat men op zoek zou gaan naar technieken om dit explosieve materiaal min of meer onder controle te houden. Met vallen en opstaan leerde men dat het land in een diepe crisis terechtkwam telkens wanneer één politieke familie eenzijdig haar wil oplegde. Zo werd uiteindelijk gekozen voor een beleid van overleg, arbitrage, onderhandelen, arrangeren en marchanderen. België trad daarmee toe tot het kringetje van democratieën die hun stabiliteit te danken hebben aan een ononderbroken zoektocht naar consensus en aan een even continue fabricage van grote en kleine pacten. Het zit daar in het gezelschap van Nederland, Oostenrijk en Zwitserland.

Een consensusdemocratie draait op twee cruciale spelregels. Een ervan is de toekenning van vetomacht aan wie in de compromisvorming onmisbaar is. Ook minderheidsgroepen, de vrijzinnigen in Vlaanderen en de katholieken in Wallonië bijvoorbeeld, genieten daarvan. Dat leidt tot 'regeren met wederzijdse toestemming'. De tweede techniek speelt bij de verdeling van allerlei schaarse goederen (kredieten, subsidies, jobs in overheidsdienst, mandaten) over de verschillende kampen. Hier geldt dat wat de ene krijgt niet van de andere afgenomen wordt. Het komt er dus op aan altijd win-win situaties te creëren, te werken met wat in het jargon van de econoom de 'strategie van de nonzerosomrekeningen' heet.

Dat verhaal is bekend. Maar wat heeft het met de opbouw van 9.533 miljard staatsschuld te maken? Is er geen eenvoudiger verklaring voorhanden? Op het eerste gezicht wel, ja. Er is gezegd dat de schuldenberg het gevolg is van een uit de hand gelopen toepassing van het Keynesiaans model: deficit spending tegen beter weten in, meestal met het oog op een verdere uitbreiding van de welvaartsstaat.

Er rijst met die uitleg wel een vervelend probleem. Nederland, Oostenrijk en Zwitserland - op tal van politieke vlakken familie van België - leden ook onder de economische crisis en hadden evengoed een hongerige welvaartsstaat te voeden. En toch nam de schuldenberg ginder niet de Belgische proporties aan. Er moet dus meer aan de hand zijn.

De anatomie van de politiek in België wijkt op een paar punten erg af van wat die buurlanden laten zien. Het regeren met elkaars toestemming is bij ons getekend gebleven door een intens wederzijds wantrouwen. Het beste bewijs is te vinden in de neiging om het vetorecht in de grondwet in te schrijven, op extreme wijze te verankeren dus. Daardoor was het maar een kleine stap van overleg naar chantage. In Nederland daarentegen is het een ongeschreven regel gebleven. Er is een tweede verschil en dat heeft te maken met de aanwending van die andere rule of the game, de strategie van de nonzerosom. Met grote virtuositeit zijn hier steeds nieuwe toepassingen bedacht, soms tot in het absurde toe. Het taalgebruik laat dat goed zien: men spreekt van wafelijzerpolitiek, van package deals, van compensaties, van koppelingen. Het gevolg was dat de kostprijs van al dat handjeklap bijzonder hoog opliep.

Vanaf 1968, met de eerste staatshervorming, zijn beide spelregels, ook in hun ontsporingen, gemobiliseerd om het communautair contentieux te ontmijnen. Het was te verwachten dat het scenario dat zoveel dienst had bewezen in het dichten van de levensbeschouwelijke en de sociaal-economische breuklijn, ook zou worden gevolgd voor de behandeling van dit derde conflict. Tegelijkertijd is men een brug te ver gegaan. Het economisch klimaat zat tegen: er was crisis en dan is de kassa snel leeg. Want een consensusdemocratie is op één punt erg kwetsbaar: zij werkt maar optimaal als er grote reserves zijn. Economische groei is, met andere woorden, een essentiële voorwaarde om te slagen. Slechts in die omstandigheid kan door het wederzijds afkopen van eisen keer op keer een compromis te voorschijn komen. En oudere compromissen (het sociaal pact, het schoolpact...) liepen in hun budgettaire effecten nog door. Toch is ook in het communautair domein de wafelijzerpolitiek in gang gezet. Om die te kunnen betalen is de belastingdruk verhoogd en is er, vooral, een schuldenberg ontstaan. Zo evolueerde een win-win situatie naar een toestand waarin iedereen verloor. In die zin is de economische recessie van de jaren zeventig het Belgisch huishouden fataal geworden. Reacties bleven uit omdat in de staatshervormingen, meer nog dan in pacten van vroeger, vetomacht tot blokkeringen en chantage heeft geleid. Daar zorgden de grendelprocedures, de alarmbellen en de gekwalificeerde meerderheden wel voor.

Ik vraag me trouwens af of het überhaupt wel wijs is om de nonzerosomregel toe te passen in de pacificatie van communautaire conflicten. Er zijn geen spontane remmen. Geld voor het Waalse staal, bijvoorbeeld, roept Zeebrugse eisen op, of noodkreten van de Vlaamse textiel. Hier is het kinderversje over hollebolle Gijs van toepassing: na het verzwelgen van een koe en een kalf, van een paard en half, van zeven tonnen bier en een wei vol schapen kon hij nog van de honger niet slapen. In het overleg tussen vakbonden en patroons daarentegen zorgt het marktdenken wel voor stoplichten. En ook de godsvrede tussen katholieken en vrijzinnigen is budgettair gemakkelijker onder controle te houden geweest.

Misschien dat sommigen zullen zeggen: die enorme staatsschuld is de prijs die we moesten betalen om de ruzie tussen Vlamingen en Franstaligen op vreedzame wijze te beslechten. Want, zo luidt de redenering dan, dat conflict hield toch enorme risico's in voor het regime. Maar is dat wel zo? Etnische botsingen hebben inderdaad een hoog conflictgehalte. Kosovo toont dat aan. Het is echter de vraag of bij ons de communautaire verpakking niet vaak gediend heeft om andere dossiers, sociaal-economische bijvoorbeeld, een snellere en rijkere behandeling te geven. Daardoor leek het allemaal veel bedreigender. Vermoedelijk is er in die jaren fel aan overacting gedaan. Kijk, toen de PS tussen 1982 en 1987 in de oppositie terechtkwam mocht het ergste gevreesd worden, want die partij en haar zusterorganisaties vertolkten met kracht de Waalse verzuchtingen. De koorts is echter nauwelijks toegenomen. Zo explosief kan het communautair contentieux dus niet geweest zijn.

In 1982 kantelt de omgang met het budgettaire probleem. Saneren zit nu vooraan in het woordenboek van de politici. Niet dat het onmiddellijk effect had. Bij elke begrotingsopmaak vielen er lijken uit de kast. Ook de rentesneeuwbal deed zijn werk. Tussen 1982 en 1995 zal de staatsschuld nog verdrievoudigen. Maar toch zijn de mechanismen die ik in dit artikel beschreven heb aan banden gelegd. Hoe dat komt? Zijn de politici wijzer geworden? Dat zal wel. Er zijn zo van die cijfers die zelfs de meest hardleersen doen nadenken. Toch speelde er een andere, veel krachtiger factor: Europa. Al in 1980 was de premier, Wilfried Martens toen, door de buitenlandse partners onder zware druk gezet. De zieke man van Europa moest nu maar eens eindelijk naar de dokter gaan. Het is echter Jean-Luc Dehaene die ten volle Europa als forceps zal gebruiken. De Maastricht-norm was het gedroomde breekijzer om de binnenlandse blokkeringen te neutraliseren.

Daarom worden we op 1 januari 2001 met z'n allen wakker in een ander binnenland. Dank zij het buitenland.

'Een consensusdemocratie is op één punt erg kwetsbaar: zij werkt maar optimaal als er grote reserves zijn''Het is de vraag of bij ons de communautaire verpakking niet vaak gediend heeft om bijvoorbeeld sociaal-economische dossiers een snellere en rijkere behandeling te geven''Europa, met zijn Maastricht-norm, was het gedroomde breekijzer om de binnenlandse blokkeringen te neutraliseren'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden