Woensdag 18/05/2022

Waarom Marlene Dietrich van zuurkool hield

roger cohen

Allemaal quatsch!

Haar land kon ze niet meer terug in, dus deed Marlene Dietrich in de laatste jaren van haar leven wat daar het dichtste bij lag: ze bestelde Duitse kost op haar kamer. Want ze heeft er altijd een zwak voor gehad.

"Als haar niets anders zou resten dan haar stem", schreef Ernest Hemingway, "dan nog zou ze er harten mee kunnen breken." Die stem, zij het een beetje breekbaarder, was het eerste waarmee de jonge Beierse kok Markus Auer in Parijs kennismaakte. Ze sprak hem toe aan de telefoon: "Hallo, wie ben jij? En weet je wel wie ik ben? Ik ben Dietrich. Dietrich, ken je haar?" De kok is een jongen van de buiten met een open gezicht en blauwe ogen. Onschuldig, maar niet zo onschuldig dat hij Marlene Dietrich niet zou kennen. "Breng me een stevig Duits ontbijt", commandeert ze hem. "Duits brood. Koffie, wat koud vlees."

We schrijven 1989, Dietrich is 87, ze heeft een duizendtal gebroken harten achter zich, elk hoekje en kantje van de liefde ontgonnen en ze heeft zich volledig van de wereld teruggetrokken op een appartement in het 16de arrondissement. Duitsland heeft haar niet goed behandeld, of toch niet altijd, maar de maag, dat is een ander verhaal. Voedsel, de maag, dat is de band met de kindertijd, met de Heimat, met het hart.

Markus Auer, de chef, is minder dan een derde van haar leeftijd. Hij is pas beginnen werken in La Maison d'Allemagne, een Duits restaurant om de hoek van haar flat op de Avenue Montaigne. Als hij zijn baas op de hoogte brengt van het telefoontje, hoort hij dat ze een goede bekende is in het restaurant. Ze plaatst er geregeld telefonische bestellingen en ze noemen haar La Comtesse (voor haar vroeger minnaar Jean Gabin was ze 'Ma grande'; voor Hemingway, bij hun eerste ontmoeting, 'The Kraut', maar dat was voor ze ontdekten dat ze beiden leden aan een 'ongesynchroniseerde passie').

La Comtesse wordt goed bewaakt. Als Auer aanbelt met zijn mand met Duits brood en een thermos sterke koffie, wordt hij door de conciërge gekeurd op een manier die hij vergelijkt met "een luchthaven in volle oorlogstijd". Als duidelijk is dat deze man geen camera heeft verborgen onder de Pumpernickel, wordt hij naar boven gebracht, waar hij wordt onthaald op een kort "kommen sie herein". Zoals hem is uitgelegd, stapt de chef het heilige der heiligen binnen, de slaapkamer van Marlene Dietrich. Ze zit in bed, haar glad gezicht afgetekend tegen het raam achter haar, omringd door de parafernalia van haar nagenoeg geïmmobiliseerde leven: boeken, omslagen, postzegels, een telefoon, messen, vorken, scharen, thermosflessen, een rolstoel, medicijnen, een televisie, documentatiemappen, kranten en magazines in het Duits, Frans en Engels. Net als vroeger wil Dietrich op de hoogte blijven van wat er in de wereld gebeurt, al is haar ongeduld met 'gekken' er niet op verbeterd.

Met ingelijste prijzen en foto's wordt hier de lange weg opgeroepen die ze heeft afgelegd van Berlijn tot Hollywood, via de linies van de geallieerden in WO II (Dietrich ruilde de Duitse nationaliteit in 1939 in voor de Amerikaanse) tot dit Parijse heiligdom. Er is ook een 'dodenmuur', met foto's van diegenen die haar hebben liefgehad maar die reeds de eeuwige jachtvelden hebben opgezocht. De dood schrikt haar niet af, het is het leven waarvoor je bang moet zijn, placht ze te zeggen.

Dus wie, wil ze weten, is die Auer, waar komt hij vandaan, wat doen zijn ouders, waarom probeert hij Hoog-Duits te spreken terwijl ze wel hoort dat hij van Beieren afkomstig is? En waar leerde hij koken, heeft hij een liefje, is het een Française en is ze van goede familie? De ondervraging gebeurt grondig, maar Auer, die niets te verbergen heeft, doorstaat de vuurproef. En zo begint een van Dietrichs laatste relaties, een gastronomische deze keer, lange tijd door Auer zorgvuldig geheimgehouden, maar dit voorjaar geopenbaard in een boek van Georg A. Weth. Auer en Weth zijn sinds de verschijning gebrouilleerd omdat Auer vindt dat hij niet is geciteerd zoals hem was beloofd, maar hun samenwerking heeft wél intrigerende lectuur opgeleverd.

De laatste twee jaar van haar leven kwam Auer gemiddeld tweemaal per week naar Dietrichs appartement met een maaltijd. Hoewel ze leefde in het hart van de Franse culinaire verfijning, bleef haar voorkeur uitgaan naar de eenvoudiger kost van Berlijn. Marlene wou geen kreeft op kaviaar, geen ingewikkelde Franse sauzen, maar de stevige keuken van het Duitsland dat haar onder de nazi's had uitgespuwd ("Hitler was een idioot", is de laconieke repliek van Dietrich). Ze verkiest zelfs een eenvoudige Duitse riesling Kabinett of een Spätburgunder boven een meursault of een Mouton Rothschild.

Het boek bestaat voor een groot deel uit recepten die Marlene Dietrich zelf klaarmaakte of die ze zich met genoegen liet voorzetten (onder meer door Auer), en daarnaast uit een vluchtig overzicht van haar welgevulde leven. Auteur Georg A. Weth is een fijnproever en wijnliefhebber die in Baden-Württemberg woont, in de zuidwestelijke hoek van Duitsland. Volgens hem schuilt er onder de huid van de diva een echte Duitse Hausfrau, die ervan genoot om te koken en te poetsen voor wie haar liefhad. Het is misschien wat overdreven, maar Dietrich was nu eenmaal een vrouw van contrasten, en ze heeft inderdaad ooit gezegd dat ze hield van een grondig geschrobde vloer. Ze ging er prat op dat ze ein praktischer Mensch was, de meest Pruisische van alle eigenschappen.

Wat in ieder geval vaststaat, is dat Dietrich een voorliefde had en hield voor eenvoudig, huiselijk eten, ook al waren haar gewoonten - en zeker haar seksuele mores - niet die van een gemiddelde Hausfrau. In haar Hollywood-jaren veroverde ze het hart van Charles Laughton met haar goulash en pot-au-feu. Op het einde van haar leven leek het erop dat ze van Auer verlangde dat hij met zijn kookkunst de rokerige intimiteit opriep van de Berlijnse Kneipe uit haar jeugd.

Dikke, warme soep is de basis van de Duitse keuken en Auer ging voor Dietrich door zijn hele repertoire, ervan overtuigd dat niets zo heilzaam voor de gezondheid is als een krachtige bouillon, een Kraftbruhe, van rund- en kalfsvlees. Haar favorieten waren aardappelsoep, linzensoep en erwtensoep, de laatste met een Eisbein, zoals men ze opdient in Berlijnse tavernes. Wanneer ze zelf soep maakte, trok ze een bouillon van kalfsbotten met wortelen, prei, selder, ui en in boter gebakken bacon (ze was dol op boter) alvorens de spliterwten toe te voegen.

Auer, die intussen naar Beieren is teruggekeerd, waar hij een gereputeerd restaurant leidt, de Badsche Weinstube, herinnert zich hoe ze erop hamerde dat alle ingrediënten vers moesten zijn, en hoe ze afgaf op het assortiment vitaminen en pillen dat ze verondersteld was te nemen. "Alles quatsch", was een van haar favoriete uitspraken, waarmee ze alle domheden van de wereld wegveegde en in het bijzonder de medicatie en de adviezen voor een gezond leven die haar werden gegeven. Ze was een vrouw zonder illusies. De gedachte aan een leven na de dood was ook quatsch, al benijdde ze soms de mensen die er wel in konden geloven.

Maria Riva, Dietrichs dochter, was natuurlijk ook bekommerd om de gezondheid van haar moeder en haar bezoeken gingen dus gepaard met een bijna ritueel verbod op koekjes en caramels, evenals een opschorting van Auers bezoeken. Wanneer de dochter weer vertrok, nam Dietrich meteen opnieuw contact op met Auer en trakteerde ze zichzelf op een 'forêt noire', de bekende barokke taart met kersen, kirsch, slagroom en bittere chocolade. Als ze zichzelf echt wou verwennen, dan waren er Kaiserschmarren, gesuikerde pannenkoeken met rozijnen die ze vergezelde van een verse appelcompote, of de zoete Berliner Pfannkuchen.

"Ik moet toch dood, waarom zou ik me nog zorgen maken over mijn gezondheid?", herinnert Auer zich dat ze zei. Ze was ook dol op haring, vooral op maatjes, geserveerd met gesneden ui, zure room, appel en een gekookte aardappel. En ze hield van elver (glasaaltjes) met puree van rapen. In de afdeling gevogelte had ze, zoals veel Duitsers, een voorkeur voor gans, die Auer voor haar klaarmaakte met een vulling van Nuremberger Wurst, een compacte worst met kastanjes, ui, wortel en room. Een ander lievelingsgerecht was Sauerbraten, een in zuurzoet gebraden rosbif.

Weth verdiepte zich in Dietrichs dagboeken, die nu worden bijgehouden door het Filmmuseum van Berlijn, samen met 400 hoeden, 440 paar schoenen en duizenden foto's, om elke verwijzing naar eten op te tekenen. Haar papieren, stelde hij vast, waren doordrongen van parfum en sigarettenrook. Hij ontdekte dat Dietrich, die er zich ooit publiekelijk over beklaagde dat ze in Parijs nergens een deftige Frankfurter worst kon vinden, van 1984 tot haar dood een maandelijkse zending van een firma in Frankfurt kreeg. Ze speelde de worsten liefst naar binnen met een glas Sekt, Duitse schuimwijn.

Aan het eind van haar leven kreeg de diva op ruste het financieel dermate krap dat ze meermaals haar elektriciteitsrekening onbetaald liet. Maar desondanks, zo meent de auteur, besteedde Dietrich de laatste twee jaar van haar leven maandelijks ongeveer 40.000 frank aan maaltijden bij La Maison d'Allemagne. Ze was altijd piekfijn verzorgd, en at in haar bed, van een dienblad. Auer vond haar "correct, hoffelijk en amicaal". Soms voelde hij haar eenzaamheid, maar ze toonde nooit zelfmedelijden. Op een keer waagde hij haar te vragen waarom ze zich zo afsloot van de wereld en niet vaker iemand ontving, en waarom ze zich niet meer liet fotograferen. Haar antwoord was kort: "Ik wil dat de wereld mij zich herinnert zoals ik vroeger was".

Je kunt stellen dat Dietrich de essentie was van de sensuele magie van het vooroorlogse Berlijn, iets dat brandde met dezelfde breekbare intensiteit als de as aan het puntje van een sigaret. Tegen het einde van haar leven, denkt Auer, ontwaakte in haar opnieuw een verlangen naar Duitsland. Toen de Berlijnse Muur viel in november 1989 was ze verrukt: "Het koppel is hertrouwd", zei ze tegen haar chef, verwijzend naar het land dat ze in de jaren dertig verliet, kort nadat de legendarisch geworden film Der Blauen Engel haar naar het sterrendom had gekatapulteerd.

Het was alsof ze door haar voedsel terug dichter bij haar land wou komen. In 1992, kort na nieuwjaarsdag, liet Dietrich voor een laatste keer haar chef komen. Ze wou geroosterde eend met rode kool en aardappelkroketten. Toen Auer de doos met de eend opende, vulde de rijke, warme geur het appartement en kreeg Dietrich een dromerige blik in de ogen. Auer legde een schoon tafelkleedje op haar dienblad en serveerde haar. "Ik heb een cadeau voor je", zei ze, "een afscheidscadeau."

"Waarom afscheid?", vroeg Auer.

"Daarom", antwoordde ze met haar gewone directheid. "Zeg nu maar niets meer en trek de deur achter je dicht."

Gehoorzaam als altijd verliet de chef de flat en ze belde hem nooit meer. In het pak vond hij een karikatuur van een Duitse slager die zijn worsten aanprijst en de goede ingrediënten ervan. Dat was het. Vier maanden later was Marlene Dietrich dood.

* Georg A. Weth, 'Ick will wat Feinet'

Das Marlene Dietrich Kochbuch

Rütten & Loening, Berlijn 2001

29,90 mark (15,29 euro)

Marlene noemde zichzelf ein praktischer Mensch. Ze had een voorliefde voor eenvoudig, huiselijk eten, ook al waren haar gewoonten - en zeker haar seksuele mores - niet die van een gemiddelde Hausfrau

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234