Donderdag 22/10/2020

Waarom de onderzoekscommissie-Dutroux overbodig was

Onder zware politieke druk van de toenmalige regeringspartijen schreef het Comité P in 1996 een rapport waarin de rijkswacht werd vrijgepleit van fouten in het onderzoek-Dutroux. Dat blijkt uit een onderzoek van De Morgen. Als gevolg van dit 'gepolitiseerde' rapport van het Comité P werd het parlement gedwongen tot de oprichting van een onderzoekscommissie, die een boeiend mediaspektakel opleverde maar bij nader inzien overbodig was.

Door Georges Timmerman

Het hoogtepunt van de parlementaire onderzoekscommissie-Dutroux staat in het collectieve geheugen gegrift: "Een van u beiden vertelt de waarheid niet. Beseft degene die dit doet, wel waar hij mee bezig is?" Marc Verwilghen (VLD), voorzitter van de onderzoekscommissie, sprak met ingehouden razernij en veel gevoel voor drama. Televisiekijkend Vlaanderen volgde op 18 december 1996 ademloos en verbijsterd de confrontatie tussen rijkswachtadjudant Jean Lesage en de Luikse onderzoeksrechter Martine Doutrèwe. Inzet van het conflict: wie was verantwoordelijk voor de fouten in het onderzoek naar de ontvoerde meisjes? Was het de rijkswacht, die met haar geheime Operatie Othello al minstens een jaar voor het uitbreken van het schandaal observaties van Dutroux had uitgevoerd, informanten had ingeschakeld en zelfs huiszoekingen had gedaan in de woningen van Dutroux terwijl sommige meisjes nog levend in zijn kelder zaten opgesloten? Of was het gerecht verantwoordelijk omdat het te weinig interesse had opgebracht voor en leiding had gegeven aan het onderzoek? Ruim tien jaar na de beruchte confrontatie is het nog steeds niet duidelijk wie er gelijk had. "Ik weet inderdaad niet wie toen gelogen heeft", bekende Verwilghen in 1999. "Je vraagt je dan af: waar waren al die hoorzittingen dan goed voor?"

Een reconstructie van de aanloop naar de onderzoekscommissie toont aan dat Verwilghen en zijn commissie vanaf de start op het verkeerde been werden gezet. Nog voor de oprichting van de onderzoekscommissie beschikte toenmalig minister van Justitie Stefaan De Clerck (CVP) al over rapporten van topmagistraten waaruit onomstotelijk bleek dat de rijkswacht zwaar in de fout was gegaan. Om die bevindingen te toetsen vroeg De Clerck een second opinion aan het Comité P, dat de politiediensten moet controleren. Maar het Comité P stond onder zware politieke druk van de toenmalige regeringspartijen CVP en SP, zo kon de redactie achterhalen. Het gevolg daarvan was dat het Comité P een rapport afleverde waarin de rijkswacht werd witgewassen van alle zonden.

Geconfronteerd met die tegenstrijdige rapporten en met de hete adem van de publieke opinie in de nek had het parlement geen andere optie dan te grijpen naar het wapen van een onderzoekscommissie. Anders gezegd: als het Comité P zijn werk goed had gedaan, dan was de parlementaire onderzoekscommissie overbodig geweest.

De politieke machinaties die voorafgingen aan de oprichting van de commissie-Dutroux kregen in de bewogen nazomer van 1996 weinig aandacht. In die hectische en overspannen dagen hadden de media de handen vol met de arrestatie van Dutroux en zijn kompanen, de bevrijding van Laetitia en Sabine, de macabere ontdekking van de lijken van Julie en Mélissa en nadien van An en Eefje, de graafwerkzaamheden, de geruchten over bescherming en andere spectaculaire complottheorieën.

Aanvankelijk stond minister van Justitie De Clerck er alleen voor. Premier Dehaene en de andere regeringsleden waren nog met vakantie toen Dutroux op 13 augustus werd aangehouden en het schandaal losbarstte. Het was De Clerck die de eerste aanzet gaf van een onderzoek naar het onderzoek: hij vroeg aan de procureurs-generaal van het Hof van Cassatie en van het Luikse gerecht een rapport over wat er verkeerd was gelopen. De conclusies van beide rapporten waren vernietigend voor de rijkswacht. Operatie Othello bleek een parallel onderzoek, dat volledig ontsnapte aan de controle van de magistratuur. Volgens de Luikse procureur-generaal Anne Thily had de rijkswacht in het onderzoek naar Julie en Mélissa opzettelijk en doelbewust informatie achtergehouden voor onderzoeksrechter Doutrèwe. Het korps kreeg het verwijt dat het te veel op eigen houtje onderzoek had gedaan en nooit conclusies had overgemaakt aan het gerecht. Procureur-generaal Jacques Velu van Cassatie stelde dat het parket van Charleroi geen gegevens had doorgespeeld aan het parket van Luik omdat men dacht dat de rijkswacht dit via haar Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) wel zou doen.

Die conclusies van de magistratuur, die door De Clerck op 19 september in de Kamer werden gepresenteerd, vielen niet in goede aarde bij Johan Vande Lanotte (SP), toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en bevoegd voor de rijkswacht. Vande Lanotte noemde de conclusies voorbarig en maakte zich boos op De Clerck, omdat die niet had gewacht op de bevindingen van het Comité P en de rijkswacht zelf. Dezelfde dag nog kreeg het Comité P van De Clerck, zoals dat heet "in overleg met minister Vande Lanotte", opdracht "een grondige beoordeling" te maken van de rapporten van de procureurs-generaal, ze te toetsen aan de geldende politiepraktijken en een advies te geven "over het bekendmaken of meedelen van vertrouwelijke interne verslagen van de rijkswacht aan de leden van de Kamercommissie Justitie". In de rapporten van de procureurs-generaal was er immers sprake van interne rijkswachtdocumenten over Operatie Othello en De Clerck wou die in de openbaarheid krijgen.

Tegelijk, zo ontdekte De Morgen, startte echter ook een ongeziene en mogelijk zelfs onwettelijke kunstgreep die moest garanderen dat de conclusies van het Comité P in de door regering gewenste richting zouden gaan. Belangrijkste voorwaarde hiervoor was de uitschakeling van Walter De Smedt, een van de vijf leden van het Comité P. Hij stond immers bekend om zijn kritische houding tegenover de uitwassen van bijzondere opsporingsmethodes zoals die graag werden toegepast door de rijkswacht.

Nog steeds op dezelfde 19de september vond er daarom in het geheim een besloten vergadering plaats met als deelnemers Frank Swaelen (CVP), Robert Delathouwer (SP), Freddy Troch en Patrick Vandenbruwaene. De eerste twee waren voorzitter van de gemengde begeleidingscommissie voor de Comités P en I. Troch, een magistraat met een CVP-etiket, was op dat moment voorzitter van het Comité P en Vandenbruwaene de chef van de enquêtedienst van dit Comité. Op die vergadering werd beslist om De Smedt uit te sluiten uit het onderzoek-Dutroux, met als voorwendsel dat de man onbetrouwbaar was omdat men hem verdacht van perslekken.

Nu bevestigt Troch voor het eerst het bestaan van die geheime vergadering. "De parlementaire begeleidingscommissie heeft inderdaad beslist om één bepaald lid buiten het onderzoek-Dutroux te houden", zegt hij in een gesprek met de redactie. "Dat was niet mijn idee, ik heb het uitgevoerd. U begrijpt dat ik geen lid ga uitsluiten zonder dekking van de begeleidingscommissie, die tenslotte onze baas was."

Wat Troch er niet bij vertelt, is dat hij eigenhandig deze beslissing had uitgelokt. Op 18 september, de dag voor de geheime vergadering, schreef hij namelijk een brief aan Swaelen en Delathouwer met de vraag om dringend maatregelen te nemen tegen De Smedt, omdat die informatie naar de BRTN zou hebben gelekt in verband met een onderzoek in Charleroi. Deze nooit bewezen beschuldiging volstond om De Smedt te elimineren. Zijn aanwezigheid zou de goede werking van het Comité P in het onderzoek-Dutroux onmogelijk maken, meende Troch. In het belang van de geheimhouding en de vertrouwelijkheid van het onderzoek vroeg en verkreeg hij de uitsluiting van De Smedt uit dit welbepaalde onderzoek.

Georges Pyl, ondervoorzitter van het Comité P, en comitélid Valère De Cloet (afkomstig van de gerechtelijke politie) werden aangesteld om de opdracht van minister De Clerck uit te voeren. Pyl, een voormalig adjunct-commissaris bij de Antwerpse gemeentepolitie, was voor zijn komst naar het Comité P verbindingsofficier van de gemeentepolitie geweest op het kabinet van minister van Binnenlandse Zaken Louis Tobback (SP) en stond bekend als het 'mannetje' van Vande Lanotte.

