Zondag 16/06/2019

Sport/Economie

Waarom Aziatische miljardairs onze clubs uit eerste klasse B opkopen

OH Leuven is overgekocht door Vichai Srivaddhanaprabha, een schatrijke Thai. Maar daar stopt het niet. Bijna alle voetbalclubs in eerste klasse B zijn in handen van buitenlandse investeerders. Zijn onze kleine profclubs financieel dan zo aantrekkelijk, of spelen er andere zaken?

Vichai Srivaddhanaprabha en zijn zoon Aiyawatt strijken neer in OH Leuven. De sterke man van de Thaise King Power Group is al eigenaar van Leicester City. Beeld Photo News

Uit een telefoongesprek met Roel Van Olmen, communicatieverantwoordelijke bij OH Leuven, de voetbalclub die sinds juni is overgenomen door de Thaise zakenfamilie Srivaddhanaprabha.

- "Hallo, met Lieven Desmet van De Morgen."
- "Goedemiddag meneer Desmet. Met Roel Van Olmen, medewerker van OH Leuven. Ik wil u even vertellen dat we uw e-mail met vragen over onze financiële cijfers goed hebben ontvangen."
- "Mooi zo. Wanneer mogen we uw antwoorden verwachten?"
- "Wel, daarvoor bel ik u even op. Eerlijk gezegd zijn het best indiscrete vragen die u stelt."
- "Hoe bedoelt u? We vragen alleen de normale financiële info."
- "We gaan bekijken op welke vragen we kunnen antwoorden. Ik zal dit nagaan en u op de hoogte houden."
- "Oké, dank u wel. Tot binnenkort." (haakt in)

Drie weken later heeft OH Leuven geen antwoorden gegeven op onze vragen naar financiële informatie over onder meer budget, omzet, schulden, sponsors, opbrengsten uit tv-gelden, aandeelhouders. Van de acht voetbalclubs in eerste klasse B, de voormalige tweede klasse, hebben alleen Cercle Brugge en Westerlo deels meegewerkt. 

Voetbalclubs en financiële transparantie: het gaat moeilijk samen, zo bleek gisteren al in deel 1 van deze reeks. Als er buitenlands geld mee gemoeid is, wordt het al helemaal lastig. Een van de clubs laat anoniem weten: we willen onze investeerders liever niet bruuskeren.

Exoten aan de macht

Een Thai, een Chinees, een Rus, een Duitser, een Zuid-Koreaan en een Egyptenaar. Dat zijn vandaag de eigenaars van respectievelijk OH Leuven, Roeselare, Cercle Brugge, Union, Tubeke en Lierse. Zes van de acht clubs in eerste klasse B dit seizoen zijn in handen van buitenlandse investeerders. OH Leuven pas recent, sinds dit voorjaar. Net zoals Cercle Brugge. Roeselare sinds vorige zomer. Union en Tubeke al een aantal jaar. Lierse intussen meer dan een decennium. 

Aangezien Westerlo nog op zoek is naar een nieuwe geldschieter, wordt Beerschot Wilrijk misschien wel de enige club in eerste klasse B met een Belg aan het hoofd. In de eerste klasse hebben 'exoten' intussen de leiding in Eupen, Kortrijk en Moeskroen.

Wat maakt onze kleine clubs zo begeerd? Niet hun boekhouding. Integendeel. Zeker voor de clubs in eerste klasse B zijn hun slechte financiën net de reden waarom ze op zoek gaan naar een mecenas. Want de clubs willen zelf misschien nauwelijks informatie delen, de openbare jaarrekeningen spreken voor zich. Bij de meeste van hen zit het financiële model goed scheef: tegenover lage inkomsten staan hoge uitgaven, doorgaans verbonden aan de hoge loonkosten om een sterk elftal te behouden. 

Trudo Dejonghe, sporteconoom aan de KU Leuven, waarschuwt al lang dat in bestuurskamers de punten in het klassement voorrang hebben op de cijfers in de boekhouding. “In de sport is winnen belangrijker dan economische rendabiliteit.”

De gevolgen zijn navenant. Heel wat clubs kampen met schulden en een negatief eigen vermogen. Wat in mensentaal betekent dat ze virtueel failliet zijn. Ze overleven bij gratie van hun schuldeisers. 

Voor OH Leuven dateert het laatst beschikbare jaarverslag van het jaar 2015. Daarin wordt een klein verlies opgetekend. De kans is groot dat de zakencijfers er sindsdien nog een stuk verder op achteruit zijn gegaan. Dat heeft de clubleiding al meermaals met zoveel woorden toegegeven.

The Hunger Games

Vanwaar komt die ellende? Het is een gegeven dat in de eerste klasse B veel minder inkomsten te rapen vallen dan in de hoogste klasse, waar de topteams elkaar treffen. Dat is de logica zelve. 

