Donderdag 23/09/2021

Waarom die beek aan de bom doet denken

Joël De Ceulaer (51) groeide op in de fabriekswijk van Sint-Jozef-Olen, die begin twintigste eeuw werd opgetrokken door Union Minière, het huidige Umicore. Vandaag is het er proper, maar hij herinnert zich nog hoe het vroeger stonk, en hoe hij met zijn kameraden speelde in een waterloop die radioactief vervuild was.

Als ik ooit een boek schrijf over het lapje grond waar ik ben opgegroeid, die ene Kempische vierkante kilometer, dan moet ik eerst de halve wereld afreizen. Om uit te leggen wat Sint-Jozef-Olen betekent, moet ik de lezer meenemen naar de mijnen van Chinkolobwe in Congo, vervolgens naar Dimona in de Negev-woestijn, dan naar de Bayonne-brug in New York, en ten slotte naar Hiroshima en Nagasaki, waar een apocalyps werd aangericht met uranium uit de fabriek waar mijn vader werkte, net zoals alle andere mannen die op die vierkante Kempische kilometer woonden.

Ja, de grondstof voor de atoombom kwam uit Sint-Jozef-Olen. En bijna elke dag vraag ik mij af hoe zwaar de straling destijds ook mijn DNA heeft aangetast. "Heel zwaar", hoor ik u denken, en zelf kan ik daar wel om lachen, maar het is toch iets om bij stil te staan: als kind speelde ik haast elke dag in de waterloop waarlangs het radioactieve afval uit de fabriek naar buiten stroomde. Mijn kameraden en ik visten er stenen uit, verbaasden ons over de vele kleuren van het slib en duwden elkaar omver in het water - onbezorgd, zoals alleen kinderen dat kunnen, alsof er niets aan de hand was.

Maar blijkbaar was er wel iets aan de hand. Tien jaar geleden, toen pas, werd de waterloop gesaneerd. Dat was een ingrijpende operatie: meters ver en meters diep moest de grond worden uitgegraven. Maandenlang werd de besmette grond vrachtwagen per vrachtwagen afgevoerd. Ik lees voor uit het artikel dat bij het begin van de werken verscheen in Gazet van Antwerpen: "Zowat 30.000 kubieke meter vervuilde grond wordt afgevoerd naar een opslagplaats op de Umicore-terreinen, afgedicht met dikke lagen klei en polyethyleenfolie om de ontsnapping van radongas te voorkomen."

Op die grond, die aldus werd afgegraven, afgevoerd en afgedicht, bracht ik mijn jeugd door. Vandaag geraak je niet eens meer bij de waterloop: het gebied is afgesloten. Het parochieschooltje, dat al bomvol kinderen zat toen het uraniumerts van Olen naar de Verenigde Staten werd verscheept voor het Manhattan Project dat uitmondde in de verwoesting van twee Japanse steden, ligt nog altijd 50 meter verderop.

Een kleine welvaartsstaat

Ik ben niet opgegroeid in een dorp, ik ben opgegroeid in een parochie. En dan nog in een klein stukje van die parochie: in de fabriekswijk van Sint-Jozef-Olen, beter bekend als de cité. Iedereen kent de legende over het bezoek van keizer Karel en de pot met drie oren, maar met die verhalen hebben wij in de cité niets te maken. Als u per se iets wilt gaan drinken uit de pot van keizer Karel, dan verwijzen wij u graag door naar Olen-Centrum, kilometers verderop, naast Achter-Olen. Niet dat wij op die andere Olenaars spuwen, verre van, maar met die pot en de andere parochies hebben wij in Sint-Jozef-Olen toch weinig te maken. Olen is de optelsom van drie democratieën.

Die cité waar ik opgroeide, was een wereld op zich. Wie in de fabriek werkte, huurde er een huis voor een appel en een ei. Hij moest wel kunnen verdragen dat zijn huis er krek hetzelfde uitzag als dat van de buurman. Alleen tussen de straten onderling zijn de verschillen enorm. Het kleinst zijn de arbeidershuisjes in de Koperstraat, Radiumstraat en Zandstraat. Van normale grootte zijn de bediendewoningen in de Kasteelstraat, waar ik opgroeide, en de Watertorenstraat. In de Leemanslaan, waar het kaderpersoneel een onderkomen vond, steken de kasten van villa's nog altijd uw ogen uit.