De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken herinnert zich helaas niet meer wat er destijds precies gebeurd is. "Dat Troch plots iemand zou zijn die zich door de politici liet leiden, is best wel grappig", reageert Vande Lanotte. "Hij was voorzitter van een onafhankelijk orgaan en werd verondersteld onafhankelijk op te treden."

Troch interpreteerde de opdracht van minister De Clerck op een eigenzinnige manier. Het Comité P beperkte zich niet tot de punctuele vragen van de minister, maar begon een breed onderzoek naar alle mogelijke disfuncties, zowel bij de verschillende politiediensten als bij de magistratuur - hoewel het Comité P wettelijk niet eens bevoegd is om onderzoeken te voeren naar magistraten. Het Comité P werd hiervoor trouwens op de vingers getikt, zoals blijkt uit een brief van De Clerck aan Troch van 27 september, die de redactie in haar bezit heeft. De minister reageerde in die brief op een fax van Troch, waarin die vroeg om bijkomende onderzoeksdaden te mogen doen in de richting van de magistraten. "In de opdrachtbepaling heb ik gesproken van een grondige beoordeling van de tot op heden opgemaakte verslagen", schreef De Clerck. "Mijn vraag bestaat er niet in dat u zelf een onderzoek verricht naar de mogelijke disfuncties." En in een niet mis te verstaan handgeschreven notabene voegde hij eraan toe: "Ik verneem zopas dat u mijn antwoord niet hebt afgewacht. Waarvan akte."

De Clerck herinnert zich die brief maar al te goed. "Troch had zelf al initiatieven genomen en bepaalde elementen in onderzoek gestoken", zegt hij. "Dat is Troch op z'n best!" De gewezen voorzitter van het Comité P moet dieper in zijn geheugen tasten. "Ik veronderstel dat wij verduidelijkingen hebben gevraagd aan de minister", meent Troch. "Er was van in het begin discussie tussen de minister en het Comité P over de definitie van de opdracht."

Het verslag van het Comité P over de zaak-Dutroux kwam uiteindelijk in zeer merkwaardige omstandigheden tot stand. Vier van de vijf leden vergaderden op zondag 13 oktober om 10 uur 's morgens om het verslag goed te keuren. Normaal vergadert het Comité nooit op zondag en normaal worden dergelijke beslissingen collegiaal door de vijf leden samen genomen. De Smedt vond de uitnodiging voor deze vergadering pas maandagmorgen de 14de oktober op zijn bureau. Te laat. Hetzelfde gold voor Carmelo Zaïti, de griffier van het Comité P en een vertrouweling van PS-topman Elio Di Rupo. Ook hij vond de uitnodiging pas die maandagmorgen. De normale procedure, zoals vastgelegd in het huishoudelijk reglement van het Comité P, voorziet dat de voorzitter de leden uitnodigt voor de vergadering, waarna de griffier de oproeping verstuurt. Belangrijke beslissingen, zoals de goedkeuring van een verslag, kunnen weliswaar met vier leden genomen worden, maar enkel als alle leden volgens het boekje worden uitgenodigd.

De Smedt protesteerde tegen deze vreemde gang van zaken en diende later een klacht in tegen de vier andere leden van het Comité P wegens schriftvervalsing en samenspanning van ambtenaren. Het onderzoek naar de klacht kwam in handen van de Brusselse raadsheer Johan Vlogaert, maar werd uiteindelijk geseponeerd.

"Het was een moeilijke en delicate opdracht", verdedigt Troch zich vandaag. "De politiek stond onder druk, ze wilden niet dat er bij het Comité P een wiel zou afdraaien. Er bestonden grote interne spanningen binnen het Comité en tegen twee leden (Pyl en De Smedt) liep een procedure tot afzetting. Het was voor het Comité een zaak van erop of eronder. Swaelen en Delathouwer maakten ons duidelijk dat het onderzoek-Dutroux ofwel het einde van het Comité kon betekenen, ofwel een nieuw begin. Het parlement was destijds verdeeld in twee groepen: verdedigers van de rijkswacht (vooral de SP) en verdedigers van de gerechtelijke politie (vooral de CVP). Wij moesten ons als Comité P neutraal opstellen. Een zaak als Dutroux is niet alleen het probleem van deze of gene politiedienst, het is een collectieve verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. Om het Comité P te leiden, zo heb ik ondervonden, moet je ook een beetje politicus zijn."

