Dinsdag 15/10/2019

Onderwijs

Waarom de lat vaak lager gelegd wordt in de lerarenopleiding

Beeld Tsjisse Talsma

Het gaat al een tijdje niet goed met de opleiding tot basisonderwijzer. Cathy Galle, zelf lector geweest, ziet niet in hoe een universitaire opleiding, zoals de Vlaamse regering voorstelt, iets kan veranderen aan het feit dat er mensen afstuderen die niet zouden mogen afstuderen. Want daar wringt het schoentje: hoe strenger de scholen zijn, hoe minder geld ze krijgen.

Een dinsdagochtend in juni, enkele jaren geleden. De vergadering van de examencommissie van de opleiding waarin ik toen les gaf, is net afgelopen. Nogal onthutst stap ik naar buiten, niet goed vattend wat zich net heeft afgespeeld. De commissie heeft meerderheid tegen minderheid beslist om de punten voor een ‘buisvak’ in het tweede jaar bij te stellen naar boven. Officieel omdat de bewuste lector – niet zelf aanwezig tijdens de commissie – te streng zou hebben verbeterd. Maar tussen de regels was de wanhoop te horen dat met zoveel niet-geslaagden de opleiding financiële schade zou ondervinden.

De upgrade van de punten werd goedgekeurd. Op het einde van de vergadering werd iedereen nog eens goed op de zwijgplicht gewezen. Ook in het onderwijs heerst een omerta.

Zelf had ik er een slecht gevoel bij. Als punten van een ervaren lector, gegeven in eer en geweten, zomaar herroepen worden uit schrik om middelen te verliezen, waar zijn we dan eigenlijk mee bezig? Niet met kwalitatief onderwijs bieden aan jongeren, lijkt me.

Ik moest terugdenken aan die bewuste examencommissie toen ik het bericht las over de ‘vermastering’ van de opleiding tot basisonderwijzer. Het gaat al een tijdje niet goed met die opleiding. Die zou niet kwalitatief genoeg zijn, luidt het. Er kwam al een verplichte, maar niet-bindende instaptoets voor kandidaat-studenten. Maar die zorgt er voorlopig alleen voor dat het aantal inschrijvingen verder daalt. De Vlaamse regering wil daarom een universitaire opleiding in het leven roepen, die naast de huidige hogeschoolopleidingen kan bestaan. Ze willen het beroep van onderwijzer zo weer aantrekkelijk maken en ook de kwaliteit in het basisonderwijs verbeteren.

Maar zowel hogescholen als universiteiten zijn tegen. Zij zouden liever zien dat de bestaande bacheloropleidingen versterkt worden in de plaats van een – duurdere – academische opleiding op te starten. Want de lerarenopleidingen kreunen nu, net als alle bacheloropleidingen, onder een chronisch gebrek aan middelen.

Pervers kantje

Mijn ervaring leert dat niet het gebrek aan middelen op zich het probleem is, maar wel de manier waarop die middelen uitgedeeld worden. Daar is een pervers kantje aan: hoe strenger de scholen zijn voor hun studenten, hoe minder geld ze krijgen. Klinkt onlogisch, in de praktijk is het ook vooral contraproductief. Er komen afgestudeerden op de arbeidsmarkt terecht die volgens hun capaciteiten nooit hadden mogen afstuderen. En dat los je niet op door een masteropleiding op te richten.

In de kleine opleiding waar ik lesgaf, werd elke euro drie keer omgedraaid. Dus vond ik het destijds niet abnormaal dat punten al eens opgetrokken werden of dat er tegen collega’s werd gezegd dat ze best niet al te streng verbeterden. Maar de druk op de lectoren is duidelijk meer verspreid dan ik dacht.

“Het draait steeds minder om kwaliteit”, zucht M., een lector met een lange staat van dienst in een Gentse opleiding. “Bedoeling is zoveel mogelijk studenten aan te trekken én er zoveel mogelijk af te leveren. Het liefst ook zo snel mogelijk.”

En dan wordt er vooral vanuit een boekhoudersmentaliteit gedacht. M. heeft het over ‘de terreur van de Excellekes’. Die ‘Excellekes’ zijn kolommen met slaagpercentages per vak én simulaties over hoeveel studenten er méér zouden geslaagd zijn mochten alle studenten voor een bepaald vak 2, 3 of zelfs 4 punten bijkrijgen.

“Elke examencommissie begint tegenwoordig met het uitdelen van zo’n blad. Dat moeten we dan met z’n allen eens goed bekijken en zien of en waar we eventueel kunnen ‘bijpassen’. Vroeger gebeurde dat ook wel eens. Het kan altijd zijn dat een bepaalde lector het al te bont maakt bij het verbeteren. En dan is het de taak van de commissie om in te grijpen. Maar nu is het bijna vanzelfsprekend geworden en wordt het vooral ingegeven vanuit financiële overwegingen.”