Een boek schrijven over de cité heeft weinig zin. Dat is al geschreven, het is zelfs een van de meesterwerken uit de Nederlandstalige literatuur: Brief aan Boudewijn van Walter Van den Broeck. In die roman uit 1980 geeft de schrijver, die geboren werd en opgroeide in de Koperstraat, onze toenmalige vorst een minutieuze rondleiding, van huis tot huis, en vertelt hij hoe het wij-gevoel van vroeger, toen de cité een hechte gemeenschap was, in de jaren 70 wegebde. Het is het verhaal van één vierkante kilometer, maar tegelijk het verhaal van Vlaanderen en de rest van de wereld. Brief aan Boudewijn is zo lokaal dat het universeel wordt. Als Gabriel Garcia Marquez in de cité was opgegroeid, dan had hij het kunnen schrijven.

Van den Broeck, die ruim twintig jaar ouder is dan ik, beleefde de klassenmaatschappij wel anders dan ik. Voor hem, vertelt hij altijd, was dat geen bron van verontwaardiging. Van minihuisjes tot kasten van villa's: zo zat de wereld nu eenmaal in elkaar. Zelf heb ik aan mijn jeugd in de cité een scherpe focus op ongelijkheid overgehouden. Ik vroeg mij als kind al af of het niet beter geweest zou zijn om de huizen toe te wijzen op basis van gezinsgrootte, in plaats van op basis van de positie in de sociale pikorde.

Mijn vader, die drie jaar geleden overleed, was bediende in de fabriek. Bureelhoofd, zoals dat heette. Daarom had hij halfweg de jaren 60, bij zijn indiensttreding, dat huis in de Kasteelstraat toegewezen gekregen. Mijn moeder woont er nog altijd, en ik kom er nog haast elke week. Met steeds groter plezier. Ook dat zal wel universeel zijn: als je 17 bent, wil je zo snel mogelijk weg uit het ellendige dorp waar je bent opgegroeid, als je 50 wordt, begin je het in overweging te nemen om er later terug te gaan wonen.

Maar van de fabriek - die wij in Olen het fabriek noemen, of eigenlijk, om precies te zijn: tfabriek - heb ik nooit gehouden. Die fabriek was voor mij een monster dat stonk en lawaai maakte en om de zoveel tijd een shift kromgewerkte arbeiders uitspuwde. Dat ook dat gevoel universeel is, leerde ik toen ik als 14-jarige op aanraden van wijlen Humo-recensent Marc Mijlemans - ook van Sint-Jozef-Olen, trouwens - Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen kocht en het lied 'Factory' ontdekte. Dat lied, over de fabriek die brood op de plank brengt maar de arbeiders ook ziek maakt, gaat voor mij over tfabriek van Sint-Jozef-Olen. De beat van dat nummer is de beat van de werkmens. Als u nu even tijd hebt: beluister het snel eens, en lees dan verder.

De geur van postzegels

Vandaag is de tuin van mijn ouderlijke huis een lust voor het oog. Alles wat je er plant, groeit en bloeit er met honderd per uur. In de jaren 60 en 70, daarentegen, waren de tuinen van dit stukje cité nog een dorre woestenij. Tot ook die grond een meter diep werd uitgegraven en vervangen door levensvatbare aarde, die de historische vervuiling van deze streek moest doen vergeten.

Want tfabriek spuwde niet alleen arbeiders uit, maar ook vervuilde lucht en vervuild water. Als de wind een beetje tegenzat, kon het soms zo hard stinken in de cité dat ik het dwars door de ramen heen leek te kunnen ruiken. Ik herinner mij dat ik als jongen vaak naar buiten ging dan, om mij te vergewissen van de stank, alsof ik toen al wist dat ik ooit zou moeten opschrijven hoe het precies rook. Ik zou zeggen: naar de achterkant van een oude postzegel, als je hem met je tong hebt natgemaakt. Ik heb geen flauw idee welke zware metalen of ander vergif tfabriek toen over onze hoofden uitspuwde, maar ik denk dat ik het vandaag nog altijd liever niet wíl weten.

Mogelijkerwijze was zwavelzuur een van de ingrediënten. Zwavelzuur komt immers vrij bij de elektrische zuivering van koperplaten, de zogenaamde elektrolyse. De afdeling van tfabriek waar dat gebeurde, heette in de volksmond de zoete dood. Het is bij mijn weten nooit statistisch hardgemaakt, en als ik ooit dat boek schrijf moet ik die statistieken wel hebben, maar de volksmond in de cité heeft altijd gezegd dat arbeiders in de elektrolyse minder lang leefden omdat ze zoveel zwavelzuur inademden, een zoete geur overigens, vandaar die zoete dood.

