Maandag 16/12/2019

'Waar hoor ik in godsnaam bij?'

'Bakermat' Brussel en een nieuwe roman: Jeroen Brouwers blikt terug en vooruit

door Eric Rinckhout

Gwennie Debergh (red.)

VUBPress/Demian, Brussel/antwerpen, 190 p., 695 frank.

Brussel is de bakermat van Jeroen Brouwers' oeuvre. Brussel als stenen labyrint, als stad van vele verminkte talen, als stad van leven, liefde en dood. Het was ook in Brussel dat de jonge Brouwers in 1964 in dienst trad van uitgeverij Manteau en er in hetzelfde jaar ook debuteerde, met zijn verhalenbundel Het mes op de keel. Naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag verschijnt Brouwers in Brussel, waarin voor het eerst alle stukken van de Brusselse puzzel in elkaar worden gepast. Jeroen Brouwers legt momenteel ook de laatste hand aan de roman Geheime kamers. 'Ik dacht: de oude componist schrijft nog even zijn gerijpte symfonie.'

We praten met elkaar op het terras van Brouwers' huis, diep in de Limburgse bossen, waar hij zich jaren geleden heeft teruggetrokken. Op weg naar zijn landgoed is hij mij voorgereden over almaar smaller wordende weggetjes ("Veel te moeilijk om je uit te leggen waar ik precies woon"), minzaam wuivend naar het op de akkers zwoegende landvolk. "Ik zit ver van alles vandaan en toch op de grens. Als ik mijn benen uitstrek, zit ik in Maastricht. Een geruststellend gedachte" (lacht hartelijk).

"Dat boek over mijn Brusselse periode is een origineel idee. Als een schrijver zestig wordt dan krijgt hij een borstbeeld (holle lach) of een liber amicorum. Dan is dit mij liever. Omdat die hele periode mij lief is gebleven. Het was een goede, vruchtbare, inspirerende tijd."

Brouwers verbleef twaalf jaar in Brussel, tussen 1964 en 1976 - zijn eerste Vlaamse periode. "Toen ik uit Brussel wegtrok - eerst heb ik in Vossem gewoond, later in Rijmenam -, kwam ik er toch nog elke dag. Dat Brussel hing gewoon om mij heen." Brouwers in Brussel 1964-1976 bevat een lang interview van Gwennie Debergh met de auteur, waarin zijn Brusselse jaren nauwgezet gereconstrueerd worden, en een diepgravend essay van Bart Vervaeck over Brussel in Brouwers' toenmalige werk. Voorts bevat het een schat aan nooit eerder gepubliceerde foto's en een selectie van artikelen uit Humo, De Vlaamse Elsevier en De Nieuwe Gazet. "Dat waren schnabbels om mijn inkomen wat bij te spijkeren, over de inbeslagname van Geeraerts' Gangreen, de opening van de winkel van Herman J. Claeys... Ik zelf heb nooit wat uit die periode bijgehouden. Het is aardig om dat terug te zien, maar het heeft geen literaire kwaliteit. Eendagsvliegen, leuke curiosa, meer is het niet."

Voor het eerst wordt die Brusselse periode beschouwd als de motor van uw carrière.

"Hier en daar is er weleens wat over verschenen, maar nu wordt alles samengebracht. Brussel was een toeval, maar tegelijk bleek het een stempel te zijn op mijn literaire werk. Almaar komen Brussel en Vlaanderen, in tal van varianten, in mijn werk terug. Zo is Brussel een bakermat of een inspiratieput geworden."

Toen u in 1964 in Brussel verzeilde, voelde u daar toen iets wat u nog in geen enkele andere stad had gevoeld?

"Ik was een provinciejongen. Ik heb wel anderhalf jaar in de journalistiek in Amsterdam gezeten, maar daar ben ik totaal mislukt. Amsterdam is als stad toch niet te vergelijken met Brussel. Het heeft wat kneuterigs, nog steeds, ik houd niet van die stad. Terwijl Brussel iets weids had, werkelijk iets van een metropool. Nog een stap verder en je zat in Parijs. Ik voelde meteen affiniteiten met die stad, hoewel het een bizarre stad was."

Een stad waar u in uw werk erg dubbelzinnig tegenover staat.

"Ja, nou ja. Je kunt dat vergelijken met een huwelijk dat al een jaar of twaalf duurt. Dat bestaat ook niet uitsluitend uit rozengeur en maneschijn. Daar heb je ook weleens keet, perioden van haat en 'Mens sodemieter toch op'. Als Brussel een vrouw is, dan..." Hij pauzeert even. "Al die gevoelens samen heb ik in die stad het hevigst beleefd. Ik was toen natuurlijk nog erg jong, 23, 24, ik had nooit iets meegemaakt. Naarmate je langer in een stad woont, doet dat zich alles aan je voor: een huwelijk, dat verslenst op zeker moment, een nieuwe verliefdheid. Dat maak je allemaal mee in datzelfde decor. Als ik na al die jaren in Brussel terugkom, is het of ik op iedere straathoek een herinnering heb liggen.

"Jaren geleden vond men dat ik in de protestmars tegen het fascisme moest meelopen (maart 1992, ER). Goed, ik doe dat. Toen was ik in geen vijftien jaar meer in Brussel geweest. Ik woonde in Holland. En ik was er te voet, zo heb ik Brussel ook leren kennen. Ik zag de veranderingen die zich voltrokken hadden. Net zoals mensen ouder worden, had de stad rimpels gekregen.

"Er is ontzettend veel verpest. De oude wijk rond het Luxemburgstationnetje was ooit een schilderachtige, warme volksbuurt. Ik woonde daar. Nu hebben ze er gigantische glazen kathedralen gebouwd voor de Europese Unie. Het is niet verschrikkelijk dat zo'n stad vernieuwt - zo conservatief ben ik nou ook weer niet, mensen veranderen ook - maar dat het zo lelijk gebeurt, zo zonder smaak, zo zonder inzicht in de rest van de architectuur van die stad.

"Dat was in mijn tijd al begonnen, dat Brussel tegen de vlakte ging. De hoerenbuurt aan het Noordstation. Brussel is verlelijkt, maar ik kom er nog altijd graag. Er opnieuw gaan wonen? Nee, je moet niet teruggaan naar je dierbare plekjes van vroeger."

Is Brussel de stad waar u met literatuur in aanraking bent gekomen? Met Angèle Manteau, de uitgeverij en alles wat daaromheen hing.

"Ja (aarzelt), ja, dat wil zeggen... Ik las me al van mijn zestiende gek, ik kende de Nederlandse literatuur. Niet de Vlaamse, díe heb ik pas in mijn Brusselse jaren leren kennen. Ik kom uit een aliterair milieu, mijn ouders lazen niet. Op school wilde ik niet deugen, wat er onderwezen werd interesseerde me geen pest. Ik wilde alleen maar lezen - dit puberleed speelt zich af in Delft. Maar waar moet je je boeken halen als er thuis geen zijn? De bibliotheek! Maar daar kwam ik niet in aanmerking voor de volwassen boeken. Dus ik liet mijn moeder een bibliotheekkaart nemen en ik ging op haar kaart boeken halen. Om het absurd te stellen: ik begon bij de A van Aafjes en las alles door elkaar heen tot en met de Z van Aya Zikken. Ik mocht mij wel vrij belezen noemen in de Nederlandse, voor-Mulische literatuur.

"Angèle Manteau was gehuwd met François Closset, hoogleraar Nederlandse literatuur in Luik, en die had een gigantische bibliotheek, voornamelijk bellettrie. Dus las ik dat ook allemaal, te beginnen bij Conscience. En al die oude kanonnen leefden toen nog, die kwamen op kantoor. Manteau was een zeer bloeiend bedrijf, toen de meest vooraanstaande vrijzinnige literaire uitgeverij van Vlaanderen. Met het beste fonds, alle groten zaten daar - ik heb Teirlinck nog een hand gegeven. Tegelijk was het fonds zich aan het moderniseren. De jongste generatie toen was Ruyslinck, Vandeloo, Snoek, Schouwenaars. Later kwam Geeraerts daarbij, de hele avant-garde rond Jan Walravens. Raymond Brulez en Marnix Gijsen publiceerden niet bij Manteau, maar die kwamen daar ook.

"Dat is van zeer grote invloed op mij geweest. Ja, waarom lees je zoveel en waarom kom je door het lot bij een literaire uitgever terecht? Omdat ik zelf als ideaal koesterde schrijver te worden. En ik begon zèlf te schrijven, díe invloed heeft het gehad. Aanvankelijk als een kleuter, zonder enig inzicht of enige kennis, ik schreef maar wat. Aan mijn debuutboekje is dat nog altijd af te lezen. Dat is knudde, bagger, wat literatuur betreft. Doordat ik te maken had met schrijvers kon je daarover praten. Teirlinck was toen over de tachtig en hij had, in 1964, mijn debuutje gelezen, Het mes op de keel. Ik wil daar niet over opscheppen, ik heb die man drie minuten ontmoet, maar hij zei tegen mij: 'Daar zit iets in dat goed is. Gij moet veel oefenen, mijn vriend.' De woorden van de god Teirlinck tegen mij, snotneus. Mij dunkt dat dat een stimulans is. En doordat ik bleef wroeten en modderen heb ik uiteindelijk gevonden wat ik zocht: een vorm. Van die vorm ben ik eigenlijk zelden nog afgestapt, een mengeling van essay, verhaal, betoog en geschiedenis."

In zijn essay schrijft Bart Vervaeck dat Brussel op diverse manieren op uw werk van invloed is geweest: als stenen labyrint maar ook als talenlaboratorium.

"Dat is tot op de huidige dag zo gebleven. Mijn jongste bijdrage aan De Morgen (DMB 20-10-1999, ER) ging over mijn herinneringen aan Marnix Gijsen, vlak bij het Luxemburgstationnetje. Na al die jaren ben ik terug in Brussel en heb ik het weer over mijn Manteau-jaren. Brussel is altijd blijven terugkeren, in verhalen en essays. De mars tegen het fascisme, waar ik het net over had, heb ik weggezet in een boekje over Jozef Deleu, toen die zestig werd, De rode telefoon. Opnieuw was ik in Brussel, schrijvende hoe wij, in onze Dolle Mol-jaren (een Brussels café waar de kring rond de anarchistische schrijver Herman J. Claeys samenkwam, ER), dachten over fascisme en wat wij zouden gaan doen - (zuchtend) waar niets uit te voorschijn gekomen is.

"Maar ik dacht dat Groetjes uit Brussel een luchtig boek was. Toen ik het prachtige essay van Bart Vervaeck las, dacht ik dat ik het met olifantevet had geschreven. Zo zwaar, zo somber, God nog aan toe, dat gaat maar over dood , depressie en verdwalen" (schokt van het lachen).

Zijn die anarchistische jaren voor u iets verzonkens, iets dat u achter zich hebt gelaten?

"Nee. Zoals de literatuur mij heeft beïnvloed, heeft die ultralinkse kijk mij ook zeer beïnvloed. Ik ben altijd zo blijven denken, ik ben geen brave jongen geworden. Die grote inspiratie was toen natuurlijk nieuw, intussen zijn daar goddomme vele jaren overheen gegaan. Je wordt bedaagder en bezadigder, maar niet milder. Ik ben ook zo blijven handelen, compromisloos. Je wordt wat bitterder en pessimistischer maar dat is niet erg: na ons komt er een nieuwe golf jeugd aan wie je dat kunt doorgeven.

"Maar zo'n baldadige, onbezonnen anarchist als Claeys zie ik nu niet, zo'n monument als Boon evenmin. Met alle respect, een nieuwe stroming of nieuwe gedachten zie ik niet. Ik wil niet pretenderen dat ik alles nog lees, daar heb ik het geduld niet meer voor, maar ik volg het wel. Lanoye vind ik bijvoorbeeld een zeer moedige man, die probeert het tenminste. Ik bedoel buiten de literatuur, met zijn politiek engagement. Hij is de enige die dat doet. Ik bewonder hem daarvoor."

En Lanoye als romancier?

"Er zitten sterke passages in zijn romans - ach, ik wil hem niet zitten afkatten. Als je 12.000 romans hebt gelezen, dan weet je het wel. Kijk in mijn kast, de bellettrie houdt vijftien jaar geleden op. Ik lees het nog wel als het op mijn pad komt. Zo zag ik Tongkat van Peter Verhelst bij iemand thuis liggen, bladerde er even in en was meteen weg. Een prachtig boek. Een nieuwe vorm, een nieuw geluid. Dat intrigeerde mij zeer. Maar dat is een zeldzaam geworden ervaring. Literatuur is een glas, je drinkt dat leeg en op een gegeven moment zet je dat leeg weer op tafel. Ik heb alles genoten.

"Ik lees nu vooral essays en biografieën en, ik schaam mij daar niet voor, een waaier van kranten en tijdschriften, uit Vlaanderen en Nederland. Zeer aandachtig. Soms zelfs 't Pallieterke. Je moet op de hoogte blijven van wat de vijand doet."

Put u daaruit voor uw literaire werk?

"Nee, nee. De stof voor een roman komt bij mij heel ergens anders vandaan. Waaruit dan wel, dat weet ik niet. Ook niet uit andere romans, dat is nooit zo geweest."

In de bundeling staat een aanklacht van de jonge Brouwers tegen de inbeslagname van Gangreen van Geeraerts (1969). Kunt u zich nu nog zo druk maken over de Brusselmans-affaire?

"Ik hèb stelling genomen, ik stond aan de kant van Brusselmans. Ik zou nu nog zo'n vlammend betoog schrijven, maar ik heb nu even geen tijd. Ik zit al járen een roman te schrijven (Geheime Kamers, hij verschijnt uiterlijk tegen de Boekenbeurs, ER) en ik ben een jaar uit de running geweest vanwege ziekenhuisgedoe. Het komt dikwijls voor dat ik op zaken wil reageren, maar dat terzijde laat want-die-roman-moet-af. Anders had ik best het mijne willen zeggen over die zaak. Ik ben loyaal met de schrijver, met het gedachtengoed, dat altijd vrij moet blijven. Helemaal afgezien van de kwaliteit van de persoon Brusselmans en zijn boek zou ik mij hebben druk gemaakt over censuur. Dat màg niet. Kunst is het enige domein nog waar de opperste vrijheid heerst, daar mag je de klauw van de politie niet op laten slaan."

Is zestig een mijlpaal zoals veertig? Moet daarom de roman nu af?

"Ik ben daarmee bezig zolang ik in dit huis woon. Het is dan ook een dik boek aan het worden. Eigenlijk wou ik helemaal geen roman meer schrijven, maar ik dacht, de oude componist schrijft nog even zijn gerijpte symfonie. Ik heb ook van meet af aan geweten: 'Dat wordt een roman.' Het idee, het gegeven, bedoel ik. Iets dat zich heeft voorgedaan in mijn leven. Dat zit ergens vast. Je begint te piekeren. Maar ik ben nogal traag van conceptie en componeren. Gek genoeg schrijf ik een stuk voor de krant fluitend in één week. Maar een roman is anders. Bij een essay weet je waar je het over moet hebben en waar je wil uitkomen. Maar bij een roman weet je 's morgens bij het opstaan niet wat je 's avonds geschreven zult hebben.

"En als je dan 's avonds bekijkt wat je geschreven hebt, dan kun je je afvragen, waarom staat dat daar in godsnaam, wat heeft het ermee te maken? Dat is een zijpad, wat moet ik daarmee? Ik pleeg dat altijd te laten staan. Het zal wel blijken wat het ermee te maken heeft. En als het uiteindelijk niets met de roman te maken heeft, kun je het er alsnog uitgooien, maar doorgaans hééft het er iets mee te maken, terwijl jij nog niet weet wàt. Dat blijkt pas honderd bladzijden verder.

"Het is een zoektocht, een frustratie, in die zin dat je niet opschiet. Ik schrijf een half schriftblaadje per dag, dat is mijn oogst. Altijd maar priegelen over het juiste woord, de zin die welluidend moet zijn en moet klinken en betekenis hebben. Die zin moet aanhaken aan die vorige zin die dezelfde klankbetekenis heeft, enzovoort (zucht diep).