Maar het specifieke concept van de Belgische 'tweede klasse' speelt ook mee. In België wordt al jarenlang gezocht naar de perfecte competitieformule voor profvoetbal. Sinds vorig seizoen is daarbij de oude tweede klasse hervormd. Voor de kleine provincieclubs in de reeks was het financieel vaak onhaalbaar om te voldoen aan de eisen van het profvoetbal. Clubs als KFC Dessel en ASV Geel hebben geen nood aan een stadion voor duizenden supporters. De Pro League, de koepel van de profclubs, herzag daarom de formule in 2016. Enkel de beste acht teams (van zeventien voorheen) bleven over in de ‘eerste klasse B’. De kampioen promoveert.

Deze hervorming heeft van eerste klasse B 'The Hunger Games op noppen' gemaakt, om verschillende redenen. Eén: een aantal clubs hebben zich financieel geforceerd om zeker bij de beste acht te blijven en niet naar het amateurvoetbal af te zakken. Twee: in eerste klasse B vertoeven nu acht clubs die niets liever willen dan opnieuw promoveren naar het hoogste niveau. Waar er meer supporters en vips komen kijken. Waar de inkomsten uit tv-gelden veel hoger liggen. Waar ze allemaal vinden dat ze ‘thuis horen’. En die promotie moet er zo snel mogelijk komen, om financieel te kunnen overleven. Wat paradoxaal betekent dat er extra geld nodig is om een sterk elftal bij elkaar te brengen. 

Drie: terwijl in het buitenlands voetbal soms tot drie ploegen stijgen per seizoen, promoveert in eerste klasse B enkel de kampioen. Die kampioen wordt bepaald in twee wedstrijden tussen de beste ploegen van elke speelronde. In een toevalssport als voetbal maakt dat van de kampioen ook een uitverkorene, een gelukzak. Zo mocht vorig seizoen Antwerp, dat pas derde werd in de competitie, de promotie vieren na winst in het finaleduel tegen Roeselare. Lierse, dat meer punten had behaald dan beide 'periodekampioenen', zat in zak en as.

Degradatiespook

Ivo Belet, het CD&V-Europarlementslid gespecialiseerd in voetbalwetgeving, oordeelt streng: “We zijn onze eerste klasse B naar de knoppen aan het helpen. De clubs krijgen amper 10 procent van de tv-gelden en hebben te weinig kansen om te promoveren. Zo wordt zelfstandig overleven heel moeilijk. Maar niemand wil het zien. De ploegen in eerste klasse A hebben hun zin doorgedrukt om maar één daler te hebben. Dit verkleint voor hen de kans op degradatie. Maar eens het zover komt, is dat een drama. De nieuwe eerste klasse B is niet veel beter dan de oude. Nochtans blijft die afdeling wel het fundament van ons profvoetbal.”

OH Leuven bewijst hoe beangstigend het degradatiespook wel kan zijn. De club speelde twee seizoenen terug in de eerste klasse en liet haar oude staantribune vervangen door een nieuwe, grotere zittribune met vip-loges. De extra inkomsten van die tribune zou de opstap betekenen naar de Belgische middenmoot. Het omgekeerde gebeurde. De club degradeerde onverwacht op de laatste speeldag en had plots wel een fraai stadion, maar ook de helft minder toeschouwers. 

Als OH Leuven vorig seizoen niet meteen weer promoveerde, wat utopisch bleek, moest er iemand komen om de club competitief te houden. De Srivaddhanaprabha’s dus. Vader Vichai heeft een vermogen van 4 miljard euro. Voor OH Leuven betaalde hij naar verluidt zo'n 5 miljoen euro. Een groep Vlaamse investeerders met onder anderen Jean-Baptiste Claes van JBC wou tot 2,5 miljoen euro gaan.

Soepele wetgeving

Waarom zijn buitenlandse investeerders überhaupt aangetrokken tot piepkleine Belgische clubs? In andere, grotere voetballanden lijkt de tweede divisie toch een stuk interessanter? Een club als het Duitse FC Kaiserslautern kan tot 50.000 supporters lokken voor een wedstrijd in de tweede Bundesliga. Maar zoals gezegd: er vallen superkoopjes te doen in België. Het succes van de Rode Duivels heeft ons voetbal internationaal ook meer aanzien gegeven. En allicht de belangrijkste reden: de voetbalwetgeving is hier soepel. Ons land is de gemakkelijkste weg om in Europa te raken met buitenlandse spelers.

In België geldt dat elke club zes ‘homegrown’ spelers in de wedstrijdselectie moet hebben. Al valt dat met een korrel zout te nemen, aangezien niet-EU-spelers die voor hun 23ste drie opeenvolgende jaren in ons land hebben gespeeld, ook meetellen als ‘homegrown’. 

De niet-Europeanen voetballen hier bovendien voor een relatief laag loon. Vandaag bedraagt dit minimumloon zowat 80.000 euro per jaar. In Nederland ligt dit vijf keer hoger. Onze noorderburen gaan er namelijk van uit dat elke buitenlandse speler een meerwaarde moet betekenen, waardoor hij de helft meer moet verdienen dan de gemiddelde Nederlandse speler. 

En dan zijn er nog een reeks fiscale voordelen voor Belgische clubs, ook op het loon van jonge voetballers.

