Dinsdag 29/11/2022

Waarom Elvis belangrijk is

Op 16 augustus is The King dertig jaar dood

Door Marc Didden

Op de zijkant van mijn koelkast hangt een koelkastmagneet die ik mij vorig jaar in de boetiek van het Museum voor Hedendaagse Kunst van Helsinki aanschafte en op dat kleinood staat te lezen: 'It's Sinatra's world! We just live in it'.

Nauwelijks overdreven, want wie zo slim wil zijn om lp's als Songs for Swingin' Lovers, Only the Lonely of Come Fly with Me nog eens integraal en intensief te beluisteren, zal ootmoedig moeten bekennen dat Francis Albert Sinatra weliswaar een vrouwengek, een drankorgel, een straatvechter, ja, zelfs een parttime crimineel was, maar toch eerst en vooral een buitengewoon zanger. Hij kon de prachtige liederen uit het grote Amerikaanse songbook als geen ander interpreteren en meer nog dan door zijn schattige bijnaam 'ole blue eyes' verdiende hij het totaal om voor eeuwig en een dag herinnerd te worden als 'The Voice'.

Daarom is het mooiste boekje dat wellicht ooit over populaire muziek geschreven is Why Sinatra Matters van de briljante publicist Pete Hammil. Het gaat om een nauwelijks 185 bladzijden dik voorwerpje van 12 bij 20 centimeter, een erudiet werk van liefde dat het eigenlijk alleen heeft over wat iedereen van Frank Sinatra zou moeten weten: dat hij de allerbeste, de meest swingende, de verbluffendste populaire zanger was van de vorige eeuw. Al wilde hij dat zelf weleens relativeren en haalt Hammil ook terecht Sinatra's bekentenis aan dat "I discovered very early that my instrument wasn't my voice. It was the microphone".

Hammil schreef zijn boekwerk vanuit de ergernis die bij hem gewekt was vlak na Sinatra's overlijden, door hoe er over The Voice bericht werd in de wereldwijde media. Smeuïge verhalen, dubieuze getuigenissen van dubieuze 'vrienden', het eindeloos herhalen op alle radiozenders van alleen maar 'Strangers in the Night' gingen zodanig op zijn zenuwen werken dat hij boos achter zijn schrijftafel ging zitten om er in hoog tempo, maar niet roekeloos snel en wel beschikkend over enige kennis van zaken een apologie neer te pennen voor de wonderlijke man met de goddelijke stem uit Hoboken, New Jersey.

Wat Why Sinatra Matters zo mooi maakt, is niet dat het door een fan geschreven is, een vriend zelfs, want dat kan de auteur tijdens het opstellen wonderwel in de kleedkamer van zijn geest laten, maar wel de grote liefde en het ontroerende geduld waarmee hij aan de wereld uitlegt dat Sinatra zo'n bijzonder zangkunstenaar is geweest, die zijn roots uit de oude wereld op bovenaardse wijze heeft weten te combineren met de beat van de nieuwe wereld, waar hij als Italiaans immigrantenkind in terecht was gekomen.

Frank Sinatra is iemand die samen met mensen als Frank Lloyd Wright, Norman Mailer, Miles Davis, Edward Hopper, Leonard Bernstein, Billie Holiday, Ella Fitzgerald, Louis Armstrong, Cole Porter, John Ford, Tennessee Williams, William Faulkner, Martin Scorsese, Richard Avedon, Bob Dylan of Georgia O'Keeffe - en ik vergeet er nog een paar honderd - voorgoed de hardnekkige mythe doorprikt heeft dat Noord-Amerikanen een "volk zonder cultuur" zouden zijn, een loze, beledigende frase die in sommige Europese salons ook vandaag nog opgeld maakt.

Jammer dat Hammil niet ook zo'n boekje geschreven heeft toen een ander groot wit wonder nu alweer dertig jaar geleden zijn laatste pindakaassandwich at. Ik heb het natuurlijk over Elvis Aaron Presley, die deze aardse building verliet onder het hoongelach van mensen die geen besef hadden van wat hij tussen 1955 en 1959 - in nauwelijks vijf jaar dus! - aan de canon van de westerse cultuur had toegevoegd.

Elvis in het begin

De petite histoire van de King of Rock 'n' Roll is natuurlijk bekend en ze zal u desalniettemin dezer dagen nog vaak en van alle kanten in de oren gewreven worden: Elvis Aaron Presley werd op 8 Januari 1935 als zoon van de straatarme Vernon en Gladys Presley geboren in een houten hut, net buiten Tupelo, in de staat Mississippi. Bij die 'blijde gebeurtenis' kwam ook Elvis' tweelingboer ter wereld, Jesse Garon, maar die lag enkele uren later al in een anonieme schoendoos begraven op een naburig kerkhof.

