Zondag 20/10/2019

Onderwijs

Waarom uw zoon het moeilijker heeft in de klas dan uw dochter

Beeld Hollandse Hoogte / David Rozing

Werk vinden is een hele klus, vooral voor mannen, zo blijkt uit het jongste VDAB-rapport. Niet verwonderlijk, want jongens hebben het al zo lastig op de schoolbanken, zeggen leerkrachten en experts. En dat ligt niet aan de vele juffen voor de klas. Maar hoe komt het dan wel?

De man is lam. Het is de titel van een theatervoorstelling. Over hoe mannen in een crisis verkeren, hoe ze zich soms geen raad weten in de huidige, gefeminiseerde samenleving. De man is lam: het kon ook de titel zijn van het jongste VDAB-rapport, dat vorige week bekend raakte. In die studie legt de Vlaamse tewerkstellingsdienst een schrijnend contrast bloot tussen de seksen. Zo blijkt het aantal mannelijke werklozen tegenover 2001 met 52 procent gestegen, terwijl het aantal vrouwen zonder job stabiel is gebleven.

Logisch, zo geven arbeidssociologen aan, want het begint al op school. Jongens presteren slechter in de klas, waardoor ze ook op onze arbeidsmarkt minder kans maken. “Wie geen diploma heeft, komt met een handicap aan de start”, luidde het al.

Maar hoe komt het dat zo veel jongens leerachterstand oplopen? “Doordat er te veel vrouwen voor de klas staan” – de beruchte vervrouwelijking van het onderwijs. Het is een redenering die je om de zoveel tijd hoort terugkeren. Maar sla er wat wetenschappelijke literatuur op na en je voelt het meteen aan je theewater: geen enkele studie maakt dit hard. Veel of weinig vrouwen in de leraarskamer, onze zonen zullen er geen rodere cijfers door halen.

“Enkel kijken naar het geslacht van leerkrachten is een hele verenging”, beaamt onderwijsspecialist Pedro De Bruyckere. “Dat neemt niet weg dat ik wel graag meer mannen in het onderwijs zou zien. Maar dan niet om die leerachterstand weg te werken, wel eerder als rolmodellen.”

Als het niet aan de juffen ligt, hoe komt die leerachterstand er dan wel? Een eerste verklaring zit in ons hokjesdenken, meent socioloog Mieke Van Houtte (UGent): “Leerkrachten moeten genderbewust worden. Ze moeten zich ervan bewust zijn dat ze hun leerlingen soms anders benaderen naargelang hun geslacht. Zo krijgen jongens vaker negatieve opmerkingen en worden ze meer tot de orde geroepen, terwijl meisjes makkelijker met hetzelfde storende gedrag wegkomen. Of ze hebben, op basis van het geslacht, verschillende verwachtingen. Dat uit zich dikwijls in kleine opmerkingen. Zoals: ‘Amai, dat is wel mooi geschreven voor een jongen.’ Met zo’n ‘compliment’ geef je als leerkracht ondertussen wel de boodschap mee: van het handschrift van jongens verwachten we dat niet.”

Een grootschalig Brits onderzoek, verschenen in Child Development Journal, legde eerder al bloot hoe jongens aanvoelen dat hun leerkrachten en ouders niet dezelfde hoge verwachtingen van hen hebben als van meisjes. Hierdoor raken de knapen hun zelfvertrouwen en motivatie kwijt, wat hen niet bepaald vooruithelpt op school. Gevolg: al op hun zevende vinden jongens goeie schoolresultaten iets typisch voor meisjes. De meisjes zijn er, in alle bescheidenheid, al op hun vierde van overtuigd dat zij de primussen zijn van de klas.

“Jongens worden meer gecorrigeerd”, erkent ook neuropsycholoog Jelle Jolles, verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en hoofd van het centrum Brein & Leren. “Het lastige is dat die correctie in vele gevallen niet helpt. Veel leerkrachten proberen vooral de orde te handhaven, maar de leerling heeft baat bij feedback om zijn gedrag te veranderen. Hij moet eerst beseffen waarom zijn gedrag precies zo storend is.”