"Een goede schrijver gooit ook nooit wat weg. Elke snipper kan een zin, een beeld of zelfs maar een woord bevatten dat later van betekenis kan zijn. Maar ik zou wel willen dat als ik sterf de lade waarin ik alles bewaar door middel van een staaf dynamiet de lucht ingaat.

"Ik moet nu nog een bladzijde of vijftig, zestig. Misschien tachtig. Het eind van de tunnel is in zicht. Ik hoef niet meer te piekeren of er veel op zijn plaats gezet moet worden of een betekenis moet krijgen."

Over Geheime Kamers hebt u ooit gezegd dat die een andere vorm moest krijgen. Een 'lichtere' vorm.

"Daar blijk ik in geslaagd te zijn. Mensen die het boek, voor zover het er ligt, hebben gelezen, zeggen meteen: 'Wat een ongelooflijk treurig boek' (hikkende lach). En ten tweede: 'Wat heb ik toch vaak moeten lachen.' Toen dacht ik, ik zit op de goede weg. Ik wou eens een drama schrijven en het is er ook een, maar op zo'n luchtige toon dat je soms in schateren uitbarst omdat het tè verschrikkelijk is (lacht weer). Het is dus een Brouwers zoals er al meer Brouwersen geschreven zijn, maar de toon is anders.

"En ook de compositie is toch niet meer dat roggebroodachtige, dat compacte, dat doorgecomponeerde. De zondvloed is acht verhalen door elkaar, nu heb ik dat teruggebracht tot een verhaal of drieëneenhalf. En voor het eerst durf ik nu al eens een los draadje te laten liggen. Omdat je zelf, romans lezend, daar allang niet meer op let. Ergens in het eerste hoofdstuk leent iemand een boek van iemand anders en die zegt: 'Ik moet het wel terughebben, hoor.' Over dat geleende boek komt nergens meer één woord voor. Vroeger zou ik zo consciëntieus zijn geweest om dat boek weer op te voeren (lacht). Ik zit er tot mijn eigen verbijstering schaterend over te praten. Maar dat is goed. Deels uit opluchting, hoor, omdat het boek bijna klaar is."

Het gaat over een gedoemde, mislukte liefde?

"Allicht. Waar gaan romans ànders over (barst weer in lachen uit)? Maar het is spannend, je wordt het boek in gezogen. Mij ging het er ook om of dat verhaal interessant was - want je leest een absurd verhaal, je hebt er geen idéé van. (Dialogeert:) 'Ja, maar geloof je alles wat er staat?' 'Jaja, vanzelfsprekend.' Terwijl ik dacht, iedereen denkt dat ik krankzinnig ben."

Tussen het schrijven door bent u vaak in het ziekenhuis opgenomen (Brouwers kampte met een dichtgroeiende luchtpijp, waarin een prothese werd aangebracht, ER). U bent zelfs geruime tijd in een diep coma gebracht. Heeft dat enige invloed gehad op de roman?

"Toen ik na maanden mijn roman weer aanvatte, kon ik het niet meer. Hoe kreeg ik dat in godsnaam weer aan elkaar gebreid? Je kunt dat in het manuscript zien. Een pagina of tien heb ik eruit geggooid, van net na het ziekenhuis. Louter gekakel. Daarna ging het wel weer.

"Met zo'n coma zou ik op zichzelf wel iets kunnen, alleen niet in deze roman. Een partikeltje heb ik gebruikt, de rest is voor later. Ik heb nauwgezet aantekeningen gemaakt over alles wat daar gebeurd is. Je bent zwaar ziek, je herstelt en dat kan alleen in coma. Drie weken coma is erg lang. Ze spuiten je plat met allerlei rotzooi. Het gekke is dat men denkt dat je in coma dood bent, dat je je niet bewust bent van de buitenwereld. Wel, dat is niet waar. Ik zat in een andere, krankzinnige wereld, ik beleefde almaar verhalen die ik wou noteren, maar ik kon dat niet. Ik leefde in wanen."

Indië is een andere grote inspiratiebron. U bent in 1940 in Batavia geboren, het huidige Jakarta. Zou er ook een Brouwers in Indië gemaakt kunnen worden?

"Nee. De periode is minder sterk gedocumenteerd. Het gaat om zeer onbetrouwbare herinneringen tot mijn zesde jaar. Waar je wel veel aandacht aan kunt besteden, is wat er na Indië kwam: de kostscholen. Als iets mij heeft beïnvloed is het dat. Meer dan Indië en de Jappenkampen."

Maar Indië is toch de mythische tijd die in uw werk naar binnen sijpelt?

"Ja, het is een soort verzonken Atlantis, een Arcadië waar ik blijkbaar ooit geweest ben. Niemand leeft ongestraft onder de palmen, heeft Willem Walraven ooit gezegd. Als je daar geboren bent en daarna in Nederland terechtkomt, dan blijf je je leven lang een man van twee werelden. Heimwee naar daar, en als je daar bent heimwee naar hier. Je kunt je anker niet uitgooien."

Is Indië uitgespeeld?

"Nee, er zijn wel meer thema's die almaar bij mij terugkomen. In essayistisch opzicht het thema zelfmoord."

Hoe verklaart u die fascinatie?

"Die wortelt ook in Brussel. Ik had een geliefde, een buitenechtelijke vriendin, Anne Walravens, de dochter van Jan. Die beging zelfmoord en dat was de eerste keer in mijn leven dat de dood zo dicht op mijn huid zat. Dat heeft mij een klap gegeven. Anne stierf in 1973. Daarvoor was zelfmoord een soort modethema aan het worden. Dirk de Witte wou zijn grote naslagwerk over zelfmoord schrijven, men hoefde maar een joint te roken of men citeerde dat vers van Van Ostaijen met de papaver. Wat later sterft De Witte door zelfmoord, dan Anne, dan de vrouw van Dirk de Witte, Jan-Emiel Daele, Jotie T'Hooft, allemaal mensen in mijn buurt. Jaren later Daniël Robberechts. Toen ben ik beginnen denken: als het zo dicht in mijn leven zit, heb ik er kennelijk ook iets mee te maken, dan moet ik daar iets over zeggen. En het heeft mij nooit meer losgelaten.

"Je ziet hoe belangrijk Brussel voor mij geweest is. Ach, wat klinkt dit als 'opa vertelt'. Maar nee, ik vind het leuk dat er zo'n boek gemaakt wordt. Ik denk dat ik in Holland allang dood en begraven ben en hier in Vlaanderen maakt men zo'n boek. Dat is diezelfde verscheurdheid, niet tussen Indië en Nederland, maar tussen Vlaanderen en Nederland. Waar hoor ik in godsnaam bij?

"Natuurlijk ben ik een Hollander gebleven. Maar een met veel roots in Vlaanderen. Ik ben er zelfs achter gekomen dat ik een Vlaming bèn. Enkele jaren geleden heeft iemand zich in mijn stamboom verdiept. In 1726 woonde er een Brouwers in Meer, bij Turnhout, die verliefd werd op een meisje van over de grens in Noord-Brabant. Zo zijn die Brouwersen in Nederland terechtgekomen. Voilà. Helemaal ontheemd voel ik mij niet. Nooit gevoeld. Ik heb me hier en in Brussel altijd beter op mijn plaats gevonden dan in Amsterdam of in Nederland."

Het Groot Beschrijf: om 16 uur wordt in de Gotische Zaal van het Brusselse Stadhuis Brouwers in Brussel gepresenteerd door Bart Vervaeck. Aansluitend wordt Jeroen Brouwers geïnterviewd door DMB-medewerker Johan Vandenbroucke.

Ter gelegenheid van Brouwers' zestigste verjaardag verschijnt bij uitgeverij Atlas een speciale editie van de met de Franse Fémina-prijs bekroonde Indië-roman Bezonken rood, waarvan binnenkort ook een Japanse vertaling het licht ziet.

'Literatuur is een glas, je drinkt dat leeg en

op een gegeven moment zet je dat leeg weer op tafel. Ik heb alles genoten''Als ik na al die jaren in Brussel terugkom, is het of ik op iedere straathoek een herinnering heb liggen'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234