Zondag 31/05/2020

big oil

Waarom goedkope olie niet altijd goed nieuws is

Een land als Venezuela is voor liefst 96 procent van zijn exportinkomsten afhankelijk van olie. Een faillissement is heus niet ondenkbaar als er geen kentering komt.Beeld AP/Vahid Salemi

Ja, ook in 2016 zal de olieprijs op zijn historische bodemkoers blijven hangen. Zowel het overaanbod als de overschotten blijven te hoog voor een prijscorrectie. Maar voor u te hard juicht aan de benzinepomp, er is ook een keerzijde aan die medaille: sociaal-economische onrust en geopolitieke spanningen.

De olieprijzen zijn sinds ruim een jaar in vrije val. De prijs van een vat ruwe Brent-olie - de internationale vergelijkingsbasis - noteert rond de 37 dollar (34 euro) per vat. Het laagste niveau sinds de financiële crisis van 2008. We waren de laatste jaren gewend geraakt aan olieprijzen die niet alleen zeer hoog waren, maar ook verrassend stabiel. Tussen 2011 en halfweg 2014 fluctueerde de olieprijs rond de 110 dollar (101 euro) per vat. Om dan plaats te nemen in een waanzinnige rollercoaster bergaf.

Natuurlijk is een lage olieprijs een zegen voor onze portemonnee. Voor een doorsneegezin is de lage prijs al snel een opsteker van enkele honderden euro's. De prijs van diesel en huisbrandolie staan deels in relatie met de prijzen van ruwe olie. Ook industriële bedrijven doen er hun voordeel mee. En op grotere schaal betekent dit voor de westerse landen en hun economie ook een boost.

Tot daar de zonnige kant van het verhaal. Want achter die op het eerste gezicht goednieuwsshow schuilt een andere waarheid. En die waarheid zou dit jaar weleens tot volle wasdom kunnen komen.

Te groot, te machtig

In eerste instantie gingen analisten ervan uit dat een daling van de olieprijs met meer dan de helft een positief effect zou hebben op de groei van de wereldeconomie. De realiteit is veel genuanceerder. Voor ons in het Westen gaat die stelling wellicht op, voor de rest van de wereld is er een andere realiteit. Voornamelijk het terugschroeven van investeringen in sectoren als olie (-13 procent) en mijnbouw (-31 procent) drukt de groei wereldwijd met zo'n 1 procent.

De aanhoudend lage olieprijs begint de grote energiebedrijven pijn te doen. Toegegeven, de sympathie voor grote oliebedrijven als ExxonMobil, Shell of BP druipt er bij Jan met de pet sowieso niet meteen van af. Daarvoor zijn die conglomeraten iets te groot, te machtig, te veel een symbool van een verfoeilijk kapitalistisch systeem. Dat bij die 'majors' duizenden en duizenden mensen ook maar gewoon hun brood verdienen is natuurlijk ook een inconvenient truth.

En ja, het is echt zo simpel als wat: lage olieprijzen betekenen minder inkomsten voor die grote jongens. Dat ze de afgelopen maanden ook al veel van hun glans hebben verloren, kun je makkelijk aflezen van de beurstabellen. Alle verloren ze ettelijke procenten. Ze hebben ook allemaal hun investeringen teruggeschroefd, en tal van nieuwe projecten werden in de koelkast gestopt. Zo trok Shell zich onlangs terug uit de boringen bij Alaska en uit het teerzandproject in Canada. De miljardeninvesteringen worden als verloren beschouwd en daardoor leed Shell afgelopen kwartaal 6,8 miljard euro verlies.

En dan begint het bloeden, en valt het woord herstructurering al eens. Elk project en elke baan wordt daarbij tegen het licht gehouden op de hoofdkantoren, die wereldwijd schuiven met hun pionnen. Bij Shell valt de komende jaren de hakbijl over ruim 7.000 banen wereldwijd. En dat is dan ook weer slecht nieuws voor de ondernemingen die diensten leveren aan die grote olieproducenten, want ook zij worden in tweede lijn geraakt. Het kaartenhuisje begint vervaarlijk te wiebelen, want er hangt een hele keten van bedrijven en sectoren aan vast.

En boudweg gesteld zijn ze daar niet op voorbereid, stelt onder meer Wim Soetaert, professor industriële biotechnologie aan de Universiteit Gent. De voorbije jaren liepen de olie-inkomsten vlot binnen, waardoor de noodzaak tot veranderen niet meteen kon bogen op enige sense of urgency. Diegene die de neus aan het venster kwam steken met een nakende onheilstijding werd beschouwd als diegene die het feestje kwam verpesten. Negeren is dan de beste remedie.

"Veranderen is altijd moeilijk", glimlacht Soetaert. "Alleen, hoe langer je wacht om een noodzakelijke verandering door te voeren, hoe pijnlijker het achteraf wordt. De klok tikt ongenadig voort, de kostprijs loopt alleen maar op. En net zoals General Motors destijds bijna onderuitging door enkel SUV's te maken, zo zullen oliebedrijven zich moeten aanpassen of verdwijnen."

Een extra pijnpunt voor Soetaert is dat oliereuzen als ExxonMobil of Total niet tot de pioniers behoren. De grote Antwerpse raffinaderijen van ExxonMobil en Total leveren een dubbel product af: nafta voor de productie van chemicaliën (plastics, geneesmiddelen, meststoffen), en brandstoffen voor energie (stookolie, diesel, benzine en kerosine). "De petrochemie moet omgevormd worden tot biochemie. Maar een conglomeraat als ExxonMobil heeft zich te lang gewenteld in het status-quo."

Met alle gevolgen van dien. Het huidige sociaal conflict bij de raffinaderij van ExxonMobil in de Antwerpse haven is symptomatisch voor wat er onderhuids leeft. Net voor kerst werd een staking nipt vermeden, maar het smeult voort. Officieel draait het om de te hoge werkdruk, al is dat niet het enige discussiepunt. Het bedrijf heeft het over de toenemende druk in de raffinage- en chemiesector en de noodzaak om de fabrieken concurrentieel te houden. ExxonMobil heeft zijn winst afgelopen kwartaal met bijna een kwart zien kelderen tot 4,2 miljard dollar (3,9 miljard euro). De winst bij de divisie die olie en gas opspoort en oppompt, kelderde met bijna driekwart tot 1,4 miljard dollar.

En dan is er ook nog het klimaatakkoord van Parijs, dat het officieuze startsein is voor de sector om een transitie in te zetten naar een andere duurzame manier van werken en produceren. De grote energie- en chemiebedrijven staan onder grote maatschappelijke en marktdruk om de komende decennia meer en meer over te schakelen van een fossiel productieproces naar een groen productieproces. Om de opwarming van de aarde beperkt te houden, twijfelt niemand meer over de noodzaak om het verbruik van fossiele brand- en grondstoffen terug te dringen. Voor de petroleumsector ligt daar een immense uitdaging.

Volgens Gert Verreth van de chemiefederatie Essenscia is de chemiesector dan weer al langer bezig met transitie naar duurzaamheid en loopt het voorop in energie-efficiëntie en CO2-reductie. "Om de ambities uit het klimaatakkoord te realiseren zijn de innovaties uit de chemiesector net onmisbaar. Denk maar aan performante isolatie voor energiezuinige gebouwen, lichtere materialen voor lager verbruik in transport, et cetera. Studies wijzen uit dat de wereldvraag naar chemieproducten daarom sterk zal toenemen. Duurzaamheid is voor de sector dus helemaal geen bedreiging, maar een belangrijke prioriteit en een opportuniteit om economische groei te verzoenen met ecologische doelstellingen."

Maar dat de Antwerpse petrochemiecluster wakker is geworden in een nieuw jaar, dat ontkent niemand.

Grote oliebedrijven zetten tal van nieuwe projecten in de koelkast. Zo trok Shell zich onlangs terug uit de boringen bij Alaska en uit het teerzandproject in Canada.Beeld rv

Kruitvat voor sociale onrust

Ook op zo'n 5.000 kilometer van hier is een kater bij het ontbijt intussen vaste prik. Het ministerie van Financiën van Saudi-Arabië maakte net voor de jaarwende bekend dat de benzineprijzen in het land met onmiddellijke ingang met 40 tot 67 procent zullen stijgen. De brutale reactie wordt gerechtvaardigd door de al even brutale ineenstorting van de olieprijs. Reken even mee: een vat ruwe olie kostte in 2014 nog ruim 115 dollar, vandaag nauwelijks 38 dollar. Als je dan als land voor 90 procent van je inkomsten afhankelijk bent van olie, zoals Saudi-Arabië, weet een klein kind dat er problemen rijzen.

Akkoord, het schatrijke land heeft een gigantische buffer aan cashreserves ten belope van zowat 700 miljard dollar - dankzij het zwarte goud, maar die berg petrodollars smelt ijzingwekkend snel. En het jaardeficit van 100 miljard dollar kun je niet jaar na jaar uit de reserves aanpassen. Het land heeft een olieprijs nodig van 104 dollar per vat om zijn begroting in evenwicht te krijgen. Een aantal kleinere Golfstaten doen het op dit vlak beter, zoals de Verenigde Arabische Emiraten (77,30 dollar), Qatar (60 dollar) en Koeweit (54 dollar).

Het zorgt voor grote verdeeldheid binnen de OPEC, traditioneel de regulator van de olieproductie. Vooral tussen Saudi-Arabië en Iran zijn er spanningen. De invloed van de OPEC is overigens tanende sinds de Verenigde Staten met hun schalie-olie de bakens hebben verzet. Maar dat betekent geenszins dat de rol van de OPEC ook op langere termijn is uitgespeeld. Zo wordt nog altijd 43 procent van de totale wereldproductie aan olie geproduceerd door de landen van de OPEC. Belangrijker is dat zij nog altijd meer dan 80 procent van de bewezen oliereserves in de wereld hebben.

De onbetwiste leider in het OPEC-kartel is Saudi-Arabië, met een productie van 9,7 miljoen vaten per dag. Maar in tegenstelling tot vroeger draait het kartel de oliekraan niet dicht, om de prijzen omhoog te jagen. Integendeel, Saudi-Arabië heeft de productie met 50.000 vaten per dag opgevoerd. Reden daarvoor zou zijn om aartsrivaal Iran te treffen, evenals de opstandelingen van IS. Dat intussen de Amerikanen in de verdrukking komen met de rendabiliteit van hun schalie-olie, is aardig meegenomen om de verhoudingen op termijn in stand te houden.

Het pokerspel zorgt ervoor dat de afspraken tussen de OPEC-landen, die in het verleden ook al niet in steen gebeiteld stonden, nog minder worden nageleefd. Elk lid pompt met andere woorden olie voor eigen rekening om hun tanende inkomsten enigszins op peil te houden. Met als enige effect een nog grotere overproductie, met een nog lagere prijs. Studies wijzen uit dat van de OPEC-inkomsten van 1.200 miljard dollar in 2012, in 2016 nog maar 400 miljard dollar zal overblijven.

De harde realiteit is dan ook dat de Golfstaten de komende jaren de tering naar de nering moeten zetten. Hoewel de kosten van olieproductie zelf in de Emiraten relatief laag ligt, zijn hun begrotingen nog steeds geschoeid op de olieprijzen uit het verleden. En die tering is in een explosieve regio als de Golf niet zonder gevaar. De sociale repercussies kunnen wel degelijk een rol spelen in het Midden-Oosten. Het is wat onderbelicht gebleven in het verleden, maar het was heus niet voor niks dat een land als Saudi-Arabië zijn sociale en militaire uitgaven sinds de Arabische Lente fors heeft verhoogd. Als het nu het mes zet in talloze (sociale) voorzieningen en tegelijk de kostprijs van pakweg benzine fors optrekt, kan dat leiden tot onrusten. En dat in een regio die niet bepaald als stabiel aangeschreven staat.

(Lees verder onder de afbeelding)

De lage olieprijs is deels te wijten aan overproductie. Net die overproductie leidt ertoe dat tal van nieuwe investeringen uitblijven, wat binnen afzienbare tijd paradoxaal genoeg tot een olietekort kan leiden.Beeld getty images

Geopolitieke spelletjes

En de gevolgen zijn nog veel groter voor andere OPEC-landen als Iran, Irak en Venezuela. De Venezolaanse minister van Petroleum Eulogio Del Pino stelde enkele weken geleden nog een plan voor dat de minimumprijs van een vat olie moest liggen tussen 70 en 80 dollar. Het land is dan ook afhankelijk van olie voor liefst 96 procent van zijn exportinkomsten. Een faillissement is heus niet ondenkbaar als er geen kentering komt.

Volgens het noodlijdende Zuid-Amerikaanse land is 70 dollar per vat het minimum dat vereist is om de investeringen te garanderen die de productie van olie vergt. Venezuela beweegt zich al een tijd achter de schermen en heeft verschillende internationale missies achter de rug met als doel de verdere instorting van de olieprijs af te remmen. President Nicolas Maduro was onlangs nog in China en Rusland, waar hij pleitte voor een minimumprijs voor olie.

O ja, voor de goede orde: de Russen hebben het plan meteen afgeschoten. Want ook buiten de OPEC wordt er olie geproduceerd. Rusland is zelfs de grootste producent ter wereld, maar geen lid van de OPEC. Met andere woorden, Rusland beslist zelf wat er gebeurt met de productie, en laat zich niet leiden noch sturen door de OPEC. Geen van beide wil zijn marktaandeel prijsgeven, en houden zolang hun productie op peil.

Jazeker, dat doet beide partijen pijn, analyseert Ambrose Evans-Pritchard, de International Business Editor van de Daily Telegraph. "Rusland heeft een afwachtende houding en kijkt wie van hen het langst zijn adem kan inhouden. Rusland en Saudi-Arabië zijn niet de beste vrienden, Iran is bondgenoot van Rusland en heeft Saudi-Arabië als aartsvijand. De Russen en de Saudi's proberen elkaar 'uit te roken' in deze oliekwestie", klonk het in The Wall Street Journal.

De Russische industriële productie is vorig jaar met 4 procent gekrompen. Als dit blijft duren, zal ook Rusland niet langer bij de pakken blijven zitten. De centrale bank van Rusland heeft begin 2014 al eens een schokscenario gemaakt waarbij de olieprijs lange tijd noteert aan 60 dollar. Zelfs dan kon het land het uithouden tot 2017, maar met de nodige pijnlijke gevolgen. De roebel is in 2015 voort fors gedaald tegenover de dollar en er is een grote kapitaalvlucht ontstaan.

Maar ook voor een land als Noorwegen is de economische invloed groot. De olie-industrie vormt ongeveer een vijfde van de Noorse economie. Al heeft het land genoeg aan een olieprijs van ruwweg 40 dollar om break-even te draaien, de minderinkomsten door de aanhoudend lage olieprijs begint te knellen.

Voor wie het allemaal gadeslaat klinkt het volgende scenario allicht helemaal als sciencefiction, maar analisten houden ernstig rekening met nog een ander probleem: een olietekort. En dat terwijl de lage olieprijs deels te wijten is aan de overproductie? Net die overproductie leidt ertoe dat tal van nieuwe investeringen uitblijven, wat zich binnen afzienbare tijd zal wreken. Volgens Claudio Descalzi, topman van het Italiaanse energiebedrijf Eni SpA, zal dat tot gevolg hebben dat er een onevenwicht zal ontstaan tussen vraag en aanbod, met als gevolg dat de prijzen grondig zullen stijgen.

Dat er fors is geknipt in de olie-investeringen klopt: wereldwijd zijn die gedaald met 170 miljard dollar, goed voor zowat 20 procent van de normale investeringen, berekent het adviesbureau Rystad Energy uit Oslo. De Tudor Pickering & Holt Co, een in Texas gevestigde energie-investeringsbank, telde 150 olieprojecten die momenteel zijn uitgesteld of geschrapt. Dat resulteert in een verlies van 13 miljoen vaten per dag, of zowat 15 procent van de totale wereldproductie.

Als de internationale olieprijzen dit jaar niet boven de 50 dollar stijgen, iets wat volgens de meeste waarnemers niet zal gebeuren, dan worden de investeringen nog eens met een vijfde verminderd, meent Rystad Energy. Het zou de eerste keer zijn dat de oliesector twee opeenvolgende jaren van dalende investeringen laat optekenen in ruim dertig jaar, weet het Internationaal Energie Agentschap. Als daar maar geen kater van komt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234