Precies op dat vlak hebben meisjes over het algemeen een stapje voor, schetst Jolles. “Meisjes hebben al op iets vroegere leeftijd wat zelfinzicht. Ze zijn ook beter in staat om de intenties van anderen te herkennen, en schatten beter in wat er van hen wordt verwacht. Dat geeft hen een voorsprong, zodat ze de leerkracht makkelijker kunnen bespelen.”

Komt daarbij dat vlijtige jongens zich nu eenmaal niet mister popular maken, zo wijzen studies uit. “IJverig zijn wordt onder jongens maar scheef bekeken”, knikt socioloog Mieke Van Houtte. “Er heerst een masculiene cultuur die tegen hard werken ingaat, en daar laten ze zich snel door meesleuren. Wat niet wegneemt dat ze goeie punten willen halen, maar dan wel liefst met zo weinig mogelijk moeite.

“Ze hebben er een strategie voor: haal je hoge cijfers en wek je de indruk dat je er niks voor moest doen, dan steek je er echt bovenuit. Dan heb je die ‘natuurlijke intelligentie’. Dan ben je cool. Heb je geen goeie punten? Ook geen probleem. Dan kom je ermee weg door te zeggen dat je er toch geen klop voor had gedaan. Maar het omgekeerde is nefast: stel dat iedereen weet dat je hard werkt, maar je punten zijn slecht. Dan ben jij natuurlijk de dommerik. Dat is zo’n beetje het idee erachter.”

Jan, leraar Nederlands en Engels in het technisch en beroepsonderwijs, kan ervan meespreken. “Als een jongen consequent zijn best doet om de eerste te zijn, moet hij al sterk in zijn schoenen staan, want dan vangt hij veel commentaar. Zo had ik een jongen in mijn klas met Hongaarse roots. Hij was heel geïnteresseerd in politiek: hij wist veel over Viktor Orbán, over onze politici. Voor een klasproject over politiek toonde hij zich erg geëngageerd. Hij trok de hele groep vooruit, deed meer dan verwacht en haalde mooie punten. Ineens kreeg hij tegenwind van de anderen: dat hij een streber was, dat hij zich geliefd wilde maken bij mij. In het semester daarna, nadat het project was afgerond, merkte ik dat die jongen zich tegen mij begon af te zetten. Hij maakte zijn opdrachten niet meer, haalde slechte cijfers en deed alsof het hem koud liet. Duidelijk onder invloed van de klas.”

Veel jongens bouwen al vanaf de basisschool een achterstand op, die ze later op de middelbare school niet of nauwelijks meer inhalen, zo geven experts aan. Jongens vallen ook vaker uit op school dan meisjes. Zo zijn in Vlaanderen 62,6 procent van de vroegtijdige schoolverlaters­ ­jongens.

Om die kloof weg te werken moeten leerkrachten slimmer inspelen op de verschillen tussen jongens en meisjes, vindt wiskundeleraar Siep de Haan, verbonden aan het Bonifatius College in Utrecht. Hij zette eind vorig jaar samen met collega’s van vier andere middelbare scholen een symposium op touw om ‘jongensachtige’ manieren van leren te promoten, met als titel: ‘Boys Will Be Boys.’ Leerkrachten konden er tips rapen om te voorkomen dat leerlingen in slaapstand gaan. Zoals: hou je instructies kort en laat de jongens los, laat het hen zelf oplossen.

Maar hebben jongens en meisjes wel een andere leerstijl, die effectief om een aparte aanpak vraagt? Niet alle experts zijn daarvan overtuigd, verre van. “Onder jongens onderling en meisjes onderling heb je meer variatie dan tussen beide seksen”, werpt socioloog Mieke Van Houtte op. “Je kunt leerlingen wel degelijk op verschillende manieren benaderen, maar dan niet op basis van geslacht: zo bevestig je alleen de stereotypen.”

Siep de Haan: “Sommige wetenschappers zullen ontkennen dat die verschillen tussen jongens en meisjes er zijn. Zij worden bijna boos als je dat zegt. Terwijl ik denk: laten we dit alsjeblieft niet negeren. Wil je die achterstand wegwerken, dan moet je die zichtbare verschillen benoemen, erkennen. Meisjes, bijvoorbeeld, zijn veel zorgvuldiger en preciezer. Ze hebben ook meer zelf­discipline.”

Klopt, verzekert neuropsycholoog Jelle Jolles. “Dat heeft te maken met dat zelfinzicht. En dat is net zoals zelfregulatie, impulsremming en planning een van de ‘executieve functies’. Dat zijn functies gebaseerd op de ontwikkeling van bepaalde hersencircuits. Bij baby’s zijn die nog maar heel rudimentair, maar ze hebben de potentie om uit te groeien tot een vaardigheid. Het is de omgeving – ouders, school – die de functies mee laat ontpoppen, door feedback te geven. Niet alleen de hersenen spelen dus een rol, maar ook de omgeving. Ouders of leerkrachten die gewoon wachten tot die vaardigheden zich spontaan uit het brein gaan ontwikkelen, kunnen dus lang wachten. Wel hebben jongens hier meer feedback voor nodig. Zij zijn ook minder talig. Daarom heeft het niet veel zin om hen alleen via taal tot ander gedrag of impulsremming te brengen.”

Gekke gymnastiek

Jongens zijn ook beweeglijker, gaat Jolles verder. “Ze zijn motorisch onrustig omdat hun lichaam – hun spieren en skelet – in ontwikkeling is. De behoefte aan actie duidt erop dat hun lichaam nog een werk in uitvoering is.” Herkenbaar, meent wiskundeleraar Siep de Haan. Hij doet weleens een paar “gekke gymnastiekoefeningen” met zijn klas als de jongens wat rumoerig worden. “Of een dansje. Dat hoeft helemaal niet lang te duren. Een minuut helpt al veel. En dan opnieuw een vraagstuk oplossen. Dat doet ­wonderen.”

Af en toe een paar minuten uitschudden is al heel waardevol, menen breinexperts, want het maakt ook de hersenen rustig. Of laat leerlingen rechtop staan: iets waar wel meer Vlaamse scholen al mee experimenteren, om jongeren zo beter bij de les te houden. Stilaan dringt het besef door dat het voor niemand goed is, om acht uur lang onderuitgezakt te zitten op een stoel.

Het doet Jan, leraar Nederlands en Engels, terugdenken aan die ene jongen het voorbije schooljaar: “Een toffe kerel, goeie leerling ook. Alleen: hij kon geen minuut stilzitten. Hij liep constant over en weer, barstte van de energie. Stel dat je zo’n jongen de hele tijd vermaant: ‘Zet u neer, zit stil’, dan werkt dat alleen maar contraproductief, dan krijg je daar niks van gedaan. Dus stuurde ik hem af en toe om kopieën, zodat hij eens kon luchten. Of ik gaf hem deadlines voor taken. Dat vond hij veel uitdagender en hij speelde het ook telkens weer klaar. Dat gaf hem de vrijheid om eens onnozel te doen, wat te spelen.

“Maar dan besef je: zet zo’n jongen in een strikte klas waar hij moét stilzitten en luisteren, en hij valt uit de boot. Jammer, toch? Veel leerkrachten beginnen dat wel aan te voelen. Stilzitten en van het bord overschrijven: voor een bepaald publiek is dat passé. Wel meer collega’s stellen zich de vraag: hoe kunnen we voor een maximaal leerrendement gaan, op een andere manier?”

Drijf de competitie in de klas op, tipt Siep de Haan nog. Want die is de laatste jaren minder belangrijk geworden op school, bevestigt de literatuur. De Haan: “Jongens willen overal een wedstrijdje van maken. Na een examen zeg ik soms: ‘Ik zie dat de meisjes een punt hoger hebben gescoord dan de jongens. De volgende keer wil ik dat graag andersom zien. Ik zweer het je, dan worden die jongens heel fanatiek. En dan gaan die resultaten ook omhoog. Zo eenvoudig kan het dus zijn. Niet dat meisjes ongevoelig zijn voor competitie. Maar jongens slaan er heel hard op aan.”

De eerste, de snelste, de beste? Kunnen leerlingen op geen enkele manier wedijveren, dan kan er zelfs negatieve competitie ontstaan, stipt pedagoog Pedro De Bruyckere aan. “Dan halen ze streken uit en stellen ze negatief gedrag, puur om aandacht te trekken. Maar opgelet: voer je die competitie terug in, dan kan het voorvallen dat je een groep jongens helemaal verliest. Zo hebben ze in Nederland in een opleiding ooit de punten opnieuw uitgehangen, heel ouderwets eigenlijk. Toen zagen ze dat allochtone jongens volledig afhaakten.”

De punten aan de muur geprikt – wie eerst, wie laatst? – het zou ook volgens Jan, leraar in het technische, meer kwaad dan goed doen. “Het zou niemand van die laatsten aanzetten tot betere prestaties. Als ik in mijn hogere jaren moet zeggen: ‘Je hebt een nul’, dan is de reactie vaak: ‘Oké dan, maat, schrijf maar op.’ Die zitten daar totaal niet mee in.”

Wat dan weer wél werkt om de motivatie aan te vuren? Een rondje quizzen, weet Jan: “Dan doen we oefeningen als: moet je hier een simple past of een present perfect invullen? Op het bord verschijnt de opgave, met vier mogelijke antwoorden. Op hun smartphone duiden ze dan zo snel mogelijk het juiste antwoord aan. Na elke vraag zien ze meteen een ranking van de hele klas. Daar gaan ze helemaal in op. Het is zeker iets wat ook bij meisjes werkt, maar bij jongens is het een nog krachtiger instrument. Zij laten zich volledig meesleuren in dat wedstrijdgebeuren. Ondertussen vergeten ze dat we de leerstof, die er nog niet goed in zat, aan het herhalen zijn.”

Samenwerken

Nee, jongens hebben het niet onder de markt. Ze vangen sneller commentaar, terwijl ze minder snel tot zelfinzicht en zelfdiscipline komen. En datgene waar ze zo’n behoefte aan hebben – bewegen en competitie – wordt al te vaak in de kiem gesmoord. Tenzij hun leerkrachten niet vies zijn van gymnastiek en een quiz op tijd. Bovendien, zo geven kenners aan, worden vaardigheden als samenwerken, plannen en communicatie steeds belangrijker in de les. Uitgerekend competenties waar meisjes iets vroeger rijp voor zijn.

“Let wel: we doen jongens tekort als we zeggen dat zij niet kunnen samenwerken”, nuanceert neuropsycholoog Jelle Jolles. “Kijk naar hoe ze samen een hut bouwen, nieuwe spelregels bedenken voor verstoppertje op het pleintje. Wel is het zo dat de manier waarop we leerlingen op school laten samenwerken sterk bepaald wordt door taal. Dat is waar meisjes beter in zijn op dat moment. We moeten jongens de kans geven daar ook in te groeien.”

Vergelijk een wiskunde- of natuurkundeboek van vroeger met dat van nu en je zult zien dat er veel meer tekst aan te pas komt, bemerkt Siep de Haan. “Dat talige sluit beter aan bij meisjes dan bij jongens. Die laatsten willen heel kort een opgave krijgen en het dan zelf uitzoeken. Ze willen zich niet eerst door twintig bladzijden tekst wroeten.”

Bij jongens maak je er dus best geen tekeningetje bij, zeg maar. Dat merkte De Haan onlangs nog, toen de leerlingen in groepjes een robot mochten maken. “Bij de jongens kun je dan gewoon zeggen: ‘Dit zijn de spullen die jullie mogen gebruiken, zoek zelf een handleiding en ga aan de slag.’ Meisjes raken in paniek bij zo’n korte opdracht. Bij hen bekijken we alles stap voor stap en is er meer terugkoppeling. Uiteindelijk kwamen alle groepen tot een goed werkende robot, dat wel, maar de instructies moesten anders. En bij de jongens speelde die competitie natuurlijk weer. ‘Gaat het ons lukken?’ ‘En vooral: wie als eerste?’” (lacht)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234