Doorgeefluik of satellietclub

Het gevolg is dat België kampioen is in het aantrekken van buitenlandse tieners. Vaak vanuit Afrika. Zoals gisteren in deel 1 al beschreven: een club die vijf talenten binnenhaalt en er later eentje kan doorverkopen naar een topcompetitie, maakt winst. 

Denk aan het Ivoriaanse SK Beveren van de Fransman Jean-Marc Guillou begin deze eeuw. De ploeg die ooit door een misnoegde journalist werd omgedoopt tot SK Amistad (naar het bekende slavenschip). Guillou slaagde erin om een aantal van zijn Ivorianen – Yaya Touré, Romaric, Gervinho en Eboué – tot bij clubs zoals Barcelona, Sevilla, AS Roma en Arsenal te brengen. Zelf werd hij daar beter van. Beveren zelf maar even. Daarna volgde financiële en sportieve miserie. Na het vertrek van Guillou moest Beveren fuseren met RS Waasland.

De buitenlandse miljoenen stromen niet zomaar binnen. Er staat iets tegenover. Voetbalclubs moeten vaak als uitstalraam dienen. Eersteklasser AS Eupen dient zo al een tijd als tussenstop voor Afrikaanse talenten opgeleid in een voetbalacademie in Qatar. 

Een andere mogelijkheid is dat clubs worden omgebouwd tot een satellietclub. Dat is ook de vrees van veel Leuvense supporters, onder wie lokale N-VA-topper Theo Francken. Vichai Srivaddhanaprabha leidt momenteel al het Engelse Leicester City, dat twee jaar terug miraculeus kampioen speelde in de Premier League. Ziet de Thaise zakenman OH Leuven als meer dan een transitzone voor talenten van Leicester? Over het Kanaal zijn de arbeidsvoorwaarden voor buitenlandse spelers bijzonder strikt. Ze moeten eigenlijk al international zijn vooraleer ze in de competitie mogen aantreden. Het is dan gemakkelijk om een satellietclub te hebben waar spelers eerst nog kunnen rijpen. 

De analyse van econoom Dejonghe: “Leicester City zal spelers kopen en die hier plaatsen in de hoop dat ze goed zijn of worden. Lukt het niet, dan kunnen ze die nog altijd doorverkopen.”

Politici op de tribune

Voor de duidelijkheid: het loopt niet per definitie scheef met buitenlandse investeerders. In Leuven is het sowieso afwachten. De Srivaddhanaprabha's hebben in Leicester een goede reputatie opgebouwd, onder meer door te investeren in het lokale kinderziekenhuis. 

Soms lijkt de kritiek ook selectief. Francken vindt de overname van OH Leuven een slechte zaak. Ondertussen is zijn partijgenoot Brecht Vermeulen wel bestuurslid van het ‘Chinese’ Roeselare. Pol Van Den Driessche, jarenlang woordvoerder van Cercle Brugge en lokale N-VA-kopman, zegt over de overname van zijn club door Dmitry Rybolovlev, de Rus achter Monaco: “Ofwel gaan we voor romantiek en blijft Cercletje altijd Cercletje. Ofwel krijgen we een financiële injectie en kunnen we weer schitteren.”

Vlaams sportminister Philippe Muyters (ook N-VA) bekijkt de voetbalwereld door dezelfde realpolitieke bril. “Voetbal is een economische sector zoals een andere. We willen ons niet moeien in overnames”, reageert hij via zijn woordvoerder. “Het is aan clubs om een geschikte overnemer te vinden, een die beseft dat de lokale verankering van de sport heel belangrijk is. Een team zomaar volproppen met buitenlandse spelers zal een club nooit goed doen op termijn.” Maar tussenbeide komen in de overnames wil hij niet.

Moet er dan niets veranderen? Muyters wil het minimumloon voor niet-Europese spelers “bekijken”. Maar alleen als het volledige pakket aan steunmaatregelen voor het voetbal onder de loep wordt genomen. En alle fiscale voordelen, dat is federale materie. “Het minimumloon opkrikken is niet heiligmakend”, klinkt het. "Sowieso moet je ook kijken wat de impact is op andere sporten, zoals het volleybal en basketbal. Anders dreig je onze clubs in die sporten zwaar te raken.”

Ivo Belet is het daar fundamenteel mee oneens. “We spelen met de toekomst van het Belgisch voetbal. De Pro League en de politiek zijn verantwoordelijk voor de problemen van de kleine clubs en de daaruit volgende uitverkoop van ons voetbal. De politiek heeft de instrumenten in handen om het gedrag van de clubs met welgerichte ingrepen te sturen, bijvoorbeeld via de minimumlonen. Niets houdt minister Muyters tegen om de minimumlonen voor jonge buitenlandse voetballers op te trekken. Maar dat gebeurt niet, omdat de enorme lobbymachine van de voetbalclubs die stappen al jaren tegenhoudt. 

"De clubs hebben er baat bij om de soepele wetgeving te behouden. En de politiek volgt. Veel politici zitten elke week op de tribunes. Daar is niets mis mee. Ik hou ook van voetbal. Maar je moet wel ingrijpen wanneer het fout loopt.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden