Woensdag 19/01/2022

'Waarom WORDEN wij als beesten beschouwd als wij ons verdedigen?'

Het Israëlische leger heeft de voorbije week grootschalige vergeldingsacties uitgevoerd op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Van een staakt-het-vuren zoals afgesproken op 16 december valt allang niets meer te merken. Beide partijen zetten zware middelen in. Maar het wederzijdse geweld lijkt geen oplossing te bieden. Deborah Sontag, Midden-Oosten-specialiste van The New York Times, ging praten met Palestijnen in de bezette gebieden, in die bizarre periode waarin het geweld heel even stilviel. 'We zijn het vechten moe. Geef ons ons kleine landje, onze West Bank en Gaza, en het zal voorbij zijn. Israël mag Israël houden en ons met rust laten.'

Deborah Sontag

Foto's Bruno Stevens

Een stralende zon schitterde op flarden metaal in het vluchtelingenkamp van Rafah en verleende die troosteloze plaats een ongewone gloed. Het was stil in het kamp. De shebas, de jongens die in de voorbije vijftien maanden zo druk met stenen hadden gegooid, bogen zich over boeken in een bouwvallige bibliotheek. Hun leider, een volwassen man met de naam Abed al-Raouf Barbakh, had zijn baard met brillantine gladgemaakt en droeg zelfs een das. "Ik heb me netjes gekleed voor het staakt-het-vuren", zei hij, terwijl hij door het kamp wandelde, naar mensen zwaaide, sommige jongens een aai over hun hoofd gaf en andere wegjoeg.

Barbakh, een gedrongen, ruige man, was een straatvechter, een leider van Yasser Arafats Fatah. Hij vertelde dat de Israëli's hem zochten omdat hij de kinderen van Rafah zou hebben aangezet tot geweld. Sinds de bloedige intifada aan het einde van september 2000 begon, had hij in het kamp een belangrijke rol gespeeld in wat hij "het verzet" noemde, maar die dag leek hij meer een maatschappelijk werker. Zijn pistool zat weggestopt onder een keurig zwart jasje, terwijl hij vertelde over de tuin die hij midden in het onkruid wilde aanleggen, en over uitwisselingsprogramma's met het buitenland. Hij nodigde me uit om mijn kinderen een weekje naar Rafah te sturen. "Ik beloof dat ik ze niet met wapens zal leren omgaan."

Nadat Arafat de Palestijnen op 16 december had gevraagd de aanvallen op de Israëli's stop te zetten, kwam hij naar Barbakhs territorium om de mensen van Rafah te smeken hem te gehoorzamen. Barbakh vertelde trots hoe hij Arafat de les las: "Loop naar de hel met je staakt-het-vuren. Zij schieten op ons, moeten we hun soms bloemen brengen?" Arafat liet Barbakh uitspreken, merkte op dat hij zich te druk maakte, en liet hem na afloop van de vergadering aanhouden.

De trouwe shebas - "mijn kinderen" - snelden Barbakh echter onmiddellijk ter hulp en staken de plaatselijke politiepost in brand. Er werd een compromis gevonden: Barbakh kwam vrij maar beloofde het staakt-het-vuren te aanvaarden. In de praktijk, maar niet in principe.

"We zullen Abu Amar een kans geven", zei Barbakh (Abu Amar is Arafats nom de guerre), en op zijn manier vertolkte hij de mening van de meeste Palestijnen op dat ogenblik.

We zaten in het rokerige koffiehuis van het kamp, niet ver van de Egyptische grens. Aan de overkant van de straat, een filiaal van de Bank of Amman. Overal modder en droefenis. Een Palestijnse politieman in blauw uniform, een vriend van Barbakh, kwam ons zwijgend gezelschap houden. We slurpten hete thee uit kleine glazen en profiteerden van de relatieve rust om lang te praten.

Het was een van mijn vele gesprekken met Palestijnen van de West Bank en Gaza, in die bizarre (en helaas korte) periode nadat Arafat, zwaar onder druk gezet door de internationale gemeenschap, zijn volk had gevraagd om niet te schieten en hardhandig was opgetreden tegen de fundamentalistische islamitische groepen. De kringloop van geweld was heel even stilgevallen.

Zestien maanden lang had het geweld niet opgehouden. Sinds de mislukking van de onderhandelingen in Camp David, in de zomer van 2000, was er de ene provocatie na de andere. Ariel Sharon bracht een zwaar bewaakt bezoek aan het plein voor de moskee Al Aksa, om de joodse soevereiniteit over de Tempelberg te bewijzen. De Palestijnen ontploften. De Israëli's onderdrukten spontane demonstraties met dodelijk vuur. De Palestijnen ruilden hun stenen voor geweren en hun geweren voor bommen. De Israëli's liquideerden vermeende militanten. De aanvallen en tegenaanvallen begonnen een eigen leven te leiden.

Het was voor iedereen een verwoestende periode. De Palestijnen wisten welke prijs zij betaalden voor wat zij de intifada van Aksa noemden. Ongeveer achthonderd Palestijnen waren om het leven gekomen, duizenden raakten gewond. De economie was verlamd, de infrastructuur door bombardementen en bulldozers verwoest. De zelfmoordaanslagen hadden de internationale steun aan de Palestijnse zaak ondermijnd. Arafat, ooit een graag geziene gast in het Witte Huis van Clinton, zat vast in Ramallah, belegerd door Israëlische tanks. De meeste Palestijnen zaten vast in hun steden, "220 geïsoleerde kleine getto's", zoals Edward W. Said, de Palestijns-Amerikaanse intellectueel, ze heeft genoemd. De controleposten werkten trager en meer vernederend dan ooit - alsof de klok teruggedraaid was, verplaatsten veel Palestijnen zich weer op ezels en kozen ze zandwegen om de posten te ontwijken. Arafats optreden tegen de militante islamitische groepen - Hamas en de islamitische Jihad - hadden felle verdeeldheid gezaaid binnen de Palestijnse maatschappij.