Als mijn vader dit kon lezen, zou hij vinden dat ik overdrijf. Hij nam altijd de verdediging van tfabriek op zich. Die historische vervuiling was er zeker geweest, gaf hij toe, maar de laatste decennia had tfabriek zwaar geïnvesteerd in zuiveringsinstallaties en de sanering van gronden. En ik zal mijn vader geen ongelijk geven. Maar die waterloop, dat beekje waar ik als kind in speelde, zit mij tot op de dag van vandaag nog altijd dwars. Dat men zo lang heeft gewacht om die radioactieve gronden te saneren, tot tien jaar geleden dus, vind ik een schande. Als ik ooit een boek schrijf over de cité, het boek dat Walter Van den Broeck nog niet geschreven heeft, dan gaat het dáárover: mijn radioactieve jeugd. En dat boek moet beginnen in de mijnen van Chinkolobwe, in de provincie Haute Katanga in Zuid-Congo. Daar komt het uraniumerts vandaan waar zowel die beek uit mijn jeugd als die bom op Hiroshima uit voortvloeien.

De brief van Einstein

Ik ben nog twee plekken vergeten die ik op mijn wereldreis moet bezoeken alvorens ik dat boek over de cité kan schrijven. Het Panthéon in Parijs, waar Nobelprijswinnares Marie Curie begraven ligt. En de universiteit van Princeton in de Verenigde Staten, waar haar collega Albert Einstein na zijn vlucht uit nazi-Duitsland onderdak vond. Marie Curie ontdekte het element radium, en daarmee het fenomeen radioactiviteit, en ligt zo aan de basis van het succes van de Union Minière de Haute Katanga, zoals tfabriek voluit heette toen ze in 1906 werd gesticht door de Generale Maatschappij.

De Union Minière bracht het uraniumerts uit de mijnen van Chinkolobwe naar Olen, waar het aanvankelijk werd gebruikt voor de productie van radium, waarmee men onder meer lichtgevende verf maakte. Toen wetenschappers ontdekten dat uraniumerts een bom kan voortbrengen, en de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd Olen het centrum van de wereld. Albert Einstein schreef een brief aan de Amerikaanse president om aan te dringen op een nucleair programma. Voor dat Manhattan Project werd uraniumerts van Olen naar New York verscheept, en bewaard vlak bij de Bayonne-brug.

Het was Edgar Sengier, destijds topman bij Union Minière, die de deal met de Amerikanen had beklonken. Hij kreeg daar later de nodige medailles voor. Een deel van het Olens uranium viel echter ook in handen van nazi-Duitsland. Volgens Luc Barbé, oud-kabinetsmedewerker van voormalig Ecolo-minister Olivier Deleuze, speelde Sengier dubbel spel, en dacht hij alleen aan het belang van de firma. Dat zou ik te zijner tijd graag uitzoeken. Klopt dat verhaal? En zouden de Duitsers, als zij de oorlog hadden gewonnen, Sengier met Duitse medailles hebben behangen? Volgens Barbé heeft het Olense erts ook een grote rol gespeeld bij de verdere proliferatie van kernwapens: zo zouden er ook duistere deals zijn gesloten met Israël. Om dat na te gaan, moet ik dan weer naar het nucleaire onderzoekscentrum in Dimona, in de Negev-woestijn.

Als ik ooit mijn pensioen haal, zal ik weten wat gedaan. Dat boek over de cité moet het verhaal worden van de twintigste eeuw, van de industrialisering van Vlaanderen, met alle voor- en nadelen, van vooruitgang tot vervuiling. Maar het moet ook het verhaal worden van de wetenschap, en van het industrieel-militair complex. Het moet gaan over patriottisme en collaboratie, maar ook over kolonisering en diefstal van grondstoffen uit de mijnen op het Afrikaanse continent. Sinds collega Bruno Struys vorige week in deze krant aan het licht bracht dat de VN willen onderzoeken of Union Minière misschien ook betrokken was bij de moord op Dag Hammarskjöld, die in 1961 wilde onderhandelen over de onafhankelijkheid van de provincie Katanga - wat het bedrijf slecht uitgekomen zou zijn - wordt de geschiedenis van tfabriek nog interessanter om te onderzoeken. Maar mijn rode draad wordt die waterloop, de beek die mij aan de bom doet denken.

Dat neemt niet weg dat ik mij nog altijd nergens zo goed thuis voel als in dat huis in de Kasteelstraat, waar mijn moeder woont en ik elke week de deur kan opendoen in mijn moedertaal, met de simpele vraag: "En, oewist hier?"

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234