Om dat te begrijpen, is een woordje uitleg op zijn plaats over hoe het hoger onderwijs werkt en wordt gefinancierd. Alles draait om studiepunten. Elke student die start in het hoger onderwijs krijgt een hoeveelheidje van die punten mee in een virtueel rugzakje. Als hij een opleidingsonderdeel, een vak dus, wil volgen, dan moet hij punten afgeven. Slaagt hij voor dat vak, dan krijgt hij die punten terug. Slaagt hij niet, dan is hij ze kwijt. Een normaal academiejaar ‘kost’ een student 60 studiepunten. Is zijn rugzakje met punten leeg, dan is het gedaan met studeren.

Die studiepunten zijn dus belangrijk voor een student, maar ook voor de scholen. Want zij krijgen hun financiering op basis van die punten. Eerst via inputfinanciering: scholen krijgen geld voor de studiepunten die studenten bij hun start opnemen. Spartelen ze het eerste jaar door en halen ze 60 studiepunten, dan krijgt de school nadien geld voor de studiepunten die de student effectief behaalt. Daarnaast krijgt de school ook geld wanneer de student uiteindelijk het diploma behaalt.

Doorverwijzen

Een ingewikkelde regeling dus, die er vooral kwam om scholen te stimuleren studenten tijdens hun hele traject goed te begeleiden. Kleine opleidingen zijn ook heel huiverig voor het aanpassen van het systeem, want alleen geld krijgen voor studenten die binnenkomen bijvoorbeeld, zou het financieel nog lastiger maken. En alleen geld krijgen voor wie afstudeert, is voor elke opleiding nefast. Maar in de praktijk, en net door de bijzonder krappe budgetten, heeft de huidige combinatie toch behoorlijk wat kwalijke neveneffecten.

Allereerst zorgt het voor enorme concurrentie tussen onderwijsinstellingen. Want het hoger onderwijs krijgt een zogenoemde gesloten enveloppe. Wat de ene instelling – na de hele berekening op basis van die studiepunten – meer krijgt, gaat er af bij een andere. De rectoren van de Vlaamse universiteiten deden eerder al een oproep om daar iets aan te doen. VUB-rector Caroline Pauwels zei in een interview met ScienceGuide afgelopen zomer nog dat de concurrentie vooral de marketingbudgetten van de instellingen doet stijgen. Want voor een school komt het er niet alleen op aan om zo veel mogelijk jongeren binnen te krijgen, ze moeten er vooral ook méér binnenkrijgen dan de andere.

En dat zorgt op het terrein voor frustratie, zegt F., een naar eigen zeggen nog altijd erg gedreven lector informatica aan een Antwerpse hogeschool. “Je merkt dat vooral op infodagen. Daar gaan bijzonder veel middelen naartoe. En wij, de lectoren, moeten daar vooral een promopraatje verkopen. De opleiding wordt ook steevast wat cooler, straffer en leuker voorgesteld dat ze in werkelijkheid is. 

"Bedoeling is dat we zo veel mogelijk inschrijvingen hebben, ongeacht of die jongeren de juiste capaciteiten hebben. Dat is tegenwoordig van ondergeschikt belang. Je krijgt jongeren in je opleiding binnen met een bepaalde gecreëerde verwachting. Als die dan niet klopt met de realiteit, beginnen de problemen.”

In hun eerste jaar vallen de studenten onder de inputfinanciering. Zolang ze geen 60 studiepunten hebben verdiend, krijgt de school gegarandeerd geld voor hen. Dat zorgt ervoor dat scholen vooral niet altijd moeite doen om hen door dat eerste jaar te krijgen. Een zorg die de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) al enkele keren uitte. “Er woedt een enorme strijd om de student, maar die is niet in het voordeel van die student”, legt Zoë Vandamme van VVS uit. Studenten komen nu vaak in opleidingen terecht waar ze niet goed zitten. Maar voor een school is het financieel nadelig om die studenten door te verwijzen naar een andere opleiding. “Want ze sturen zo een student weg die eigenlijk nog had kunnen opbrengen.”

Beeld Tsjisse Talsma

Dat doorverwijzen gebeurt inderdaad nog te weinig. Ook al zeggen hogeschoolbesturen vrij unisono daar hard op in te zetten, uit cijfers van het departement Onderwijs blijkt dat er voor het academiejaar 2012-2013 in slechts 5,34 procent van de gevallen werd doorverwezen.