En nu was er die adempauze. Ze leek veel op een impasse, terwijl de Palestijnen afwachtten hoe Israël zou reageren. Zou het een tegengeste doen en hun meer bewegingsvrijheid geven? Of zou het olie op het vuur gooien door opnieuw Palestijnse militanten te liquideren? Hoe dan ook hadden de mensen opeens de tijd en de geestelijke ruimte om wat rustiger over hun situatie na te denken. Ik had de indruk dat ik kon meeluisteren naar een bewogen maatschappelijk gesprek, dat zowel de diepe verdeeldheid van de Palestijnse samenleving onthulde als een verrassend, uitdagend optimisme over de toekomst. Een verre toekomst, maar toch.

Zo kwam het dat zelfs iemand als Barbakh, een wandelend kruitvat, over het idee van vrede kon praten. Tijdens ons gesprek maakte hij geen geheim van zijn wapenfeiten in de intifada - elf schotwonden tijdens de eerste Palestijnse opstand, gezocht door de Israëli's tijdens de tweede - maar noemde hij ook enkele pacifistische geloofsbrieven, zoals programma's voor coëxistentie waaraan hij had deelgenomen. Misschien was hij oprecht, misschien ook niet, maar in elk geval gaf hij mij en de wereld de boodschap dat zelfs hij, de vechter, naar rust verlangde. "We zijn het vechten moe", zei hij. "Er is genoeg bloed gevloeid. Geef ons ons kleine landje, onze West Bank en Gaza, en het zal voorbij zijn. Israël mag Israël houden en ons met rust laten."

De clan van David Khoury, een Palestijns-Amerikaanse zakenman, woont in Taybeh, een charmant dorpje bij Ramallah, het centrum van het culturele en commerciële leven van de West Bank. Toen ik in het huis van de familie aankwam, zag ik een vrij surrealistisch tafereel. Davids zoon van 12, Constantine, was in de garage in cirkels aan het skaten, met een slappe kerstmuts op zijn hoofd en een GameBoy onder zijn neus. "De sluiting van de scholen maakt onze kinderen gek", zei David. "Ze hebben in geen drie weken les gehad."

De Khoury's zijn geen typische Palestijnen. Het zijn welgestelde christenen die, in een land van weinig drinkers, het Palestijnse nationale bier brouwen, Taybeh. Toch vertegenwoordigen zij een belangrijke groep van Palestijnen, mensen die na de vredesverklaringen van Oslo uit het buitenland zijn teruggekeerd en daarmee een enorm risico hebben genomen. Zoals veel Palestijnen steunden de Khoury's het compromis van Oslo: de Palestijnen zouden Israël erkennen, afzien van hun aanspraken op wat zij het historische Palestina noemden, en zich tevredenstellen met 22 percent van het land, namelijk de West Bank en Gaza. Zij waren zo enthousiast dat David en zijn jongere broer, Nadim, nog voor Arafats terugkeer uit ballingschap van de VS naar Tunis vlogen om zijn toestemming te krijgen om op de West Bank een brouwerij te beginnen. Bij hun gisttanks hangt een foto van de twee broers met Arafat in Tunis, naast Sint-Joris, de patroonheilige van Taybeh, die de draak velt.

Onder die eigenaardige afbeeldingen zaten wij te praten, in de schemerige, onverwarmde kleine brouwerij naast het huis. David droeg een polohemdje, terwijl zijn grijze vader, Canaan, ingeduffeld was in een wollen overjas en een kasjmieren sjaal. Davids echtgenote, Maria, gekleed in een elegant broekpak, leek in niets op een typische dorpsvrouw. Ze was Grieks-Amerikaans, maar vurig overtuigd van de Palestijnse zaak.

Aan het einde van de jaren zeventig vertrokken de gebroeders Khoury naar Massachusetts, om er te studeren. Na de lesuren werkten ze in een drankwinkel. Uiteindelijk kochten ze een drankzaak in Brooklyn, Foley's Liquors, trouwden ze, kregen ze Amerikaanse kinderen en werden ze genaturaliseerde staatsburgers. Toch ontbrak er iets in hun leven. Daarom waren ze na Oslo blij dat ze hun kinderen konden losmaken van hun Amerikaanse manier van leven en meenemen naar huis. "Wij dachten dat dit een goede, gezonde manier was om onze kinderen op te voeden, tot de Palestijnse opstand begon, met al dat schieten en bombarderen", zei Maria.

Reeds voor de opstand begon, maakten de Khoury's zich zorgen over de vele valkuilen op wat zij als een eenrichtingsweg naar de vrede hadden gezien. Zij merkten dat Ofra, een nabijgelegen joodse nederzetting, elk jaar groter werd. Er ontstonden andere, nieuwe nederzettingen in wat Palestina hoorde te worden. Mei 1999 kwam en ging, zonder de in Oslo beloofde definitieve oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Toch bleven de Khoury's hopen en geloven dat het Israëlische en het Palestijnse volk op weg waren naar vrede, zelfs terwijl hun leiders ruzieden over grenzen. Ze begonnen samen te werken met Israëlische wijnboeren en ontvingen groepen Israëlische reizigers. Een rabbijn uit Ofra gaf hun frisse, lichte bier een kosjer certificaat, waarna het aftrek vond in Israël. Ze waren zo optimistisch dat ze een nieuw huis van witte steen bouwden, het begin van een nieuw leven.

