Dinsdag 21/01/2020

Waar onze moeder vroeger woonde

Moet het deze zomer altijd een roman van 300 pagina's zijn? Acht weken lang trakteert een schrijver uit Vlaanderen of Nederland u op een kort verhaal.

Voor de zusjes van Anir een hoofddoek gingen dragen, speelden ze bij mij thuis op de Super Nintendo. Ik had verschillende spelletjes: Mickey Mouse, Donkey Kong, Super Mario, maar die speelde ik niet graag met Fatiha en Laila omdat ik er zelf net iets beter in was; de zusjes zouden de boel ophouden, te snel in een ravijn stappen of zich meteen door een vuurbal laten raken. Daarom deden we steeds hetzelfde vechtspelletje, Super Street Fighter II - daar kon je nauwelijks goed of slecht in zijn. Het was een kwestie van knopjes rammen, de ander in een hoek van het scherm drijven, nog meer knopjes rammen. We hadden een systeem ontwikkeld waarbij we een van de twee controllers steeds doorgaven zodat we allemaal even vaak aan de beurt kwamen. Wanneer Fatiha of Laila tegen mij vocht, was er geen probleem, maar moesten ze tegen elkaar, dan ontstond er steevast discussie. Super Street Fighter II kent maar twee vrouwelijke personages: Cammy en Chun Li. Chun Li is Chinees. Cammy heeft lange, blonde vlechten. Cammy was bij beide zusjes favoriet.

'Ik mag Cammy zijn', zei Fatiha. 'Mijn haar is blonder, ik lijk het meest op haar.'

Dat was zo: Fatiha's haren waren net iets lichter dan de krullen van Laila. 'Niet!' riep die. 'Niet waar, toch, Sally?'

We wisten op dat moment nog geen van drie bij wie mijn loyaliteit lag of zou moeten liggen. 'Fatiha's haar is iets lichter', zei ik dus maar, 'maar blond is het niet. Misschien kunnen jullie Cammy omstebeurt zijn, dat Laila begint?' De meisjes knikten, einde discussie - ik geloof dat ik me destijds slechts vaag bewust was van het natuurlijk overwicht dat ik binnen de familie had. Ik maakte er min of meer instinctief gebruik van, zoals ik mijn eigen moeder ook haast gedachteloos manipuleerde door te zeggen dat zij immers geen tijd had voor een spelletje wanneer ik de hele middag Amerikaanse soaps wilde kijken.

Fatiha en Laila speelden graag bij mij thuis, maar ik was nog liever bij hen, in de flat. Op welk tijdstip we ook aankwamen, er was altijd zelfgebakken patat met curry en frikadel uit de diepvries. Soms speelden we Klikt het? maar meestal keken we televisie, videoclips of een van de banden die de familie bezat: The NeverEnding Story, Aladdin, Red Sonja. Rocky was favoriet. Keken we Rocky, dan werden we helemaal wild. Vooral Noura begon al tijdens de film woest om zich heen te trappen, één keer sprong ze met zo veel enthousiasme over de bank dat haar hiel in het oog van Kadija kwam: 'Shaitan, shaitan!'

Ze leken met z'n zevenen, de familie. Fatiha en Laila, de oudsten, scheelden slechts een jaar maar waren qua uiterlijk elkaars tegenpolen. Laila een beetje mollig, met volle lippen en grote ogen. Fatiha juist slank, op het magere af. Kadija en Hanine trokken vooral met elkaar op en het jongste zusje was Noura, een springerig, snel afgeleid kind dat tegenwoordig met ADHD zou worden gediagnosticeerd maar toen vooral veel tikken kreeg met de badslipper. En dan was er nog Anir, de enige jongen, een nakomertje. Toen ik voor het eerst bij de familie thuis kwam, was Anir nog maar een baby. Ik moet hem zijn eerste stapjes hebben zien zetten, zijn eerste woordjes hebben horen zeggen, maar dat weet ik niet meer. Ik weet alleen nog dat ik Anir als baby vasthield en ik herinner me een koppige peuter van bijna drie - daar tussenin zit niks, misschien omdat Anir niet interessant voor me was, althans niet vóór wat er gebeurde in de zomer van 1994.