De overheid zou scholen die studenten wél vroegtijdig doorsturen net financieel moeten belonen, vinden ze bij de VVS. “Om te voorkomen dat wie in een verkeerde opleiding zit, kostbare studiepunten verliest. Want als hun rugzakje met punten op is, eindigen ze zonder diploma.”

'Trek zo hard je kunt'

Spartelt een student dat eerste jaar wel door en haalt hij meer dan 60 studiepunten, dan krijgt de school pas geld voor de vakken waarvoor hij slaagt en bij het afstuderen. “De druk op lectoren is bijzonder hoog”, reageert Koen Daniëls, onderwijsspecialist bij N-VA. “Ze worden opgedragen om studenten nog meer te begeleiden, nog meer te ondersteunen. Want er mag geen student verloren gaan. Er ontstaat een sfeer ten aanzien van lectoren: ‘Trek zo hard als je kunt.’ Studenten van wie docenten menen dat ze niet de vereiste capaciteiten hebben, moeten toch verder begeleid worden.”

Soms tot in het absurde. Daniëls: “Het doet me denken aan een verhaal dat een lector me ooit vertelde. Bij een paper had hij veel tips en adviezen gegeven en ook heel sterk begeleid. Bij het nalezen van het resultaat had hij het gevoel dat hij een samenraapsel van zijn eigen tips aan het lezen was. Maar wat had die student dan werkelijk zelf geleerd en gerealiseerd? Waar ben je dan eigenlijk nog mee bezig?”

Ook J., al acht jaar lector Frans in een lerarenopleiding, vraagt zich geregeld af waarmee ze bezig is. Frans is zo’n vak waar studenten – niet alleen in de lerarenopleiding – vaak hard mee worstelen. “Officieel wordt er uiteraard altijd gezegd dat we de lat niet lager mogen leggen, maar in de praktijk komt het daar wel op neer. We krijgen jongeren binnen die op het vlak van Frans een serieuze achterstand hebben. Wij moeten niet alleen die achterstand zien weg te werken, maar hen ook nog eens op een niveau zien te krijgen dat ze kunnen afstuderen. En als dat niet lukt, dan krijgen we het verwijt dat we te streng zijn. Want iedere student die we verliezen, betekent minder geld voor de opleiding.”

En minder geld voor de opleiding heeft directe gevolgen voor het lerarenkorps. “Ik kwam enkele jaren geleden onze coördinator tegen in de gang en die sprak mij aan op de resultaten voor mijn vak statistiek”, getuigt een andere lector. “Hij zei dat er door mijn lage punten er volgend academiejaar geen geld meer zou zijn om een jonge, beginnende collega aan boord te houden. Hij zei het niet eens beschuldigend, het was eerder een vaststelling. Maar hoe zou u zich voelen?”

Trucjes

Dat er dan al eens punten opgetrokken of andere trucjes toegepast worden, zal niet verbazen. L., een lector Frans in een Gentse opleiding, kent het klappen van de zweep. “Het gaat soms heel subtiel. Normaal gezien moet een student eerst door Frans in het eerste jaar zijn, voor hij naar Frans 2 en daarna Frans 3 mag. Dat is logisch, want de modules volgen elkaar op. Frans is jammer genoeg een buisvak, waardoor een pak studenten al in het derde jaar zitten voor alle andere vakken, behalve voor Frans. Dat betekent dat die student normaal gezien nog minstens een jaar langer moet blijven, enkel om zijn Frans af te werken. 

"Zolang hij niet afstudeert, krijgt de school geen centen. Dus wordt er bij ons een trucje toegepast: studenten die gebuisd zijn voor Frans, mogen in vele gevallen toch beginnen aan de hogere modules. Dan wordt een soort cirkelredenering toegepast. Wie voor de hogere module slaagt, hoeft de lagere niet meer opnieuw te doen. Zo slagen ze sneller. Maar ze komen dan wel met een gebrekkige kennis van het Frans op de arbeidsmark. En dat hoort niet zo te zijn.”

Het hoort niet zo te zijn. Dat is het overheersende gevoel dat ik zelf als lector ook had. Bij mijn belronde deze week kreeg ik ook opleidingscoördinatoren aan de lijn. Ze gaven me gelijk. Ook volgens hen hoort het niet zo te zijn. Maar een organisatie die in overlevingsmodus geduwd wordt, is gedwongen om als een boekhouder te denken, zei een van hen. “Instroom- en uitstroomcijfers, daar gaan we mee slapen en staan we mee op. Terwijl we zelf ook beseffen dat het vooral om de studenten zou moeten gaan. Jammer genoeg is dat nu niet altijd het geval.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234