Toen viel hun droom aan diggelen en ging de Tabybeh Brewing Company kapot, samen met de rest van het burgerlijke en commerciële leven van de Palestijnen. Taybeh, dat in de zomer van 2000 6.000 kratten bier produceerde, zag zijn omzet een jaar later met 75 percent terugvallen. Reisbeperkingen verhinderden de invoer van grondstoffen en de uitvoer van het bier. De brouwerij verloor haar markten in Jordanië, Israël en Bethlehem. Zelfs de rit naar Ramallah, dat in theorie tien minuten verder lag, werd voor de trucks van de firma een omslachtige reis die soms een dag kon duren. De Khoury's legden hun productie vrijwel volledig stil. "Wij doen niets meer", zei David. "Heel Palestina doet niets meer."

Hij vertelde mij over een recent telefoongesprek met een Israëlische ambtenaar die probeerde uit te zoeken hoeveel belastingen de brouwerij moest betalen. David legde uit dat hij bijna geen bier meer maakte. De ambtenaar zei: "Je bent Amerikaan. Het beste wat jij en je vader en je broer kunnen doen is teruggaan." David antwoordde: "En het land hier aan jou geven? Over mijn lijk."

Tijdens hun zomervakantie in de Verenigde Staten stelde Maria toch voor daar te blijven, in plaats van terug te keren naar een nieuw schooljaar vol controleposten op weg naar school. De repliek van Elena, haar dochter van 16, deed haar schrikken: "Dit is mijn erfenis als Palestijn. Ik moet lijden."

Terwijl we praatten, verklaarde David zonder veel emotie dat hij de opstand steunde. Hij noemde zichzelf een man van de vrede, maar voegde eraan toe: "Als wij niets doen, wordt Palestina nooit opnieuw van ons. Algerije is pas na een miljoen martelaren onafhankelijk geworden."

Een Palestijnse peiling die eind december werd gepubliceerd, leek David Khoury gelijk te geven. Een grote meerderheid van de Palestijnen bleek voorstander van een onmiddellijk staakt-het-vuren en nieuwe onderhandelingen. Maar indien het staakt-het-vuren faalde, waren negen van de tien Palestijnen voor gewapende aanvallen op Israëlische soldaten en kolonisten in de bezette gebieden, als een vorm van zelfverdediging en als een tactiek om de Israëli's onder druk te zetten om zich terug te trekken. "We hebben het recht om ons tegen de bezetting te verweren", zei David. "De Israëli's verdedigen zich, wij verdedigen ons."

Op het einde van ons gesprek begon David over de daders van de zelfmoordaanslagen. Hij en zijn vrouw veroordeelden de bommen, want "wij willen niet dat onschuldige burgers sterven". Maar Maria vond dat je de daders moest zien als de producten van een hopeloze situatie, en David zei dat hij onder de indruk was van hun zelfopoffering. "Ze hebben een echt geloof", zei hij. Voor zijn vader ging dat te ver: "Neem mij niet kwalijk, David, maar wat doen die nobele schepsels? Zichzelf opblazen? Ze hebben zichzelf opgeblazen en ons erbij. Naar de hel ermee. Wat is het resultaat van hun zelfopoffering? Nu zegt Amerika dat Arafat Bin Laden is. Bravo voor Hamas."

David veranderde van onderwerp. "Wil je echt geen biertje?", vroeg hij mij.

In de voorbije zestien maanden hadden vrijwel alle Palestijnen harde economische klappen gekregen, van de huizen op de heuvels van de West Bank tot in de krotten aan de kust van Gaza. Volgens de jongste ramingen van de Verenigde Naties had de Palestijnse economie aan het einde van september 2001, een jaar na het begin van de intifada, tot 3,2 miljard dollar verloren. Voor David Khoury was dat een tegenvaller, maar voor Saeda al Ghandar, de vrouw van een straatventer in Gaza, betekende het geen eten op tafel. Bijna de helft van de Palestijnse bevolking moest nu rondkomen met minder dan twee dollar per dag - het aantal mensen dat onder de armoedegrens leefde was sinds de intifada verdubbeld.

Toen ik aanklopte bij Ghandar, in een stinkend steegje in het vluchtelingenkamp van Jabaliya, was ze net aan het inpakken. Ghandar, 25, was haastig kleren in een plastic zak aan het stoppen, om haar vier kleine kinderen die nacht naar het appartement van haar zuster te brengen. Er hingen al heel de dag Israëlische vliegtuigen in de lucht. Ze was bang dat er die nacht weer een bombardement zou plaatsvinden. Aangezien ze nauwelijks een dak boven haar hoofd had, voelde ze zich erg kwetsbaar.

We zaten in de buitenkamer van het gezin, een betonnen kubus zonder dak. De was hing tussen ons in, dansend in de wind, en een gordijn van geruit katoen verborg het gat in de grond dat als toilet dienstdeed. De slaapkamer, waar zes mensen één bed deelden, had een dak van golfplaat dat amper groot genoeg was.