De moeder van de familie heette Rachida, een krachtige vrouw voor wie ik met terugwerkende kracht steeds meer bewondering heb gekregen. Rachida kon niet lezen, dus kwam er een brief van de gemeente, bank of woningbouwvereniging, dan lazen wij die voor, en als ook wij de brief niet begrepen, gaf ik hem 's avonds aan mijn moeder en belde zij Rachida, die vervolgens deed wat haar volgens de brief te doen stond. Ze bracht haar kinderen standvastig groot, ik heb nog nooit een vlek op iemands kleding gezien, Rachida voedde en waste en troostte ons allemaal: haar dochters, haar zoon, en mij, haar koekoeksjong. 'Waar onze moeder vroeger woonde, hadden ze geen shampoo of tandpasta', vertelden de zusjes steeds weer, 'onze moeder poetste haar tanden met haar vingers en kijk hoe mooi haar tanden nog steeds zijn!' Ja, haar dochters waren gek op haar, zelfs wanneer ze net een badslipper naar hun hoofd hadden gekregen.

Hun vader ontmoette ik vrij laat pas, ik denk dat ik toen al een jaar bij de familie kwam. Zelf had ik geen vader en misschien had ik daarom nooit gemerkt dat er iemand ontbrak. Op een dag zat Karim op een van de plastic tuinstoelen aan de keukentafel. 'Onze vader is terug uit het ziekenhuis', riep Fatiha zodra ik binnenkwam. Karim lachte naar me. Hij gaf me een hand en ik keek naar zijn vingers, de huid van zijn vingertoppen geel van de shag.

'Hé Sally!' zei Karim.

De maanden daarna zat hij daar iedere dag. 'Hé Sally', zei hij zodra hij mij zag, en dan lachte hij steeds dezelfde brede lach. Het was duidelijk aardig bedoeld maar ik vond Karims aanwezigheid onprettig. Onze langste conversatie hadden we op een grijze woensdagmiddag waarop de zusjes en ik Red Sonja keken in de woonkamer. Ik kwam de keuken binnen voor een beker chocomelk en liep naar de koelkast. Karim zat zoals altijd aan tafel, maar dit keer zei hij geen 'Hé Sally', dit keer keek hij fronsend naar buiten. Ik volgde zijn blik. De mensen in de galerijflat aan de overkant hadden zoals altijd hun luxaflex dichtgedraaid. Vlug nam ik het pak Chocomel uit de koelkast. 'Sally', zei Karim plots, zijn gezicht nog altijd naar het raam: 'Sally, zie jij dat?'

'Wat?' vroeg ik. 'Wat moet ik zien?' Karim antwoordde niet. 'Wat dan?' mompelde ik nogmaals, maar Karim bleef zwijgend uit het raam staren en ik liep vlug naar de huiskamer om Red Sonja te zien zwaardvechten.

De volgende dag hoorde ik dat Karim de straat opgegaan was. Hij had geschreeuwd tegen de buurman, vertelden Laila en Fatiha opgewonden, dus was hij weer naar het ziekenhuis gebracht. De maanden daarop kwam Karim niet thuis. Niemand praatte over hem en ik stelde geen vragen, omdat ik geen vragen had.

De zomer van 1994 was de zomer waarin Anir drie jaar zou worden. De buren van de familie stouwden hun Volkswagen-busjes vol tassen en koffers en vertrokken voor een lange autorit naar het zuiden. De familie zelf bleef thuis en daar was ik blij om, zelf zou ik die vakantie alleen een week met mijn moeder naar Zweden gaan. Aanvankelijk deden de zusjes en ik wat we elke zomer deden: als de zon scheen gingen we naar het buitenbad, als het regende keken we The NeverEnding Story, zo vaak mogelijk achter elkaar.

Die dag scheen de zon. Ik wilde Laila en Fatiha vragen of ze naar buiten kwamen en belde niet aan - dat deed ik nooit, je had toen nog geen sleutel voor de benedendeur nodig en de voordeur stond meestal open. Ook vandaag liep ik zo naar binnen, maar vandaag was alles anders. Het was bloedheet maar de hele familie zat binnen, met z'n allen op en om de bank. Op het grootste kussen zat Karim, Anir op schoot. 'Hé Sally!' zei hij zodra hij me zag.

'Hé', zei ik zacht.

Ik keek eerst naar Fatiha en toen die mijn blik niet beantwoordde naar Laila, die naast Kadija en Noura op de grond zat. 'Ga je mee zwemmen?' - ik voelde me opeens bekeken.

Nee, schudde Laila: 'Onze vader is thuisgekomen, we gaan zo naar oma.'

'Ga mee!' riep Fatiha: 'Mama, mag Sally mee?'

Rachida knikte: 'Als het van haar moeder mag.'

'Nu moet je wel mee', zei Fatiha, 'je bent uitgenodigd, nu is het onbeleefd als je niet komt.'

'Tsss', klonk het vanaf Laila's kant van de grond: 'Dat moet Sally zelf beslissen, hoor. Misschien heeft ze andere dingen te doen.'

Ik wilde naar het buitenbad. Maar de zusjes waren mijn vriendinnen en ze hoopten allebei dat ik mee zou gaan, al hanteerden ze elk zo hun eigen overredingstechnieken. Door in te stemmen hield ik ze allebei tevreden. Daarbij zal ik vereerd geweest zijn dat mijn rol deze middag tot punt van discussie was gemaakt.

'O, ik wil wel mee hoor.'

Het was warm en druk in tram 9. We moesten allemaal iemand op schoot nemen en Noura riep tegen vreemde vrouwen dat ze flauwviel.

Oma had couscous gemaakt. Er stond een grote schaal op de salontafel, toen we aankwamen zaten de neven en tantes al op de bank. Alle ramen stonden open maar er zat iets in de oven, de walm deed de temperatuur alleen maar oplopen. 'Neem', zei oma: 'neem, eet', en de neven graaiden vlug de kippenvleugels van de schaal. 'Sally, waarom eet je niet?' vroeg Laila.

Ik wou dat we gewoon naar het zwembad gegaan waren en de Tina doorbladerden.

Voor mijn gevoel zaten we uren op de grond rond de salontafel. Noura was in een andere kamer gezet, Anir zat op schoot bij zijn vader. Zijn ogen vielen steeds opnieuw dicht en dat verontrustte me. Zou het kind in slaap vallen, dan zouden we helemaal nooit meer weggaan, dacht ik. Anir zou als een kleine prins in bed worden gelegd en wij zouden hier eeuwig zitten, in de hitte, luisterend naar gesprekken over vreemde buurvrouwen en nichten.

'Zullen we naar buiten?'

Ik richtte me bewust tot Fatiha en articuleerde duidelijk.

'Waarom?', vroeg Fatiha.

'Tóz!' hapte Laila: 'Omdat het hier vet heet is. Mamma, mogen we naar buiten?'

Zodra Rachida knikte, stonden Laila en ik op, ook Fatiha begon haar schoenen aan te trekken. Toen deed Rachida iets wat ik niet had voorzien.

'Ga ook', zei ze en ze keek naar Karim: 'Neem Anir mee.'

'Anir is moe.'

'Daarom. Het is te warm hier, dat is niet goed.'

Karim droeg Anir achter me de trap af. Bij elke trede hoorde ik zijn hortende rokersadem raspen en dacht ik aan de dingen die we hadden kúnnen doen, straks: Karate Kid, doen-durf-of-waarheid, Captain Planet - het zou allemaal niet gaan zolang Karim erbij was.

Buiten stonden Laila, Fatiha, Karim, de kleine Anir en ik wat onwennig in een kring. Een briesje maakte de hitte iets draaglijker, Laila en ik hielden onze armen op, alsof we de wind onze vochtige oksels droog wilden laten blazen. 'En nu?' vroeg Fatiha: 'Waar gaan we heen?'

Daar had ik niet over nagedacht. In onze eigen buurt zouden we naar de voetbalkooi zijn gelopen om te kijken of Mitchell zijn knikkers of stickerboek bij zich had, maar wat moesten we in deze vreemde straat? 'We kunnen een wandelingetje maken', zei ik, en ik dacht aan hoe ik op tweede paasdag met mijn moeder en oma door het park gesjokt had - ik had de hele middag geklaagd maar nu leek het ritueel plots gepast.

De stoep was smal. De zusjes liepen kibbelend voorop, ik slenterde achter hen, Karim en Anir besloten de gelegenheidsprocessie. Waren die twee er maar niet bij, dacht ik alweer. Zonder Karim en Anir konden we nu over die gekke tantes praten, of karatetrappen of misschien zelfs ontsnappen; ik had mijn strippenkaart in mijn zak zitten, zou Laila weten welke tram we moesten nemen?

Ik was een akelig kind.

Een ongeduldig schepsel dat alleen om zichzelf gaf. Dat heb ik mezelf vaak gezegd wanneer ik aan die middag terugdacht. O, wanneer ik als de volwassene die ik nu ben bij oma in de kamer had gezeten, dan had ik het kind dat ik was bij de arm gepakt en door elkaar gerammeld zoals Rachida Noura zo vaak door elkaar rammelde. Het kind zou schrikken maar had zich daarna tenminste gedragen, of in ieder geval niet gedaan wat ik gedaan heb.

We waren bijna aan het einde van de straat toen ik een gilletje hoorde. Anir had zijn hand uit die van zijn vader getrokken en kwam nu op ons af gehobbeld. Zijn zussen merkten zijn ontsnapping niet op. Ze waren nog altijd ergens over in discussie en zagen niet hoe hun broertje in peuterdraf op hen afkwam, zijn wangen rood, trillende krulletjes om zijn voorhoofd. Anir was nu vlak bij me, maar zijn blik bleef strak op zijn zussen gericht. Ik stak mijn been uit - een elegante sliding.

Anir viel plat op zijn gezicht.

Zijn vader slaakte een harde, angstige kreet die ik nog steeds wel eens hoor wanneer ik te lang naar een stel stoeptegels staar. De zusjes keken om, Karim rende naar zijn zoon, Anir lag nog altijd met zijn gezicht naar de grond en huilde niet.

Karim trok hem overeind en begon hem door elkaar te schudden, riep dingen in een taal die de familie maar zelden sprak wanneer ik erbij was. 'Doe rustig!' riep Laila: 'Je doet hem pijn, papa!' Anirs gezicht zat onder het bloed, zagen we nu. Hij had een wond op zijn voorhoofd en er drupte wat roodgekleurd speeksel uit zijn mond.

'Wat heb je gedaan?' riep Rachida toen Karim hun zoon de woonkamer van oma binnendroeg. De kleine Anir huilde inmiddels, brulde het uit zelfs, zijn tantes rukten hem meteen uit Karims handen.

'Wat heb jij gedaan?' riep Rachida nogmaals.

Ik stond achter Karim, tussen Laila en Fatiha in. Ik zag alleen zijn lichtgekromde rug en de achterkant van zijn hoofd, dat woest op en neer ging: 'Nee', zei Karim: 'Nee, nee, Sally deed het.'

Daarna gingen de dingen snel. Rachida schreeuwde in de vreemde taal naar Karim en ook Karim zei wat dingen die ik niet verstaan kon en toen richtte Rachida zich tot haar dochters; nog meer woorden die ik niet begreep, ik hoorde alleen mijn naam steeds: Sally, Sally.

'Ik weet het niet', zei Fatiha: 'We konden het niet goed zien.'

Ik probeerde zo verwonderd mogelijk te kijken, mijn wenkbrauwen licht opgetrokken.

'Tóz', klonk het verlossend. Laila spuugde de klank uit of het een beschimmeld besje was: 'Toz, natuurlijk heeft Sally dat niet gedaan. Papa doet gewoon weer raar, papa doet de hele tijd raar!'

Even keek Rachida haar echtgenoot aan. Toen draaide ze zich om naar Anir, die inmiddels in de armen van zijn oma lag, zijn gezicht bedolven onder de kussen van zijn tantes.

In de tram terug speelden we doen-durf-of-waarheid en thuis zei ik mijn moeder dat ik geen aardappels hoefde omdat ik al gegeten had.

Daarna bleef ik een tijdje weg bij de familie, maar na een paar dagen belde Laila om te vragen waar ik was en of ik naar Anirs verjaardag kwam.

Voor ik die middag de woonkamer binnenging, gluurde ik de keuken in. Het rook naar mayonaise en zonnebloemolie. Rachida stond met haar rug naar de deur, aan de keukentafel zat een tante, de andere stoelen waren leeg - geen Karim. De zusjes keken binnen naar een tekenfilm, Anir zat op de bank en droeg een papieren verjaardagskroon. Het paarse karton bedekte maar een klein stukje van de donkerbruine, ribbelige korst op zijn voorhoofd. Ik zag dat de onderkant van Anirs linkervoortand ontbrak en vroeg me af wat me in godsnaam bezield had, die middag dat ik mijn been uitstak. Nu nog denk ik dat ik geen slechte intenties had, dat ik kortstondig bedwelmd was door de hitte of door de onnozele gedachteloosheid die verveling genereert - ik dacht hooguit aan Chun-Li, misschien. En terwijl ik daar stond, in de deuropening op Anirs verjaardag, overwoog ik even om me om te draaien. De gang uit te sluipen, de keuken langs - dag tuinstoelen, dag patatlucht - voor altijd het huis uit. Toen duwde Rachida me een bord in handen: 'Neem, neem, eet!'