Het lot was Elvis zelf iets gunstiger gezind. Ondanks de schrijnende armoede en het niet altijd even opbeurende gezelschap van een voortdurend werkloze vader en een zieke moeder verliep zijn jeugd veeleer vlekkeloos. Toen de Presleys in 1948 van Tupelo naar Memphis, Tennessee, verhuisden, op zoek naar werk en wat meer geluk, voelde de jonge Elvis zich algauw op zijn gemak in deze music city. Al maakte hij zich wel diepe zorgen over zijn moeder Gladys, die het verlies van Jesse Garon nooit te boven is gekomen en daardoor in een permanente depressie zat. Elvis' band met zijn moeder was zo intens dat hier en daar in al dan niet bedekte termen over incest werd gesproken. De ware exegeten zeggen daar evenwel op: "Jawel, Elvis sliep in hetzelfde bed als zijn moeder, maar dat komt vooral omdat de Presleys tot Elvis een puber was maar over één bed beschikten." Dat lijkt plausibel, omdat het huis in Tupelo eigenlijk ook maar een shack was, die over slechts één kamer beschikte, en het daaropvolgende sociaal appartement in Memphis niet veel groter was.

Later, toen het Presley veel beter ging, zei komiek Bob Hope over hem: "When he started he couldn't spell Tennessee, now he owns it."

Hoe dan ook, toen Elvis tien werd, kreeg hij een gitaar cadeau van zijn vader, die ondertussen een tijdlang in de bajes had gezeten, omdat hij een ongedekte cheque had proberen te verzilveren, en datzelfde jaar nog, in 1945 dus, ging hij er al mee de hort op om aan lokale zangwedstrijden mee te doen. Hij viel daar altijd op, meestal in goede zin, door zijn eigenzinnige manier van zingen, zijn repertoirekeuze (die ging van platte country, tot ranzige r&b en zuivere twaalfmatenblues die hij gehoord had op de zwarte radiostations van het zuiden der natie) en scoorde ook behoorlijk met het wild schudden met zijn bekken, wat hem al heel vroeg de bijnaam 'Elvis The Pelvis' bezorgde.

Een ontegensprekelijke factor in zijn succes was zeker zijn door vrouwen én mannen vaak bezongen dierlijke schoonheid en zoals gezegd zijn daarbij horende van nature wulpse lichaamstaal. Door zijn onverbloemde, altijd en iedereen overrompelende charisma was het voor vriend en vijand al snel duidelijk dat we hier met absolute star quality te maken hadden.

Wat daarna volgde, is ook in ruime kring, en in min of meer gelijklopende versies, bekende leerstof. Het verhaal van hoe hij met zijn zuurverdiende spaarcenten een verjaardagsplaatje ('My happiness') bekostigde als cadeau voor voor zijn jarige, nog altijd zieke mama, wat rechtstreeks leidde tot zijn ontdekking door Sam Phillips van Sun Records en daarna: fame and fortune alom.

Anekdote: toen Elvis zich bij de Sunstudio aanmeldde voor een proefopname op Phillips' verzoek, vroeg een secretaresse hem wat ze onder 'genre' moest schrijven op zijn fiche. Het jeugdige bekken antwoordde volgens de overlevering: "I sing like nobody, ma'm", wat behalve enigszins grappig ook nog eens volkomen waar bleek te zijn, achteraf bekeken.

Kort daarop volgde zijn eerste, 'echte' single, meteen een definitieve versie van Arthur Crudups 'That's All Right, Mama', en de mystery train was voorgoed vertrokken. Tot hij op 16 augustus 1977 op een wc-pot in een groot huis wat verderop in datzelfde Memphis stil zou vallen. Wie alle details tussenin wil kennen moet zich wenden tot een van de duizenden biografieën, naslagwerken en prentenboeken die over de man zijn verschenen en waarvan Peter Guralnicks tweedelige Last Train to Memphis en Careless Love mijn absolute favorieten zijn.

Elvis in zijn

strottenhoofd

Bij nader inzien wist Elvis misschien wél heel zeker wat hij zei toen hij dat "I sing like nobody, ma'm" poneerde. In ieder geval was hij niet de domoor waar veel van zijn vijanden hem graag voor versleten en nog verslijten. Presley was zich heel goed bewust van zijn kunnen en is tot de laatste dag van zijn leven op zoek blijven gaan naar bruikbare songs om zijn geliefde instrument, zijn magische stem, te 'voeden'. Hij beschikte in ieder geval ontegensprekelijk over een zeer brede muzikale interesse en over een onwaarschijnlijke repertoirekennis, die hem leidde langs country & western, hillbilly, blues, standards en traditionals, gospel, folk, kortom de hele Angelsaksische songschat (die de grote Elvisfan Bob Dylan ook zo graag plundert voor zijn eigen geluk en dat van de luisteraars van zijn 'Theme Time Hour'-radioshow, die we u, volkomen terzijde, hier nog eens maar niet genoeg kunnen aanbevelen).

Dat hij desondanks in zijn latere werk toch vaak op middelmatig materiaal terug moest vallen en ook moest breken met wonderlijke songschrijversduo's als Jerry Leiber & Mike Stoller of Doc Pomus & Mort Shuman heeft te maken met de misdadige praktijken van zijn Nederlandse manager Colonel Parker. Die weigerde principieel dat zijn cliënt songs zou opnemen van auteurs-componisten die niet 'spontaan' ingingen op Parkers voorstellen om een flink deel van hun rechten af te staan aan hemzelf. En omgekeerd verplichtte hij Presley materiaal op te nemen van minder talentvol volk dat wél naar zijn koloniale pijpen danste.

Over de gemene rol die de Colonel in Elvis' leven en werk gespeeld heeft, moet iemand ook maar eens een goed boek schrijven, maar het zal geen vrolijk werkstuk zijn.

De ellendige filmcarrière, de miserabele Las Vegasshows, de lachwekkende showpakken, het nooit op wereldtournee gaan, het zijn allemaal wapenfeiten die we op het conto kunnen schrijven van het brein uit Breda.

Maar laten we dit stuk vooral nog even vrolijk houden en benadrukken wat een begenadigd zanger de Man uit Tupelo wel was, en dat aan de hand van een paar voorbeelden die we eerder at random uit zijn ontzaglijke repertoire zijn gaan halen.

Ik zou daarvoor in Mijn Geheime Doos Met Elvissingles kunnen graaien, of de werkelijk uitmuntende compilatie aanspreken die een zekere Guy Mortier uit Berchem in 2000 samenstelde, of me enkele dagen opsluiten in het gezelschap van de stapel Elvis-lp's en -cd's die ik me sedert mijn twaalfde verjaardag aangeschaft of laten offreren heb. Daarvan herinner ik me nog met weemoed hoe mijn goedaardige Franstalige peetvader uit Tubize raar en zelfs bezorgd opkeek toen ik voor mijn plechtige communie Elvis Is Back gevraagd had, een fantastische rauwe Presley-lp waarop zijn gore stem onder andere de strijd aanbindt met gemene saxsolo's van de vorige week overleden Boots Randolph. Maar om het niet te elitair te maken en dus ook nog een beetje toegankelijk heb ik de afgelopen weken vooral gewerkt met op de achtergrond de fraaie inhoud van de rond de eeuwwisseling verschenen box Elvis Presley: Artist of the Century, een fraai en slim boekwerkje plus drie goed gevulde cd's waarop Elvis' artistieke verhaal grosso modo in drie grote hoofdstukken verteld wordt. Begin, midden en einde dus, of voor wie van cijfers houdt: de jaren vijftig, de jaren zestig en de jaren zeventig.

Meer is er niet en meer moet er ook niet zijn.

Luister gewoon eens écht naar de prangende dramatiek van 'Heartbreak Hotel', onderga de zuivere beat en de humor van een song als 'Hound Dog', verga van lust of sla de hand aan uzelf tijdens zijn lezing van Smiley Lewis' 'One Night', zet de meubels opzij en de dans de nacht ver weg op 'Jailhouse Rock', of kruip in de donkerste hoek van uw kelder wanneer de zanger aankondigt dat "If you're looking for trouble, you came to the right place" (uit 'Trouble' en ook op de soundtrack van Elvis' beste film King Creole), om die song daarna dan ook werkelijk gevaarlijk te gaan zingen.

Tegelijk past hier ook een welgemeende fuck you aan mensen die graag rondtoeteren dat ze wel van Elvis houden "maar niet van zijn vroege periode", of aan lui die Chuck Berry beter vinden en Elvis maar een halve artiest, omdat hij zijn teksten niet zelf schreef, of aan die vermaledijde zingende melkboer van een Helmut Lotti, die een song als 'Suspicious Minds' brengt alsof het om het clublied van een tennisvereniging uit Deinze gaat en niet om het schrijnende resultaat van onderzoek naar het lelijkste van alle menselijke gevoelens, jaloezie, dat Elvis ervan maakt.