Ghandar rustte even en liet haar zwangere lichaam op een krukje zakken, terwijl haar kinderen, allemaal onder de vijf jaar, rondom haar speelden. Het oudste jongetje, met vuile blote voeten en een lopende neus, was aan het fantaseren. Hij had een vod op zijn hoofd gelegd en verkocht onzichtbare goederen. "Vis te koop!", riep hij, zoals zijn vader dat in de straten deed. "We moeten voortdurend ons huis uit", zei Ghandar. "Als ik de vliegtuigen hoor, ga ik weg. Die aanslagen van de Palestijnen zijn niet goed. Ze brengen alleen maar wraak van de Israëli's. Voor de intifada waren wij echt heel gelukkig, maar die bommen maken ons bang."

Was Ghandar echt zo gelukkig voor de intifada? Haar gezin was toen ook al arm, gaf ze toe, maar nu waren ze straatarm. Om veiligheidsredenen verboden de Israëli's regelmatig de visvangst voor de kust van Gaza, zodat er voor haar man niet veel te venten viel. Ghandar vertelde dat ze al haar bezittingen had verkocht, behalve een vergulde oorring en een paar oorbellen. Maar wat ze echt miste, was niet haar juwelen of de zekerheid dat er 's avonds eten zou zijn. Ze miste de rust.

Ik vroeg Ghandar of ze nog iets anders dan rust wilde. "Ja, natuurlijk", zei ze, "een Palestijnse staat", maar dat klonk alsof ze het over een kamerbreed tapijt had. Stelde ze Arafat aansprakelijk voor haar ellende? "Wat zou hij nog meer kunnen doen dan hij doet?", antwoordde ze. "Als hij meer zou kunnen, zou hij het doen. Hij heeft heel zijn leven voor ons gewerkt." En bovendien was ze het niet met mij eens dat haar toestand ellendig was. "Al mijn dagen zijn mooi", zei ze. "Als we de moed zouden verliezen, zouden we sterven. God zal ons niet vergeten. God vergeet zijn schepsels niet, zelfs niet in Gaza."

Had Hussam Khader maar evenveel geloof. Khader, een onafhankelijk Palestijns parlementslid, was genadeloos voor God én Arafat. Hij nam ooit in het parlement het woord om sarcastisch een nieuwe wet voor te stellen: dat Yasser Arafat eens voor altijd tot God van Palestina zou worden uitgeroepen.

Ik dacht aan dat stukje theater toen ik op Khader zat te wachten in zijn bescheiden kantoor in het vluchtelingenkamp van Balata, een krottenwijk aan de rand van Nabloes, op de West Bank. Khader groeide op in Balata en onderging zijn politieke vuurdoop tijdens de eerste intifada, toen hij in de eerste helikopter belandde met Palestijnen die door Israël naar Libanon werden gedeporteerd. Khader was een overtuigd lid van Fatah - Arafats beweging was en is de dominante politieke organisatie van de Palestijnen - en aanbad Arafat. Dat veranderde toen de Palestijnse leider uit ballingschap terugkeerde en met zijn luitenanten uit Tunis de Palestijnse Autoriteit begon te leiden. Khader was een van de eerste Palestijnen die waarschuwden dat de Tunesische groep een economie opzette die hen zelf ten goede kwam en het volk benadeelde. Hij klaagde de corruptie aan en eiste een transparant beleid. Tijdens de verkiezingen van 1996 voor de Palestijnse Wetgevende Raad, een instelling die voortvloeide uit de akkoorden van Oslo, stapte Khader uit Fatah en werd hij als onafhankelijke verkozen.

Enkele dagen voor mijn bezoek aan Nabloes had de Palestijnse politie in Gaza zes Palestijnen doodgeschoten tijdens een rel na Arafats maatregelen tegen de islamitische groepen. Nadat hij zich had verzet tegen de Israëlische en de Amerikaanse druk om islamitische militanten op te sluiten, gaf Arafat eindelijk toe, omdat hij internationaal meer en meer geïsoleerd raakte. Dat was het gespreksonderwerp in de wachtkamer. Khaders assistent beweerde opgewonden dat Arafat een dictator was en vroeg daarna zenuwachtig om zijn naam niet in het artikel te vermelden. Khader, een joviale, besnorde man met een krachtige stem en een schorre lag, was minder voorzichtig.

Terwijl ik bij hem was, kwamen enkele mensen van Fatah op bezoek. Ze probeerden Khader ertoe over te halen mee te doen aan een demonstratie in Nabloes, de volgende dag, als steun aan Arafat na de bloedige confrontatie in Gaza. Alle plaatselijke schoolkinderen zouden er zijn, alle ambtenaren en natuurlijk le tout Fatah.

"Vergeet het", zei Khader. "Een mars zal niets veranderen aan het feit dat Arafat zijn macht als symbool van onze nationale strijd aan het verliezen is. Alle Viagra van de wereld zal hem zijn potentie niet teruggeven. Nadat de Israëli's zijn helikopter hadden gebombardeerd, hadden jullie mij over kunnen halen om uit solidariteit met Abu Amar op straat te komen. Maar niet na een week waarin Palestijnse veiligheidstroepen andere Palestijnen hebben doodgeschoten."

Khader lachte met de banieren voor de mars, die Arafat uitriepen tot "de held van de legendarische vasthoudendheid in de onderhandelingen van Camp David". Toch was die boodschap cruciaal. Hoewel veel Israëli's en Amerikanen vinden dat Arafats 'vasthoudendheid' in Camp David dodelijk was voor de Palestijnse zaak, zijn alle Palestijnen, Khader inbegrepen, het erover eens dat Camp David een slordig, haastig ultimatum was. Het gebrek aan vooruitgang in de zeven jaar na Oslo had de Palestijnen ontmoedigd. Ze hadden hun vertrouwen verloren in het vermogen van Arafat om zijn belofte waar te maken: een Palestijnse staat op heel de West Bank en in Gaza, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. Toen hij met lege handen wegging uit Camp David, loofden zij hem. Ze vonden het beter om nog een generatie te wachten dan om na een halve eeuw vechten een onrechtvaardige vrede te aanvaarden.

In de ogen van Israël sloeg Arafat het gulste aanbod af dat hij ooit van een Israëlische premier zou krijgen. In de ogen van de Palestijnen was het aanbod van Ehud Barak echter "veel minder dan de minimale vereisten voor een leefbare, onafhankelijke Palestijnse staat", zoals een Palestijnse toponderhandelaar in een brief aan het Amerikaanse Congres schreef. Barak bood niet meer aan dan "drie niet aan elkaar grenzende kantons", omringd door Israëlisch grondgebied op de West Bank, vervolgde de brief, en hij besloot: "Palestina zou voor eeuwig overgeleverd zijn aan de willekeur van Israëlische economische en militaire blokkades."

Khader, die het met die visie eens was, nam mij mee naar beneden, naar het trottoir bij zijn kantoor. Hij wou mij een muur tonen. In mei 2000 kwamen vier Israëlische kunstenaars naar Balata en schilderden samen met plaatselijke jongeren een bonte ode aan de vrede op de muur. In de kleuren van de regenboog schreven ze "Een toekomst zonder angst", in het Arabisch en het Hebreeuws. Maar in oktober 2000, nadat de intifada in Nabloes op volle kracht begonnen was, sloopten bewoners van het kamp de muur en bouwden ze een nieuwe, met de slagzin: "Eén keuze - terugkeren of sterven", een verwijzing naar het verlangen van de vluchtelingen om terug te keren naar hun huizen in wat nu Israël is.

Khader vertelde mij dat hij zich met hart en ziel voor het vredesproces had ingezet. "Ik ging naar de Knesset en ze stelden mij voor als een man van de vrede", zei hij. "Ik ging naar Neve Shalom en predikte coëxistentie. Ik ging naar Caïro en pleitte voor normalisering. Maar nu ben ik slechts een cijfer in de computer van de Israëli's. Niets in mijn dossier zegt: hij was een vredespartner. Ik ben een Palestijns gezicht waarin Israëlische soldaten hun zaklantaarn kunnen schijnen."

Toen de intifada in 2000 begon, beschouwde Khader, en hij was niet de enige, de opstand als een explosie van frustratie over de vredesinspanning en over de Palestijnse Autoriteit zelf. Hij zei me dat de intifada militair een succes was, en had er een koelbloedige verklaring voor: "Er is één Israëlische dode gevallen voor elke drie Palestijnse. Het is de eerste keer dat we zo'n verhouding halen. Er bestaat nu een evenwicht van angst tussen de twee partijen. De angst van de Israëli's zal in ons voordeel spelen. Kijk maar wat er met Baraks voorstel gebeurd is tussen Camp David en Taba." Zelfs terwijl de intifada oplaaide, ontmoetten Israëlische en Palestijnse onderhandelaars elkaar in het Egyptische Taba, in januari 2001, en deden de Israëli's de Palestijnen een beduidend beter voorstel. De onderhandelingen liepen echter op niets uit en werden opgeschort tot na de verkiezingen van februari 2001, die Barak tegen Sharon verloor. Sindsdien is er niet meer over vrede gepraat.

Khader vond echter dat de intifada in een orgie van wraak ontaard was en dat er een einde aan moest komen. Hij dacht dat Arafat alles moest doen wat in zijn macht lag om de Israëli's opnieuw naar de onderhandelingstafel te brengen. Tegelijkertijd betreurde hij het dat de Palestijnse regering erin geslaagd was om alle woede van de Palestijnen tegen de Israëli's te kanaliseren, en dat er geen opstand tegen de Autoriteit zelf was gekomen. Hij had openlijk kritiek uitgeoefend op hoge ambtenaren van de Palestijnse Autoriteit die na het begin van de intifada hun gezin naar het buitenland hadden gestuurd. Maar zijn kritiek ging vrijwel onopgemerkt voorbij.

"Als er opnieuw wordt onderhandeld, zullen dezelfde corrupte mensen ons vertegenwoordigen", zei Khader. "Ik bid tot God dat ik op een ochtend wakker zal worden en ontdekken dat die mensen met hun geld en hun kinderen naar Europa zijn gevlucht. Als ik Yasser Arafat was, zou ik orde op zaken stellen in mijn eigen huis. Als hij zijn leven als een held wil eindigen, moet hij dat doen. Anders zal de geschiedenis hem vergeten. In de Torah staat dat velen die nu in hun graf liggen, dachten dat het leven zonder hen niet verder zou gaan. Maar dat deed het wel."

Aan Ahmed Yousef, een boer, vroeg ik of hij nog geloofde in het vermogen van Arafat om de Palestijnen naar een eigen staat te leiden. Arafats populariteit was gedaald van ongeveer 70 percent in 1996, toen hij tot president van de Palestijnse Autoriteit werd verkozen, naar ongeveer 36 percent in de jongste peiling. Hij had echter nog steeds geen echte rivaal. Sjeik Ahmed Yassin, de invalide geestelijke leider van Hamas, lag een heel eind achter met 14 percent.

Yousef nodigde mij uit in zijn huis in Janiya, een afgelegen dorpje van de West Bank. We zaten onder de lange tak van een rubberboom die tot in zijn woonkamer was gegroeid. Toen ik mijn vraag stelde, bekeek hij mij een beetje achterdochtig, alsof hij dacht ik hem voor de gek hield. Hij antwoordde heel langzaam: "Yasser Arafat is de enige die ons kan leiden. Heel de wereld heeft betrekkingen en banden met Arafat en als wij steun willen voor onze strijd, hebben wij de wereld nodig. Als Arafat iets overkomt, vrees ik dat de mensen elkaar zullen verscheuren om te zien wie onze volgende leider wordt. We moeten Arafat vertrouwen."

Zoals veel Palestijnse boeren ziet Yousef de wereld door zijn olijfbomen. Hun olie is zijn levenselixir, hun wortels zijn de zijne. Dit jaar heeft hij voor het eerst geen oogst kunnen plukken van zijn bomen, die vlak bij een joodse nederzetting staan. "Dit is het eerste seizoen in mijn leven en dat van mijn vader dat wij onze olijven niet mogen plukken", zei hij. Hij nam een metalen theepot op. "Als je deze koude pot tegen mijn hart hield, zou hij koken van het vuur in mij."

Zijn vrouw, Nabieha, die een traditionele zwarte jurk met paars borduurwerk droeg, nam mij mee naar een heuvel en wees naar de nederzetting, die sinds 1983 jaar na jaar groeide en hen omsingelde. "Wat klopt hier niet?", vroeg ze. "Wij kloppen niet. Wij zitten in de weg. Wij storen hen. Wij zijn geen vechters. Zie ik eruit als een vechter? Maar als ik naar mijn velden ga, zullen ze mij doodschieten, een oude vrouw, en zullen ze zeggen dat ik een bom wilde leggen." Ze wrong letterlijk de handen. "Wij hebben geprobeerd om afspraken te maken met de soldaten. Wij hebben zelfs het Rode Kruis gevraagd om met ons mee te gaan naar onze bomen. Maar ze wachtten ons op met geweren. Als zij mensen waren, zouden ze met ons meevoelen."

Ik vroeg de Yousefs of zij nog hoop hadden. "Vanochtend zeiden ze op het nieuws dat er over acht weken een Palestijnse staat zal zijn", zei Ahmed. Ik fronste de wenkbrauwen. "Ik heb geleerd dat je het onverwachte moet verwachten", antwoordde Ahmed. "Hadden wij ooit gedacht dat er een Palestijnse Autoriteit zou komen? Nee. Had ik verwacht Arafat in het Witte Huis te zien? Nee, nee, nee. Kijk dus niet zo."

Een staat was misschien niet eens nodig, vond Ahmed. Onderhandelingen waren misschien al genoeg. "Als er wordt gepraat, zullen de Israëli's soepeler voor ons zijn", zei hij. "Misschien zullen we over acht weken of acht jaar geen staat hebben, maar als ze weer praten, krijgen wij onze olijfbomen terug. Ik heb dit jaar 7.000 diner (ongeveer 10.000 euro, red.) verloren!"

In een vervallen wijk van Gaza, zonder olijfbomen - zonder welke bomen ook - wachtte ik op een leider van Hamas op een open zandveld achter diens huis. Sayeed Siyam, 43, kwam laat terug van een vergadering met ambtenaren van de Palestijnse Autoriteit. In zijn hemd, das en gebreide vest deed hij aan een onderwijzer denken, wat hij ook bleek te zijn. Aangezien de Palestijnse Autoriteit de leiders van Hamas onder huisarrest had geplaatst of opgesloten, vroeg ik waarom hij nog op vrije voeten was. "Voorlopig heb ik geluk dat ik niet achter de tralies zit, maar de arrestaties gaan verder", zei hij. Hij ging op een plastic stoel zitten, onder het blikken dak van zijn veranda, met uitzicht op het zand. Ik vroeg of de intifada voorbij was.

"De intifada was de keuze van het Palestijnse volk", antwoordde hij. "Op dit moment kunnen de mensen niet vrij kiezen, omdat Israël en de Verenigde Staten te veel druk uitoefenen op de Palestijnse Autoriteit. de Palestijnse Autoriteit heeft zich uitgesproken tegen de zelfmoordaanslagen en de mortieraanvallen op Israël, maar het begrijpt onze houding. U zou dat ook moeten doen. Waarom worden wij als beesten beschouwd als wij ons verdedigen? Hebben de Verenigde Staten zich na 11 september niet verdedigd?

"Hamas beschouwt zelfmoordaanslagen binnen de grenzen van 1948 - dus in Israël - als de kaart die de Palestijnen kunnen uitspelen om zich tegen de bezetting te verweren. Wij doen het vaak als reactie op Israëlische aanvallen. Wij hebben geen Apache helikopters en dus gebruiken wij onze eigen methoden. Gezien de methoden die de Israëli's toepassen, vinden wij dat de poort van de hel openstaat. Zij vermoorden mensen en bombarderen Palestijnse huizen en dorpen. Wij reageren door hen hetzelfde gevoel van onveiligheid te geven in hun eigen huizen."

