Woensdag 24/07/2019

'Waarom stoppen jullie de moordpartijen niet, riep ik'

Zelfs toen in april 1994 de Rwandese genocide losbrak, probeerde ambassadeur Johan Swinnen het onheilstij te keren. Aan zijn zijde stond zijn vrouw Mieke Standaert. 'Ik zag hoe de genocide-verantwoordelijken zich in ons salon nestelden alsof er niets aan de hand was. Toen sloegen bij mij de stoppen door.' Vandaag publiceert Swinnen zijn Rwanda-memoires.

Dit verhaal begint als een idylle. In het voorjaar van 1990 namen Johan Swinnen en Mieke Standaert hun vier kinderen mee naar een McDonald's-restaurant in Brussel om het goede nieuws mee te delen: vader Swinnen was net benoemd tot Belgisch ambassadeur in Rwanda, het gezin zou over enkele maanden vertrekken naar het land dat toen bekendstond als het Zwitserland van Afrika. Rwanda was nog een stabiel land waar het vanwege de prachtige landschappen en het milde klimaat aangenaam toeven was.

Mieke Standaert: "We waren dolgelukkig omdat er in Kigali een Belgische school was waardoor we zonder problemen onze vier kinderen konden meenemen. Voor mij was het bovendien een retrouvaille met Afrika. Ik heb een deel van mijn jeugd doorgebracht in Congo en heb een innige band met de regio."

Johan Swinnen: "Rwanda was het troetelkind van de internationale gemeenschap. Het land werd behoorlijk bestuurd, ontwikkelingsprojecten waren relatief succesvol en de vooruitgang was zichtbaar. De wegen waren goed, er was elektriciteit, de telefoon werkte. Bovendien was Kigali voor een jonge en ambitieuze ambassadeur best een interessante post. De Franse president François Mitterrand had in La Baule net een top georganiseerd waarin hij Afrikaanse leiders had opgeroepen hun landen te democratiseren en het meerpartijenstelsel te omarmen. De Berlijnse muur was net gevallen en de wind van vrijheid en liberalisering moest volgens Mitterrand ook door Afrika beginnen waaien.

"Komt daar nog bij dat België op de voorste rij zat in Rwanda, ons voormalige mandaatgebied. Dat maakte die post natuurlijk extra interessant. Kortom, de kinderen waren tevreden, mijn vrouw was tevreden, ik was tevreden en - ik zeg het er eerlijk bij - we zouden in een heel mooie residentie gaan wonen met een prachtig uitzicht op de heuvels."

Standaert: "En! Dat moet je er toch wel bij vertellen, Johan: je was voor het eerst tot ambassadeur benoemd. We waren allemaal heel trots."

Veel rust was u niet gegund. U vertrok in augustus 1990 en op 1 oktober vielen de rebellen van huidig president Paul Kagame Rwanda vanuit Oeganda binnen. Van een idylle belandde u in een oorlogssituatie.

Swinnen: "Zelfs voor ons vertrek waren er spanningen, dat wisten we. President Juvénal Habyarimana was al zeventien jaar aan de macht en er kwam sleet op zijn regime. Er was steeds meer sprake van corruptie, kritische journalisten werden vervolgd, sommige activisten hadden het over een dictatuur. Daar bovenop had je steeds meer aanwijzingen dat de Tutsi-minderheid gediscrimineerd werd en bekommerde Habyarimana zich te weinig over het lot van de duizenden Tutsi-vluchtelingen die sinds eind de jaren 50 het land waren uitgejaagd door de Hutu-machthebbers. Die laatsten zouden uiteindelijk in oktober 1990 het heft in eigen handen nemen en Rwanda binnenvallen."

Standaert: "Die dagen beleefden we onze eerste angstaanjagende momenten. Ik herinner me die ene nacht waarbij er urenlang geschoten werd en we de kogels op het dak hoorden vallen. We zochten met zijn allen dekking achter een muur in een van de kamers, we bibberden van de schrik. Achteraf zouden we horen dat het om een schijnaanval ging waarmee het regime de indruk wou wekken dat er een vijfde colonne van de rebellen in Kigali aanwezig was."

Swinnen: "En dat leidde dan weer tot de arrestatie van zeven- à achtduizend opposanten. Er waren voortdurend razzia's. Dat was die dagen een van mijn belangrijkste taken: gevangenissen bezoeken om na te gaan of die mensen correct behandeld werden. Nadat ik op de binnenplaats van de centrale gevangenis in Kigali een toespraak had gegeven, kreeg ik van de gevangenen een lang applaus. Blijkbaar zagen ze me als een soort held. Maar voor de regering was ik plotseling een lastige en subversieve ambassadeur."

De situatie ging van kwaad naar erger. In 1991 en 1992 waren er etnische bloedbaden die aan honderden mensen het leven kostten en die als generale repetitie golden voor de genocide van 1994. Uit onderzoek bleek dat de moordpartijen centraal door regimefiguren waren aangestuurd. Wat opvalt is dat u in die periode heilig blijft geloven in een vreedzame oplossing.

Standaert: "Dat is Johans karakter, hé, dat positivisme. Hij laat zich niet makkelijk uit het lood slaan en zal altijd zeggen dat het glas halfvol is. Johan was altijd op zoek naar openingen in de impasse en is tot op het laatste moment blijven ijveren voor een geweldloze oplossing. Bovendien waren er wel degelijk gematigde Rwandese gesprekspartners die goede bedoelingen hadden met het land. Dat gaf hem hoop."

Swinnen: "Je hebt jezelf niet gemaakt, hé. Dat optimisme zit inderdaad in mijn aard. Mieke heeft gelijk dat die gematigde en positieve Rwandese krachten me sterk hielden. Er zat, ondanks alle problemen, enorm veel potentieel in dat land. Die gematigden trof je overal aan: in de politiek, in het leger, bij mensenrechtenorganisaties, in de media, in het bedrijfsleven. Ja, ik kon echt genieten van mijn gesprekken met die mensen. Het is dankzij hen dat in augustus 1993 de vredesakkoorden van Arusha werden ondertekend. Die voorzagen in een machtsdeling tussen het regime, de oppositie en de rebellen. De beste drijfveer om in dergelijke omstandigheden goed en sterk te functioneren is vertrouwen. Ik prees me gelukkig om een goede vertrouwensband te hebben met de toenmalige buitenlandministers Mark Eyskens en Willy Claes."

Extremisten bedachten dan weer allerlei intriges om het vredesproces te dwarsbomen. U leefde in een slangenkuil en onderhandelde met gezagsdragers die na de genocide wegens misdaden tegen de mensheid veroordeeld zouden worden. Hebt u voor april 1994 nooit momenten gehad waarbij u dacht dat het land op een catastrofe afstevende?

Swinnen: "Jazeker. Toen in oktober 1993 de Burundese president Melchior Ndadaye werd vermoord, had dat een desastreuze impact op het Rwandese vredesproces. Ndadaye was als gematigde Hutu democratisch verkozen en werd door radicale Tutsi-militairen vermoord. President Habyarimana vertelde me onder vier ogen dat hij zijn hoop in het vredesproces had verloren. Een dramatisch gesprek was dat. 'Zie je wat de Tutsi's doen als je democratiseert?', zei hij. 'Ze vermoorden je gewoon. Ik krijg die vredesakkoorden niet meer verkocht. De mensen geloven er niet meer in.'

"Het was een akelige periode: de machtsdeling kwam maar niet van de grond, er was steeds meer geweld en er waren verschillende politieke moorden. De etnische radicalisering ontspoorde en de racistische haatradio Radio Télévision Libre des Mille Collines ging in hogere versnelling en begon ook een anti-Belgisch klimaat te creëren. Aan Rwandese kant nam de machiavellistische diaboliek met de dag toe. De moed zakte in mijn schoenen."

Uw man spreekt van een akelige periode waarbij de radicale krachten de overhand kregen. Hoe ervaarde u die periode?

Standaert: "Het is misschien erg om te zeggen, maar een mens geraakt snel gewend aan oorlog en politieke spanning. Er gold die dagen een avondklok en in het begin heb je het daar wat moeilijk mee. Maar je past je snel aan en je gaat door met je dagelijkse leven. Ik bracht de kinderen naar school en ging ze 's avonds weer halen. Ik reed zonder angstgevoelens rond in Kigali en in de weekends deden we soms uitstappen naar het Kivu-meer of het nationaal park van Akagera.

"We wenden aan de oorlog en leefden ons leven. Terwijl zich op enkele kilometers van het stadscentrum een enorm ontheemdenkamp bevond met duizenden blauwe tentjes. Ik ging er regelmatig naar toe met een Belgische zuster. Om eten en dekens te brengen. Ik heb een keer onze oudste zoon Frederick meegenomen omdat ik hem wou tonen wat oorlog met mensen doet. Maar onze jongste kinderen probeerde ik zo goed als mogelijk af te schermen van de miserie. Ik wou dat ze een zo normaal mogelijk leven leidden."

Swinnen: "In zekere zin heerste er een surrealistische normaliteit. Ik herinner me nog dat ik op een avond met uw collega-journalist Frans De Smet op het terras van de residentie een biertje zat te drinken. 'Is dit niet absurd', ging het gesprek, 'wij zitten hier op deze prachtige plek en genieten van een pint terwijl op die heuvel aan de overkant tienduizenden ontheemden in tentjes moeten overleven.'

"Ik herinner me ook een prachtige zondag, enkele weken voor de genocide. Er werd getennist, het was een mooie dag. Mijn termijn van vier jaar zat er bijna op en ik had geen zin om afscheid te nemen van Rwanda. 'Mieke', zei ik, 'zullen we er nog een vijfde jaar bij doen?'"

Toen kwam 6 april 1994. Tijdens de landing op Kigali wordt de privéjet van president Habyarimana neergehaald waarna een volkenmoord losbreekt die op honderd dagen tijd het leven kost aan naar schatting een miljoen Tutsi's en gematigde Hutu's. In de ochtend van de 7de april doden Rwandese militairen ook tien Belgische para's. Een interimregering van Hutu-extremisten speelde een cruciale rol bij die moordpartijen. U kreeg die genocide-verantwoordelijken in die dagen over de vloer. Hoe ging u met die ministers om?

Standaert: "Het is de enige keer dat ik bezoekers van Johan heb uitgescholden. Die ministers gedroegen zich alsof er niets aan de hand was terwijl er enkele tientallen meters verderop mensen werden vermoord. Ik had net gehoord dat de liberale minister Landwald Ndasingwa en zijn Canadese vrouw waren omgebracht, samen met hun kinderen. Ik kende hen goed, hun kinderen gingen samen met onze kinderen naar de Belgische school. Hun dood raakte me geweldig. En dan zie je die ministers rustig in je salon een drankje bestellen. Toen sloegen de stoppen door. 'Waarom houden jullie de moordpartijen niet tegen!', riep ik. 'Jullie zijn ministers en kunnen de moordende milities tegenhouden.'"

Swinnen: "Het was een scherp en hard gesprek. Die ministers wilden eigenlijk dat België hun interim-regering zou erkennen. 'België moet ons steunen in onze projecten', klonk het. Ik kon mijn oren niet geloven. 'Welke projecten?', zei ik. 'Hoezo erkennen? Zouden we niet eerst spreken over de veiligheid. Waarom doen jullie geen oproep tot kalmte? Waarom leggen jullie Radio Mille Collines niet het zwijgen op? Die radio blijft maar briesen dat er mensen moeten worden vermoord en dat de Belgen de president hebben omgebracht. En wanneer krijgen de Belgische evacuatietroepen toestemming om in Kigali te landen?'"

In de eerste dagen van de genocide lanceert de Belgische regering niet enkel een diplomatiek offensief om de Belgische blauwhelmen, maar de volledige VN-macht terug te trekken. Dat blijft een van de meest controversiële beslissingen uit de Belgische geschiedenis, zeker omdat België de gematigde krachten in Rwanda maandenlang had aangespoord om te blijven ijveren voor het compromis van Arusha. Hoe staat u tegenover die terugtrekking? Hebben we die gematigde krachten en de bevolking niet aan hun lot overgelaten?

Swinnen: "Ik kon begrip opbrengen voor die terugtrekking. Er ontketende zich als het ware een heksenjacht op de Belgen. De tien para's en evenveel Belgische expats schoten er het leven bij in. Radio Mille Collines hitste de gemoederen op, spuwde haat en venijn, en zette ook aan tot het ombrengen van de Belgen. Dergelijke context wettigde de vraag of we in die sfeer wel zinnig werk konden blijven doen.

"Anderzijds begrijp ik ook dat een gespierde interventie verder onheil had kunnen voorkomen. Maar dat mandaat was er niet. De Belgische diplomatie ijverde al maanden om het mandaat van de VN-troepen te versterken. De permanente leden van de Veiligheidsraad, de VS, Rusland en het Verenigd Koninkrijk op kop, hadden daar geen oren naar. Dat was ook de reden voor toenmalig buitenlandminister Willy Claes om dan maar te lobbyen voor de integrale terugtrekking van de blauwhelmen.

"Na mijn terugkeer in België zei ik aan premier Jean-Luc Dehaene hoe moeilijk ik het daarmee had. Zelfs als de troepen moesten worden teruggetrokken, kon dat dan niet tijdelijk in een Afrikaans buurland, om er snel weer in te vliegen met een robuuster mandaat? Dehaenes antwoord was laconiek: 'Er was daar geen peace meer te keepen.'

"Maar u hebt gelijk: de Belgen waren gehaat door de extremisten maar we werden op handen gedragen door de gematigden. Diezelfde krachten hadden gepleit voor Belgische deelname aan de UNO-operatie. En dan zetten we het op een lopen als het proces ontspoort. We moeten dat toegeven en betreuren. Maar laten we daar ook lucide mee omgaan. Het zou onwijs zijn alleen de internationale gemeenschap met schuld te beladen. De ergste schuldigen zijn de Rwandese extremisten."

Met welk gevoel bent u uit Rwanda vertrokken?

Standaert: "Ik ben twee dagen voor Johan vertrokken. Samen met de kinderen en enkele Rwandese en Belgische burgers die bij ons om bescherming waren komen vragen. Onder hen ook enkele kinderen. We vertrokken in een vrachtwagen van de Belgische blauwhelmen en net voor ik in de laadbak klom zei ik tegen het personeel van de residentie dat ik over enkele weken al terug zou zijn. Geen haar op mijn hoofd dacht eraan dat dit een vaarwel was. De truck bracht ons naar een verzamelpunt aan de Franse school. Toen we daar stonden te wachten reed er een pick-uptruck met gewapende militieleden voorbij. Ze zagen dat we met Belgische militairen waren en deden teken dat ze ons zouden vermoorden: ze lieten hun vinger over hun keel glijden.

"Uiteindelijk brachten Franse militairen ons naar de luchthaven. Ik weet nog heel goed dat het zeil van de vrachtwagen niet dicht mocht omdat de Rwandese militairen en milities duidelijk moesten zien dat we enkel maar blanken vervoerden. De Rwandezen van ons gezelschap moesten op de vloer liggen en zich gedeisd houden. Ik zag milities met machetes en met gespijkerde knotsen. Angstaanjagend. Maar uiteindelijk bereikten we de luchthaven en vervolgens zijn we via Nairobi naar Brussel geëvacueerd.