De conclusies van het Comité P werden op 16 oktober in de Kamercommissie Justitie voorgesteld en toegelicht door Troch, Pyl en De Cloet. De rijkswacht kreeg weliswaar een tik op de vingers, omdat ze niet had samengewerkt met de gerechtelijke politie en geen pv's had opgesteld over Operatie Othello ten behoeve van de magistraten, maar werd toch grotendeels vrijgepleit. De betrokken magistraten daarentegen, en vooral de Luikse onderzoeksrechter Doutrèwe, werden in de mondelinge toelichting zeer ernstige fouten verweten. "Het is niet zo dat de rijkswacht opzettelijk en doelbewust de piste-Dutroux voor Luik verborgen heeft gehouden", zei Pyl. Het Comité P was het dan ook niet eens met de rapporten van de procureurs-generaal Thily en Velu. "De vraag of de operatie Othello een parallel onderzoek betrof, is reeds vele malen opgeworpen", besluit het rapport van het Comité P. "Er is sprake van een parallel onderzoek wanneer de gerechtelijke overheid volledig buiten een onderzoek wordt gehouden en niet in kennis wordt gesteld van de informatie en de onderzoeksbevindingen. In het dossier Othello is de gerechtelijke overheid niet onmiddellijk maar toch binnen een redelijke termijn ingelicht en dit op mondelinge en schriftelijke wijze. Op geen enkel ogenblik is gebleken dat de uitvoerende politiedienst over meer nuttige informatie beschikte dan deze die aan de overheid werd meegedeeld. Het Comité P komt dan ook tot de vaststelling dat de operatie Othello geen parallel onderzoek betrof." Van enige schriftelijke rapportering door de rijkswacht aan het Luikse gerecht is evenwel geen spoor terug te vinden in het bijna honderd pagina's tellende rapport.

Tot op de dag van vandaag blijft Troch vierkant achter 'zijn' verslag staan. "De rijkswacht kreeg in die periode door iedereen de zwartepiet toegespeeld, ook in de media", zegt hij. "En de rapporten van de procureurs-generaal waren vooral kritisch voor de rijkswacht. Maar ik blijf er heilig van overtuigd dat ons verslag objectief was. We hebben de verantwoordelijkheden breder getrokken: niet alleen de rijkswacht, maar alle verantwoordelijken trof collectief schuld, ook de magistratuur."

Verwilghen was niet tevreden met het rapport van het Comité P. Hij besloot het Comité P op geen enkele manier bij de werkzaamheden van de parlementaire onderzoekscommissie-Dutroux te betrekken. De conclusie dat Operatie Othello geen parallel onderzoek was van de rijkswacht, werd niet bevestigd of overgenomen door de commissie-Dutroux. Wel integendeel. In haar tweede aanvullend verslag schreef de commissie: "De beslissing tot het opstarten van een parallel onderzoek in Charleroi gaat in tegen de wettelijke bepaling dat een onderzoeksmagistraat het onderzoek leidt. Een parallel onderzoek is eenvoudigweg niet aanvaardbaar. Degenen die de beslissing daartoe hebben genomen op de vergadering van het CBO en zij die de beslissing vorm hebben gegeven in Charleroi, evenals het parket dat de aanvraag heeft gevalideerd, dragen daarvoor de verantwoordelijkheid."

Wat is er inmiddels gebeurd met de hoofdrolspelers in deze subplot van de Dutrouxsaga? Georges Pyl nam eind 1998 ontslag bij het Comité P, later gevolgd door comitélid Valère De Cloet. Walter De Smedt werd eind 1999 niet meer herbenoemd als lid van het Comité P en werkt inmiddels als rechter bij de correctionele rechtbank van Antwerpen. Freddy Troch is momenteel rechter in Dendermonde. Hij werd eind 1999 als voorzitter van het Comité P vervangen door nationaal magistraat André Vandoren. Luitenant-kolonel Henri Berkmoes, de hoofdverantwoordelijke voor Operatie Othello bij het CBO van de rijkswacht, werd in 2000 benoemd tot chef van de enquêtedienst van het Comité P.

De parlementaire begeleidingscommissie heeft inderdaad beslist om één bepaald lid buiten het onderzoek-Dutroux te houdenJohan Vande Lanotte

(toenmalig minister Binnenlandse Zaken):

Dat Troch plots iemand zou zijn die zich door de politici liet leiden, is best wel grappig. Hij werd verondersteld onafhankelijk op te treden

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234