Siyam sprak zacht, alsof hij mij iets heel moeilijks probeerde uit te leggen. "Het Palestijnse volk beschouwt ons niet als terroristen. Het beschouwt ons als bevrijders", vervolgde hij, een argument dat door de peilingen werd gesteund. "Zij willen niet dat de Palestijnse Autoriteit ons opsluit. Maar voorlopig mogen wij ons niet door Israël tot een burgeroorlog laten aanzetten. Daarom respecteren wij Arafats verzoek om een staakt-het-vuren, in het belang van de nationale eenheid en alleen in dat belang."

Nadat Israël eind januari opnieuw Palestijnse militanten begon te liquideren, zou Hamas duidelijk maken dat zijn onwillige naleving van het staakt-het-vuren verleden tijd was. Maar die dag in december wreef Siyam over zijn baardje, nam hij zijn twee gsm's, stond hij op en nam hij heel beleefd afscheid.

Er was veel lef nodig om de bommen van Hamas 'immoreel' te noemen op een ogenblik dat de Palestijnse samenleving naar wraak snakte. Toch veroordeelde Saleh Abdel Jawad de eerste zelfmoordbommen van de intifada. Abdel Jawad, professor Politieke Wetenschappen aan de universiteit van Bir Zeit, vond dat de intifada een geweldloze opstand moest zijn. In de eerste dagen van het verzet trachtte hij tevergeefs te verhinderen dat het straatgeweld uit de hand zou lopen. Op de noodlottige dag in oktober toen een Palestijnse meute twee Israëlische soldaten aanviel in Ramallah, niet ver van Abdel Jawads huis, ging hij erheen en spoorde hij de Palestijnse agenten aan om hun wapens tegen de menigte te gebruiken. "Ik werd zelf bijna gelyncht", vertelt hij. Toen hij de agenten later vroeg waarom ze hadden toegekeken terwijl de soldaten werden vermoord, antwoordde iemand: "Moesten de mensen soms denken dat wij collaborateurs zijn?"

"Dat was interessant", zei Abdel Jawad. "De politie kon in Ramallah niet optreden omdat de Palestijnse Autoriteit te zwak was. De meute was baas." Later die maand schreef hij een essay waarin hij het gebruik van wapens nutteloos en zelfs suïcidaal noemde. Het duurde lang voor hij een Palestijns blad vond dat zijn stuk wilde publiceren. Door wapens te gebruiken, schreef hij, zouden de Palestijnen de Israëli's ertoe aanzetten om met hun veel grotere militaire macht terug te slaan. De toestand zou escaleren tot het dagelijkse leven ondraaglijk werd.

De geschiedenis gaf Abdel Jawad gelijk, maar daar was hij niet blij om. Hij leefde op de rand van een zenuwinzinking. Zwetend reed hij op de fiets door Ramallah, terwijl hij probeerde de opstelling van de Israëlische tanks te noteren. Zijn oordeel over de Israëlische regering en de Palestijnse Autoriteit was zo hard dat hij zijn gedachten bijna niet op papier durfde te zetten. Hij was graag enkele maanden vertrokken om tot rust te komen, maar om de West Bank te verlaten zou hij een Israëlische controlepost moeten passeren. En dat wilde hij niet: hij was bang dat de woede zijn verstand zou benevelen.

De laatste keer dat hij Ramallah had verlaten was in juni, voor een bezoek aan Amman. Bij zijn terugkeer strandde hij bij een controlepost in de buurt van Jericho, bakkend in een file terwijl jonge Israëlische soldaten langzaam elke auto onderzochten. "Terwijl ik daar zat, terwijl de auto's claxonneerden en de soldaten mensen die dubbel zo oud waren als zij afsnauwden, zag ik mijzelf in mijn fantasie - het leek een vertraagde film - uit mijn auto stappen en die soldaten doden. En ik ben een humanist. Ik heb het zelf gevoeld: dit zijn de dagelijkse vernederingen die de Palestijnen aanzetten tot daden die niet in ons eigen belang zijn. Israël doet zijn best om ons allemaal tot Hamas te bekeren."

Abdel Jawad ergerde zich lange tijd aan de voortdurende beweringen - niet alleen van politici maar ook van andere intellectuelen - dat het Palestijnse volk gebaat was bij de intifada. "Ik hoorde ze op de televisie bezig terwijl ik opgesloten zat in mijn eigen huis", zei hij. In de herfst begon het intellectuele klimaat op de West Bank en in Gaza echter te veranderen. Beter gezegd, meer intellectuelen kwamen in het openbaar uit voor wat ze al langer in hun salons verkondigden, namelijk dat de intifada stuurloos was geworden.

"Wij willen geen martelaarschap maar onafhankelijkheid", zei een Palestijnse minister op de Voice of Palestine. "Het is tijd om te beletten dat de extremisten de Palestijnse nationale beweging kapen", verklaarden andere prominente Palestijnen. Ze begonnen afstand te nemen van de aanvallen op Israëlische burgers. Ze betreurden dat ze hun boodschap aan de Israëli's niet duidelijker hadden gemaakt. Of, zoals de professor zei: "Wij willen Haifa niet, wij willen Jaffa niet, wij willen het bestaan van Israël niet bedreigen."

Die Palestijnse stemmen vonden weerklank in Israël, waar het vredeskamp de militaire agressie van Sharon als contraproductief begon aan te klagen. In de kerstperiode heerste het gevoel dat, voor het eerst sinds het begin van de intifada, vredesmilitanten aan beide zijden hun wanhoop van zich af schudden en het ongenoegen van de bevolking over de gewelddadige status-quo begonnen te kanaliseren. Die heropstanding heeft de opflakkering van het geweld tot nu toe overleefd.

Sari Nusseibeh, de voorzitter van de Al-Quds Universiteit in Jeruzalem en de vertegenwoordiger van de PLO in de stad, ging zelfs zo ver een heilige koe te slachten: het recht van terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen naar de steden en dorpen die zij in 1948 hebben verloren. Nusseibeh heeft in het openbaar gezegd wat de Palestijnse onderhandelaars allang weten: dat het recht op terugkeer elk akkoord in de weg staat. Een oplossing met twee staten, zegt hij, impliceert een land voor de Israëli's en een land voor de Palestijnen - niet een voor de Palestijnen en een ander ook voor de Palestijnen." Zijn opmerkingen maakten veel ophef, maar Arafat steunde hem.

"Ik wilde dat ik de politieke bescherming had die Sari heeft", zei Abdel Jawad. "Je weet niet wie je een kogel zal geven. Niet dat ik niet bereid ben om de prijs te betalen, maar ik ben iets waard voor de Palestijnse maatschappij. Ik moet mezelf beschermen. Misschien zullen ze in de toekomst mij en anderen zoals ik nodig hebben, mensen die ideologisch overtuigd zijn van de noodzaak van vrede."

Toen ik Abdel Kareem opzocht in zijn huis in Gaza City, lag hij op geborduurde kussens op de woonkamervloer, verwikkeld in een soapversie van de intifada, met de leden van zijn eigen omvangrijke familie in de hoofdrollen. De 74-jarige patriarch, een gepensioneerde vrachtwagenchauffeur, droeg een gestreepte kaftan. Gebarend als een verkeersagent probeerde hij de verhitte discussie te leiden tussen de helft van zijn gezin die voor Fatah was en de andere helft die partij koos voor Hamas. Om het allemaal nog wat spannender te maken, droegen zowat alle mannen wapens.

Links van Abdel zat echtgenote nummer één, rechts van hem echtgenote nummer twee, in concentrische cirkels omgeven door dozijnen kinderen en kleinkinderen. Als Abdel Kareem de tel niet kwijt is, heeft hij 20 kinderen en 87 kleinkinderen, sommige donker, zoals echtgenote nummer één, sommige licht, zoals echtgenote nummer twee. Vijf van zijn zonen zijn Palestijnse politieagenten en lid van Fatah. Vijf zijn bij Hamas. Een elfde zoon zei dat hij een fan van Saddam Hoessein was.

Terwijl een grootmoeder zat te breien, een moeder een baby de borst gaf en de tienermeisjes giechelden, verklaarde een goed verzorgde politiezoon: "Wij hebben één autoriteit, één leiding, één wetboek, en die moeten we eerbiedigen. Als mijn broer de wet overtreedt, stop ik hem in de gevangenis..."

Een Hamas-broer met een skimuts van de New York Giants trok een grimas: "Zet dan maar een masker op, zodat ik je niet herken! Waarom zou je mij opsluiten? Jij denkt dat je beter bent dan ik omdat je aan de kant van de Autoriteit staat. De Autoriteit verandert elke dag van politiek. Vandaag staakt-het-vuren, morgen schieten. Jij doet alsof je de wet bent, maar in feite ben je net als wij." Een andere Hamas-broer, ook met een Giants-muts, gaf hem gelijk: "Je bent ook een moslim. Jouw wet is de koran."

De oudste Fatah-broer trok grappend zijn jasje uit, alsof hij bij Jerry Springer was en op het punt stond een vechtpartij te beginnen. "Nu ernstig - Hamas vindt dat wij te mak zijn, dat het ons niet meer kan schelen. Maar je kunt vechten op hun manier en vechten op de onze, en soms overlappen die twee elkaar."

"Als de Israëli's ons aanvallen, moeten wij terugslaan", zei de patriarch. "Maar als ze ons de hand reiken, moeten wij die aannemen." Een van zijn Hamas-zonen reageerde schamper: "Er komt geen vrede. Het zijn wij of zij."

Ik vroeg de mannen van Hamas of ze soms fan waren van de Giants. "Het is alleen maar voor de warmte", zei de eerste, terwijl hij het logo van zijn muts naar binnen draaide. De ander blafte: "Ik hou van New York om wat er op 11 september is gebeurd." Een politiebroer sprong overeind: "Dat wil ik niet horen! Zeg dat je het niet meent! Zeg dat je het niet meent!" De Hamas-broer grinnikte: "Ga je mij anders opsluiten?"

De patriarch vond het allemaal grappig. "Dit is normaal voor Gaza", zei hij. "De vader is voor Hamas en de zoon voor Fatah, of omgekeerd. Hou jij van geroosterd vlees? Ik hou van gestoofd vlees. Hou jij van falafel? Ik hou van al." Echtgenote nummer één kwam tussenbeide: "Wat vertel je nu weer voor nonsens?" "Jij bent mijn maan", antwoordde de patriarch, en tegen zijn andere vrouw: "En jij bent mijn ster."

Het licht ging uit - een normaal stroomdefect. Het enige wat je nog zag, was het gloeien van een dozijn sigaretten. De vader zei: "Er komt nooit een burgeroorlog in Gaza. Wij zijn allemaal broeders."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234