En toch heeft E.P. die song niet zelf geschreven, net zoals Sinatra 'One for My Baby (And One More for the Road) niet geschreven heeft, of Ella Fitzgerald geen auteur is van 'I Love Paris'.

Fitzgerald, Sinatra, Presley, ze deden wat een zanger altijd moet doen: "Take a sad song and make it better".

Mijn Elvis was uiteraard, door een ongeluk van de geschiedenis, de Elvis van de jaren zestig. 'Are You Lonesome Tonight', jawel, maar niet de versie met het onnozele gelach, maar die met Het Gesproken Middenstuk, dat ook nu nog voor kippevel kan zorgen. Of de hele Elvis Is Back (zie hoger), met als absolute hoogtepunt de rokerige nachtclubblues op 'Reconsider Baby'. Of een magische en volmaakte single als afhankelijk van uw meug A- en B-kanten als 'Little Sister/(Marie's the name) His Latest Flame'. Of een jukebox-botsautoknaller als 'Return to Sender'. Geloof me, nobody, werkelijk nobody does it better! Nog een bewijsstuk: het korte, prangende, bijna naakte 'Anything That's Part You', misschien wel mooiste parel aan de King zijn kroon.

En de jaren zeventig, meneer, waren die zo erg als gezegd wordt? Ja, die waren zo erg. Heel erg zelfs. Toch kan men met een loep in de ene hand en een stethoscoop in de andere uit het corpus van de seventies toch wel een paar edelstenen opdelven. Al zijn songs als 'Burning Love', 'Always On My Mind' en zelfs de ultieme single 'Way Down' misschien niet het volle 18 karaat; hoe de vermoeide, droevige man die Elvis toen al geworden ze zingt, verdient alle respect.

Elvis in de hemel

En laat respect nu net een van de dingen zijn waarvan ook de dode Elvis niet zijn deel gekregen heeft. De verdachte bewondering van dorpsgekken die zich overal ter wereld in Elvis' Las Vegaspakken hullen op jaarlijkse conventies en imitatiewedstrijden, de voortdurende spottende verwijzingen naar zijn onuitputtelijk aantal slechte films (terwijl, behalve het al genoemde King Creole ook Love Me Tender, Loving You, Jailhouse Rock, Flaming Star, Wild in the Country en zelfs G.I. Blues nog heel behoorlijk waren), de smalende toon die aangehaald wordt telkens als zijn paleis Graceland ter sprake komt (terwijl ik het net een heel revelerende, beklemmende en zelfs ontroerende plek vond toen ik het bezocht) zijn totaal misplaatst.

Gelukkig heeft Elvis ook een paar verstandige advocaten gehad. Guralnick natuurlijk, en de grote populaire cultuurfilosoof Greil Marcus die in zijn Mystery Train en Dead Elvis prachtig proza neerschreef over de man. John Lennon zei niet voor niets: "Before Elvis there was nothing". Paul McCartney, zelf ook niet geheel zonder talent, bekent graag dat "Every time I felt low, I'd put on an Elvis record and I'd feel great".

En als u dat niet gelooft, schakelen we nog een zwarte medemens in met wie Elvis nu zeer waarschijnlijk aan het kleurenwiezen is daarboven in de rock-'n-rollhemel, met name James Brown, die na Elvis' dood liet optekenen: "He taught white America to get down".

Wat vrij vertaald wil zeggen: "Hij leerde zijn volk poepen".

Wat met grote zekerheid niemand ooit zal beweren over Celie Dehaene.

Toen Elvis zich bij de Sunstudio aanmeldde voor een proefopname,

vroeg een secretaresse hem wat ze op zijn fiche onder 'genre' moest schrijven.

Het jeugdige bekken antwoordde volgens de overlevering: 'I sing like nobody, ma'm', wat behalve enigszins grappig ook nog eens volkomen waar bleek te zijn, achteraf bekekenHier past een welgemeende fuck you aan die vermaledijde zingende melkboer van een Helmut Lotti, die een song als 'Suspicious Minds' brengt alsof het om het clublied van een tennisvereniging uit Deinze gaat en niet om het schrijnende resultaat van onderzoek naar het lelijkste van alle menselijke gevoelens, jaloezie, dat Elvis ervan maakt

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234