Karim heb ik nooit meer gezien. Ik ging ervan uit dat hij weer naar het ziekenhuis was en bleef die gekromde rug voor me zien, de blik die Rachida haar man had toegeworpen. Een twijfelende blik, meende ik: had haar man dit echt gedaan?

Nog wekenlang was ik bang dat de kleine Anir op een dag alsnog huilend naar mij zou wijzen - Sally, Sally! - maar dat gebeurde niet. Alleen Fatiha leek iets terughoudender, zij het misschien omdat ik me ook nog zelden tot haar richtte wanneer we met z'n allen waren. Na de zomer van 1994 zou ik vooral nog met Laila omgaan. We zouden als hartsvriendinnen bekend komen te staan en kochten nepgouden vriendschapskettinkjes die we droegen op onze eerste dag op het vwo samen: pas toen we in het derde jaar een radicaal ander vakkenpakket kozen, groeiden we uit elkaar.

Aan Karim dacht ik steeds minder, ook omdat Laila nooit over hem sprak. En toen ik Laila ook niet meer zag, dacht ik überhaupt nog zelden aan de familie, tot ik, student inmiddels, op een avond bij mijn moeder at.

'Ik zag Rachida laatst', zei mijn moeder bij het opscheppen van de krieltjes. 'Ik kwam haar tegen voor de supermarkt. Ze was met Karim, ik denk dat hij weer thuis woont.'

'Waarom zucht je zo?' vroeg ik zonder op te kijken.

'Ik weet het niet', zei mijn moeder: 'Het lijkt me zo zwaar voor Rachida.'

Ik knikte wat en begon vlug over een studievak, een doodsaai verhaal over een mislukte inschrijving waar mijn moeder desalniettemin geïnteresseerd op inging.

Later die avond, in bed op mijn studentenkamer, luisterend naar de bastonen uit de ruimte boven me, dacht ik aan wat mijn moeder gezegd had. Het leek haar zwaar. Voor Rachida. Rachida die alles kon, die zes kinderen en een koekoeksjong had grootgebracht. Voor het eerst in jaren zag ik voor me hoe Rachida naar haar echtgenoot gekeken had toen hij met hun bloedende zoon voor haar stond. O ja, ze twijfelde. Maar waarover eigenlijk?

Rachida kende haar man, ze kende zijn ziekte, ze moest hebben geweten waar hij wel of niet toe in staat was. Die middag had ze Karim met de kinderen naar buiten gestuurd - om vrijelijk over hem te kunnen praten? Toen we terugkwamen, kreeg ze opeens een keuze in de schoot geworpen: wie wilde ze houden, wie mocht er blijven - haar man, of het koekoeksjong?

Rachida had gekozen voor degene die de minste zorg nodig had, begreep ik nu pas. Degene die met een diepvriesfrikadel en een bord patat toe kon.

'Waar zij vroeger woonde, hadden ze geen shampoo of tandpasta, onze moeder poetste haar tanden met haar vingers en kijk hoe mooi haar tanden nog steeds zijn!'

Soms, wanneer ik door mijn oude buurt fiets, hoor ik het de zusjes roepen. En dan zie ik Rachida voor me, jong en mooi nog, haar haren in een lange, hennarode staart. Het meisje loopt een stenen huis door, in elke kamer zit een kind, een broertje of zusje dat met haar spelen wil: 'Rachida! Rachida!' - Rachida lacht maar reageert niet, Rachida wil niet spelen, ze loopt naar de badkamer. Daar gaat ze voor de spiegel staan, trekt haar lippen op en bekijkt haar gebit. Ze heeft al haar tanden nog, ze zijn ook allemaal schoon, nergens gele plekjes of ook maar één zwart vlekje. Rachida zet de top van haar wijsvinger op haar voortand. En wrijft dan, hard.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234