"Op het tarmac van Melsbroek ben ik in elkaar gestuikt. Een totale paniekaanval. Ik had net gehoord dat alle westerse ambassadeurs waren vertrokken en dat Johan als enige ambassadeur was achtergebleven. Je moet weten dat wij de dagen daarvoor hadden vernomen dat hij op een dodenlijst stond en gezocht werd."

Swinnen: "Op Radio Mille Collines was te horen dat elke goede Rwandees de plicht had om een Belg te vermoorden. Tout le monde doit se farcir un belge. En we hadden inderdaad gehoord dat ze mijn vel wilden. In Kigali speelden zich verschrikkelijke taferelen af. Vanuit mij bureau in de ambassade zag ik vrachtwagens vol lijken passeren. Maar tegelijk had ik het verschrikkelijk druk met de evacuatie die op volle toeren draaide. Vooraleer de ambassade definitief te sluiten, moest ik iets doen waarvan ik dacht dat ik het als ambassadeur nooit zou moeten doen: we propten alle vertrouwelijke documenten in een grote vuilbak en staken ze in brand. Enkele uren later zat ik op een vliegtuig naar Nairobi en Brussel.

"Pas later zou langzaam tot me doordringen wat ik allemaal had meegemaakt en wat ik had moeten achterlaten. Die eerste weken na mijn terugkeer werd ik overvallen door gevoelens van ergernis en opstandigheid maar ook van een zekere gelatenheid. Bitterheid nam het over van hoop."

Op het einde van het boek drukt u de hoop uit dat het toekomstige Rwanda rekening houdt met de hoop en de aspiraties van die honderdduizenden gematigde mensen die in 1994 omkwamen. Wat bedoelt u daar precies mee?

Swinnen: "Ik hoop heel erg dat Rwanda en andere Afrikaanse landen een authentieke en duurzame weg vinden naar democratie. Wij moeten daarbij het nodige geduld aan de dag leggen en in geen geval onze modellen te veel opdringen. Ik wens Rwanda ook een toekomst toe waarbij de verschillende etnieën elkaar nooit meer zullen gijzelen. Maar ik hoop ook dat het in Rwanda goed komt met de mensenrechten en daarmee moeten we ons misschien wat meer bemoeien. Want rechten van menselijke waardigheid zijn universeel. Ik vind niet dat wij Europeanen ons opdringerig moeten opstellen, maar ik vind wel dat we ons in Rwanda actiever voor de mensenrechten moeten inzetten. Ik zie nogal wat verontrustende evoluties op dat vlak."

U lijkt nog steeds klaar te staan om in Rwanda vredesonderhandelingen te voeren en een hartig woordje met de huidige president Paul Kagame te spreken.

Swinnen. "Oh, heel graag. Ik zou ongelofelijk graag nog eens met hem van gedachten wisselen, 22 jaar na ons laatste ontmoeting."

Standaert: "Ik weet niet of Kagame u na dit boek nog wil ontmoeten."

Swinnen: "Waarom niet? Als mijn boek in het Frans of het Engels is vertaald, zou ik met hem wel eens een goede dialoog willen voeren over wat er destijds allemaal is misgelopen en over zijn toekomstvisie voor Rwanda. Ik denk dat ik in het boek behoorlijk wat kritische analyses aanlever die stof kunnen opleveren voor een goed gesprek. Om te beginnen stel ik alvast voor dat hij inzake dialoog wat meer marge creëert voor zijn eigen bevolking. Niet dat ik mij aan parallelle diplomatie wil wagen: er zit voldoende talent bij onze jongere diplomaten en politici. Maar misschien kan Kagame en passant ook wat tijd en ruimte creëren voor een sereen en constructief gesprek met een gepensioneerd maar gemotiveerd diplomaat."

Johan Swinnen, Rwanda, mijn verhaal, Uitgeverij Polis

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden