Zondag 25/07/2021

OnderzoekJongens toch

Waarom mannen het criminele geslacht zijn

Yeboah Benhelima (23) en Giovanni De Vrieze (24).  Beeld Wouter Van Vooren
Yeboah Benhelima (23) en Giovanni De Vrieze (24).Beeld Wouter Van Vooren

Afpersing, verwonding, verkrachting. Jongens plegen al decennialang meer en zwaardere misdrijven dan meisjes. Dat ligt niet alleen aan hun testosteron. ‘Ik was fier op mijn pv’s.’

Maatschappelijk werker op een spoeddienst, vrijwilliger bij het Rode Kruis en persoonlijk begeleider van iemand met een beperking. Het curriculum vitae van Giovanni De Vrieze (24) leest niet als dat van ‘een zware jongen’ Toch hebben velen dat beeld van hem. “Zeker voor de politie zal ik degene blijven met 33 feiten achter mijn naam.”

De Vrieze werd door de jeugdrechtbank als baby geplaatst wegens een verontrustende opvoedingssituatie (VOS). Zijn eerste zware feit pleegde hij op zijn dertiende, toen hij hoorde dat hij van zijn pleeggezin naar een instelling moest. Die boodschap maakte de jongen zo radeloos, dat hij een huis in Destelbergen binnendrong, een keukenmes uit de la nam en er de bewoners bedreigde. “In een bos in de buurt werd ik ingerekend. Handboeien om, combi in. Nee, veel medeleven hadden de agenten niet.”

De politie kende De Vrieze al langer, omdat hij regelmatig in het geniep naar zijn biologische vader trok. “Zulke bezoeken moesten eigenlijk onder controle van hulpverleners gebeuren. Maar toen mijn vader uit de gevangenis en psychiatrie was, wilde hij dat niet meer. Hij drong bij mij aan om stiekem af te spreken. Als kind had ik daar initieel geen behoefte aan, maar na verloop van tijd deed ik het toch.” Dat liep niet goed af. De Vriezes vader had een ernstige alcoholverslaving en zijn zoon dronk vanaf zijn twaalfde mee. “Na een tijd misdroeg ik mij net zoals hij. Ik kreeg een grote mond, raakte betrokken in caféruzies, vernielde dingen. Uit zattigheid.”

Doorheen de jaren namen de feiten toe. “Ik ben nooit een doorwinterde crimineel geweest. Het gaat vooral om diefstallen, inbraken, vandalisme. Er zat geen groot plan achter. Ik besef natuurlijk dat die feiten ernstig zijn. Ik had een keuze ook. Maar mijn milieu toen beïnvloedde mij op een heel negatieve manier.”

Op de radar

De Vrieze is een van de tienduizenden jongeren die jaarlijks een als misdrijf omschreven feit (MOF) plegen.

Sommige van die feiten, krijgen uitzonderlijk veel aandacht. Denk aan de recente groepsverkrachting van een meisje in Gent, het vermoedelijke geval van gaybashing in Oudenaarde vorige maand, maar evengoed de fatale Reuzegom-doop van een paar jaar geleden. Dat soort gemediatiseerde verhalen hebben een ding gemeen: de badguys zijn veelal jongens.

Wie er de MOF-statistieken op naslaat, moet tot dezelfde conclusie komen. Jongens zijn goed voor 80 procent van de 70.048 zaken in 2020. Het vaakst zijn ze betrokken in dossiers over diefstal en afpersing – meestal gaat het dus om veel minder ernstige feiten dan wat hierboven beschreven staan. Ook het aantal slagen en verwondingen en inbreuken op de openbare veiligheid zijn talrijk.

Op volwassen leeftijd wordt de genderkloof trouwens niet bepaald kleiner. Van de 10.410 gevangenen in ons land zijn er 507 vrouw.

Meisjes het brave en jongens het stoute geslacht? Dat is volgens professor jeugdcriminologie Els Dumortier (Vrije Universiteit Brussel) te kort door de bocht. Ze wijst naar het dark number in de criminaliteit. Volgens de laatste Veiligheidsmonitor van de Federale Politie van 2018 wordt maar 17 procent van de zedenfeiten aangegeven. 83 procent blijft dus onder de radar. “De officiële statistieken zeggen weinig over de werkelijke criminaliteit. Ze zeggen vooral iets over de daders die op de radar van de politie of het parket komen.”

Onderzoeken op basis van zelfrapportage geven een genuanceerder beeld. In Vlaanderen zijn de vijfjaarlijkse bevragingen van het JeugdOnderzoeksPlatform (JOP) bij jongeren tussen 14 en 25 jaar daarvan het beste voorbeeld. Ze geven daarin aan welke feiten ze al pleegden. Jongens rapporteren het vaakst over diefstal, vandalisme of fysiek geweld. In 2018 gaf 25 procent van de bevraagde jongens aan minstens één delict te hebben gepleegd, bij de bevraagde meisjes was dat 20 procent. Wel opvallend is dat het verschil tussen meisjes en jongens sinds 2005 consequent kleiner wordt. Een duidelijke verklaring hebben onderzoekers nog niet.

Badguy

Al geldt dus nog steeds: jongens plegen meer feiten. Hoe komt dat? Er is niet één antwoord op die vraag. Aan delinquent gedrag gaat een ingewikkeld samenspel van biologische, psychologische en sociologische elementen vooraf.

Wat de biologie betreft: testosteron lijkt vooralsnog niet the badguy in dit verhaal. “Onderzoeken die het mannelijke hormoon linken aan agressief gedrag zijn weinig talrijk en spreken elkaar tegen”, zegt professor endocrinologie Guy T’Sjoen (UGent).

In 2006 bestudeerde hij met socioloog Hans Vermeersch (VIVES) de testosteronspiegels van honderden tienerjongens. Het hormoon bleek niet fysieke agressie maar vooral niet-agressief risicogedrag in de hand te werken, zoals de leraar uitdagen of experimenteren met drugs. “Maar nog belangrijker bleek de social peer group: als jongens met hoger testosteron zich onder gelijkgestemden bevonden, waren ze eerder geneigd om risico’s te nemen”, aldus T’Sjoen.

Zijn het de hersenen dan? Er zijn wel degelijk neurologische verschillen tussen jongens en meisjes. Neem de frontale cortex of voorhoofdskwab. Die is nodig om impulsen te controleren en langetermijngevolgen in te schatten. Een heleboel wetenschappers nemen aan dat deze cortex bij jongens gemiddeld één tot twee jaar later rijpt dan bij meisjes. “Dat verklaart voor een deel waarom jongens, zeker tijdens de adolescentie, meer risico’s nemen”, zegt Lucres Nauta-Jansen, onderzoekster forensische kinder- en jeugdpsychiatrie aan Amsterdam UMC.

Giovanni De Vrieze: 'Zeker voor de politie zal ik degene blijven met 33 feiten achter mijn naam.' Beeld Wouter Van Vooren
Giovanni De Vrieze: 'Zeker voor de politie zal ik degene blijven met 33 feiten achter mijn naam.'Beeld Wouter Van Vooren

Dat verschil in hersenrijping an sich verklaart natuurlijk niet waarom jongens eerder grensoverschrijdend gedrag stellen. “Want je ziet dat verschil net zo goed bij jongens die helemaal geen feiten plegen. Wat iemand meemaakt tijdens zijn leven en in welke omgeving hij opgroeit lijkt veel bepalender”, aldus Nauta-Jansen.

Zij sluit niet uit dat er andere biologische factoren zijn die de kans op antisociaal gedrag vergroten. Zo is al vaker vastgesteld dat jongeren met gedragsproblemen tijdens heel spannende gebeurtenissen minder stresshormoon of cortisol in hun lijf hebben en een minder sterke hartslagreactie hebben. Op zulke momenten worden beide normaal de hoogte ingedreven, opdat mensen voorzichtiger zouden zijn. “Maar bij de onderzochte jongens bleef de hoeveelheid cortisol en hartslag net laag, wat zou kunnen verklaren waarom ze zich minder geremd voelen om bepaald gedrag te stellen.”

Yeboah Benhelima (23) was vier jaar toen hij door een jeugdrechter werd geplaatst voor een verontrustende opvoedingssituatie (VOS). Zijn moeder worstelde om de eindjes als alleenstaande aan mekaar te knopen. Voor Benhelima vertaalde zich dat in een ingewikkeld, verbrokkeld leven. Hij groeide op in verschillende voorzieningen en internaten, in Beerse, Oostende, Borsbeek en Antwerpen.

Als puber begon Benhelima te experimenteren met wiet. “Ik wilde vooral afleiding van het lastige leven dat ik had. Ik zag mijn moeder amper, zat voortdurend in instellingen, voelde me op school altijd de vreemde eend in de bijt. Met zo’n joint werd het even stil in mijn hoofd. Dan had ik geen zorgen.”

Na verschillende waarschuwingen voor zijn druggebruik kreeg Benhelima van de rechter een time-out opgelegd. “Dat had weinig effect. Ik bleef smoren. Zo belandde ik steeds vaker in Mol. Op den duur maakte ik in die instelling vrienden. Dat waren dan jongens die in bendes zaten, dealden, diefstallen pleegden. Ik vond dat interessant natuurlijk.” In diezelfde periode pleegde Benhelima, zestien jaar toen, een eerste feit. “Ik had lang gespaard voor een eigen gsm. Maar het scherm ging per ongeluk stuk en ik werd razend en dacht: alles in mijn leven zit tegen. Toen de winkel mijn toestel niet kosteloos wilde herstellen, heb ik er een gepikt.”

Op zijn achttien zei Benhelima de jeugdhulp vaarwel. “Ik heb erg geworsteld om mijn leven op de rails te krijgen. Ik ben in de drugswereld beland, verslaafd geraakt, herhaaldelijk beroofd. Toen ik dan ook nog eens problemen kreeg met het OCMW, zag ik geen uitweg meer. Ik wilde uit het leven stappen, maar kreeg het niet voor mekaar. Toen heb ik de switch in mijn hoofd gemaakt en mij gestort op mijn muziek (als rapper, onder de naam AKB, red). Dat is mijn redding geweest.”

Onder de radar

Hoe komt het dat jongens zoveel meer met politie in aanraking komen? Plegen ze daadwerkelijk meer feiten of valt hun criminele gedrag gewoon meer op? Die vraag houdt jeugdcriminologen al lang bezig. “Jongens begeven zich vaker in de publieke ruimte. Dat maakt hun gedrag zichtbaarder in onze maatschappij en dus ook voor de politie. Ze hebben daardoor een grotere kans om aangehouden te worden dan meisjes, die hun vrije tijd eerder binnenskamers doorbrengen. Het zou kunnen dat meisjes, die ook feiten plegen, vaker onder de radar blijven”, legt professor jeugdcriminologie Yana Jaspers (Vrije Universiteit Brussel) uit.

Ook spelen de heersende gendernormen een rol. Mannen beschouwen we eerder als dominant en agressief terwijl we vrouwen vooral als lief en zorgzaam zien. Dat soort lang vastgeroeste ideeën sturen mee onze reacties en gedragingen. Het kan betekenen dat jongens zich vaker misdragen, net omdat we verwachten dat zij dat zullen doen. En het kan ook dat ordehandhavers hen sneller aanhouden, omdat ook zij zo’n clichébeeld in hun achterhoofd hebben.

“Vergeet ook niet dat we grotendeels een mannelijk politiekorps hebben”, merkt Jaspers op. “Volgens de ridderlijkheidshypothese zouden mannelijke agenten vrouwen minder snel als verdacht zien – zulke genderrollen zitten in de hele keten van justitie. Al gaat dat zeker niet voor elk feit op. Gedrag dat indruist tegen de gendernorm – denk aan extreem geweld bij meisjesbendes – wordt hierdoor soms strenger benaderd.”

Naarmate Giovanni De Vrieze ouder werd, werd zijn leven ingewikkelder. De situatie met zijn vader escaleerde, hij misdroeg zich vaker en ook op school maakte hij er een boeltje van. “Op den duur had ik niets meer om fier op te zijn. Het enige waar ik trots op was, stond in de glazen kast in mijn instelling. Daar had elke jongen een mapje met zijn naam op en de gepleegde feiten erin. Ik had niet één mapje, maar twee dikke classeurs. De pv’s daarin, dat waren mijn prestaties.”

De Vrieze verzamelde die pv’s niet omdat hij een jongen was. Maar bij momenten deden die hem wel ‘dé man’ voelen. “Als ik met de jongens van de instelling de bus naar school nam, zaten we nogal ostentatief op de laatste banken. We hadden een box met muziek bij, rolden jointjes. We wilden mensen het idee geven: met ons valt niet te sollen. En dat lukte. Ook al was de bus stampvol, niemand kwam bij ons in de buurt. Daar haalde ik dan wel een soort van voldoening uit. Omdat er niets anders was in mijn leven.”

Eén onderzoek wordt vaak aangehaald als het gaat over inzichten over jongens en criminaliteit. Dat is de Edinburgh Study of Youth Transitions and Crime. Daarin volgden onderzoekers vanaf eind jaren negentig 4.300 Schotse jongeren tussen hun twaalfde tot hun achttiende levensjaar. Het doel: achterhalen of en wanneer ze feiten plegen. Geslacht blijkt niet de belangrijkste voorspeller Het zijn vooral jongens die op andere levensdomeinen worstelen die meer kans maken om in de criminaliteitsstatistieken opgenomen te worden. Het zijn jongens die in een moeilijke gezinssituatie opgroeien, in een achtergestelde buurt wonen of op school een brokkenparcours afleggen.

“Deze studie leert ons ook dat zowel jongens als meisjes tussen zestien en achttien jaar pieken qua criminaliteit. Daarna groeien ze er als het ware uit. Op één voorwaarde tenminste: dat ze in die periode niet gepakt worden en met het strafrecht of de jeugdhulp te maken krijgen”, merkt professor jeugdcriminologie Dumortier op. En net dat laatste lijkt jongens aanzienlijk vaker te overkomen dan meisjes. Omdat ze vaker in de publieke ruimte zijn en wangedrag bij hen eerder wordt verwacht, stapt de politie sneller op hen af. “Maar als ze gepakt worden blijkt het eens zo moeilijk om weer op het rechte pad te geraken.”

Niets te verliezen

Benhelima beschrijft hoe hij sinds zijn vierde een stempel kreeg en hoe hij zich na een tijd daarnaar begon te gedragen. “Ze noemden me letterlijk een probleem. Ik heb dat altijd oneerlijk gevonden, want initieel had ik er zelf geen aandeel in. Wat kon ik als vierjarige anders doen?” Toen op zijn achttiende zijn moeder overleed, raakte hij de pedalen even helemaal kwijt. “Toen zij er niet meer was, had ik niets meer te verliezen.”

De officiële statistieken over criminaliteit bestaan overwegend uit mannen. Maar als we feiten willen voorkomen, lijkt het toch weinig zinvol louter en alleen op dat geslacht te focussen. Andere elementen zijn minstens zo belangrijk, besluiten experts. Zoals in wat voor gezin en buurt iemand opgroeit, iemands traject op school en de arbeidsmarkt, de hulp die iemand al dan niet heeft gekregen, de ervaringen met ordehandhavers of de mate waarin iemand aan genderstereotypen wordt blootgesteld. Al die factoren vergroten de kans dat jongens in een neerwaartse spiraal komen.

Wie jongens opvoedt, moet zich daar bewust van zijn. Tegelijk mag het ons ook niet fatalistisch of defaitistisch maken, vindt Dumortier. “Het overgrote deel van de jongens en mannen gedraagt zich niet grensoverschrijdend. En onder hen zijn er net zo goed met een moeilijke achtergrond.”

Rest de vraag: pakken we delinquente jongeren, en vooral jongens, op de juiste manier aan? Stefaan Pleysier, criminoloog aan de KU Leuven, gruwelt van uitspraken als “we moeten hen sneller en langer opsluiten. We moeten als maatschappij een duidelijk signaal geven aan een jongere die feiten pleegt. Hen beroven van hun vrijheid wordt dan vaak als een noodzakelijke oplossing gezien. Maar het moet de allerlaatste optie zijn.” Hij beseft dat het brede publiek het daar niet per se mee eens is. Die gelooft nog te vaak dat wanneer een jeugdrechter een jongen niet meteen naar een gemeenschapsinstelling of jeugdgevangenis stuurt, er een soort van straffeloosheid geldt. “Onterecht, want zo’n rechter kan ook minder zichtbare voorwaarden en sancties opleggen zoals individuele begeleiding of gemeenschapsdienst. Die verkleinen het risico op recidive vaak zelfs beter.”

Zo’n gemeenschapsinstelling is in elk geval geen ideale omgeving. “Het is heel ontwrichtend, om zo’n jongen uit zijn context te trekken en op zo’n plaats onder te brengen. Om die reden is het goed dat het nieuwe jeugddelinquentierecht sinds 2019 voorziet in minder vrijheidsberovende maatregelen”, zegt Jaspers.

Als Benhelima terugblikt, zegt hij: “Onze maatschappij kan heel moeilijk omgaan met emoties als woede. Eén vuist tegen de muur en je hebt al een probleem. Maar zodra je daardoor in een instelling belandt, verandert alles. Dan raak je zo moeilijk uit dat systeem.” Die agressie speelt meisjes minder parten, ziet hij. “Neem mijn zus, die opgroeide in net zo moeilijke omstandigheden als ik. Zij sprak veel meer over haar gevoelens. Voor jongens is dat moeilijk. Ik wil niet zeggen dat elke jongen agressief is. Maar ergens speelt die verwachting wel.”

Keerpunt

Corona maakt het moeilijk, maar Benhelima probeert zijn weg te vinden. Hij maakt muziek, studeert en zet zich in voor andere kinderen in instellingen. “Vaak denk ik: haal jongeren toch minder snel bij hun ouders weg. Een thuis hebben, dat maakt zo’n verschil. En als een instelling onvermijdelijk is: maak er dan een topplek van, met de allerbeste opvoeders en de leerkrachten. Nu is het een plek waar je tijd verdrijft en hard wordt.”

Voor De Vrieze kwam het keerpunt na de overval van een frituur. Hij werd opgepakt en moest van de jeugdrechter onder andere zijn excuses aanbieden aan de uitbater. “Hij vroeg me om een paar dagen te helpen in de frituur. Dat heb ik gedaan, en uiteindelijk ben ik er drie jaar gebleven. Ik ben die man zo dankbaar.” Hetzelfde geldt voor de directrice van zijn laatste secundaire school, zijn jeugdrechter, zijn pleegmoeder. “Het zijn de mensen en begeleiders, die in mij zijn blijven geloven, die het verschil hebben gemaakt.”

Yeboah Benhelima: ‘Toen mijn moeder er niet meer was, had ik niets meer te verliezen.’ Beeld Wouter Van Vooren
Yeboah Benhelima: ‘Toen mijn moeder er niet meer was, had ik niets meer te verliezen.’Beeld Wouter Van Vooren

De Vrieze kon uiteindelijk via een leefloon studeren en heeft vandaag een goede job en stabiele relatie. “Ik doe mijn best. Maar mijn verleden, dat krijg ik niet uitgewist. Voor bepaalde jobs kom ik nooit in aanmerking. En bij elke standaard politiecontrole word ik apart gezet. Soms vraag ik me af: wat kan ik nog doen om de fouten die ik als minderjarige maakte, goed te maken?”

Het is hypothetisch, maar was dit alles ooit gebeurd, was hij een meisje geweest? Hij betwijfelt het. “Ik zal een voorbeeld geven: toen ik dertien jaar was moest ik ooit de nacht doorbrengen in een station. De veiligheidsagenten die me vonden, zetten me meteen aan de deur. Denk je dat ze zoiets bij een dertienjarig meisje ook zouden doen?”

Morgen in deel 3: ‘Bij ADHD en autisme zijn jongens het zwakkere geslacht’

Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op de site www.zelfmoord1813.be.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234