Woensdag 08/04/2020

Waar chefs worden geboren

Vincent Kompany is naar eigen zeggen 100% Belgisch en 100% Congolees. Die eerste bloedband is welbekend, de twee-de krijgt nu een gezicht. Een bezoek aan de Kompany's in Kinshasa mondt uit in een bewogen rondrit door het verleden van een land, het heden van een familie en de toekomst van een klein dorp. 'Wij, de Congolese Kennedy's? Natuurlijk niet. Alhoewel...'

In het bureau van Fèlix Mputu, 'chef de service protocol' van 's werelds meest chaotische luchthaven - Aéroport International de N'djili, Kinshasa - hangt een boodschap van de profeet Jesaja aan de muur, in riet gevlochten. Pierre Kompany zet zijn goudomrande bril op en trekt zijn hemdskraag dicht; de airco stuurt een ijzige tocht door het kleine bureau. Toute arme forgée contre moi sera sans effet. Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten. Pierre: "Er zit veel waarheid in het Oude Testament".

In 1975 nam hij, Pierre, de vader van Vincent Kompany, de wijk naar België. Onder het valse voorwendsel van een zeldzame ziekte hielpen dokters in Lubumbashi de toen 28-jarige ingenieur op een vlucht naar een nieuw leven. Weg van Mobutu. Nu is zijn zoon aanvoerder van de Belgische nationale ploeg en kijkt de wereld straks toe als de Brabançonne in het Estádio Mineirão weergalmt en die zoon zijn tricolore band omgordt.

Bijna veertig jaar na diens vreemde vlucht uit Zaïre zit Pierre Kompany in diezelfde luchthaven en keert hij terug naar het land dat hem destijds zijn vrijheid ontnam. Wapens hebben soms wél effect. "Bon, on y va?"

Het is avond, de lucht heeft de kleur van ossenbloed, terwijl de warmte de stad nog als een donzige deken omarmt. In Congo gaat de avond nooit zachtjes op in het zwart van de nacht. Het is de nacht die bijna letterlijk valt, alsof God de Vader plots het licht uitknipt.

"Ei pipo, aan de kant!" De chauffeur van een groengelakte, gepensioneerde Mercedes jeep baant zich driftig een weg tussen een horde militairen, aan de uitgang van de luchthaven.

"Tonton Pierre! Tonton Pierre!" De man stapt uit, dept zijn blinkend voorhoofd en omhelst Pierre Kompany. Martin 'Martino' Kavuala is zijn neef, een ex-jachtpiloot die nu op de grond een nog even jachtig leven leidt als destijds in de lucht. De omhelzing is amicaal en voorzien van een passende coup de boule, drie korte knikjes tegen het voorhoofd. Martino draagt een groen glanzend hemd, rond z'n pols hangt een horloge met de diameter van een biljartbal en zijn schoenen blinken feller dan een parelsnoer. "Vraiment bienvenu!"

Martino zal ons een week lang gidsen. Hij is de familiale fixer, aan de zijde van Pierre. De voorman van een speciale familie. Ook hij: "Mes amis. On y va?"

Niets is wat het lijkt

Wie luchthaven N'djili verlaat, kan in Kinshasa tegenwoordig linea recta het centrum binnenrijden, op een recent aangelegde asfaltweg van Chinese makelij. Pierre Kompany draait het raampje naar beneden, hangt met z'n hoofd wat uit de wagen en zegt: "Als ik hier kom, en dat gebeurt maar heel zelden, heb ik altijd het gevoel dat het beter gaat met Congo. Je ziet asfalt en je denkt aan vooruitgang. Maar je rijdt even van de weg, de wijken in, en je weet niet wat je ziet."

We passeren het Stade des Martyrs, de enige sporttempel van Kinshasa die naam waardig. Pierre, op argeloze toon: "In deze buurt liep ik als klein ventje, toen Mobutu hier vier ministers liet ophangen. Nooit zo veel volk bijeen gezien als toen. Nooit. In Congo is niets wat het lijkt. Iedere plek heeft een verborgen geschiedenis. Iedere plek heeft een verhaal. Dat heb ik Vincent meteen verteld, de eerste keer dat we hier passeerden. Hij probeert jaarlijks te komen. En altijd komt hij terug met een pak nieuwe vragen. En ik kan alleen maar eerlijk antwoorden."

Net voor het binnenrijden van Gombe, het commerciële hart van Kinshasa waar Martino een pront hotel heeft neergepoot, brengt hij ons naar een restaurant. Hij pepert het klaarstaande personeel in de oren dat zijn gezelschap van hoge komaf is.

Joël Ndaya, die de drank opdient, fluistert zachtjes: "Is dat echt de vader van Vincent Kompany? Van die voetballer van Manchester City? Is dat een Congolees?"

In zijn handen trilt de zilveren schotel als een espenblad.

Enorme familie

Dat simpele zinnetje, 'Is dat een Congolees?' is meer dan alleen een vraag, ook een bekentenis. Vincent Kompany is in Congo geen alomgeprezen godheid van een alomgeprezen afkomst. Hij stamt af van een énorme familie, die - zo blijkt al snel - in verschillende maatschappelijke domeinen topposities bekleedt of in het verleden althans bekleedde. De geschiedenis van het land is ook vervlochten met de stamboom van de familie. Een vertakt verhaal van ministers onder Mobutu, van een Oost-Congolese diamantexporteur, van oude en nieuwe kolonels in het leger, van een jachtpiloot, van een producer. Er is het indringende relaas van een chirurg die in de Hutu-vluchtelingenkampen in Goma, tijdens de Rwandese genocide, aan flarden gehakte kinderen in leven hield. Maar ook dat van een ex-discotheekuitbater (Martino was in de jaren 90 patron van Station One: "Ik was de prins van Kinshasa. Ministers dansten op mijn vloer!"), een presentatrice op Expo '58, een winnaar op een uitvinderssalon in Genève (Pierre) en dus ook ja, dat van de kapitein van de Belgische Rode Duivels. Pierre: "Of wij de Congolese Kennedy's zijn? Natuurlijk niet. Alhoewel. (lacht)"

Door de resem binnenlandse conflicten en oorlogen diende ze uit te wijken naar alle uithoeken van de RDC, en verder: alle uithoeken van de wereld. Het gros van de familie Kompany woont nu in Kinshasa, anderen nog in Lubumbashi, Kasaï of Kivu. Sommigen in de VS, Londen, Parijs en dus ook Brussel. De familie Kompany lijkt onbegrensd, en dat voel je. Voeten op de grond, blik op de wereld.

Wie bij Vincent vertrekt en generatie per generatie opklimt, komt uit bij Léon Kompany, zijn grootvader. Die had drie zonen, waarvan een al is overleden. Pierre (Vincents vader), Dieudonné en de overleden Pascale. Die laatste trok nog voor z'n broer Pierre naar België, begin jaren '70. Pierre viel Pascale in de armen, in de aankomsthal van Zaventem.

De ouders van Pierre Kompany scheidden al vroeg, waarna Léon, zijn vader, in een nieuwe relatie nog eens vader werd van negen kinderen. De band tussen Pierre en zijn vele halfbroers en halfzussen is niet minder dan die met zijn andere 'eigen' broer(s). Het maakt van de familie een typische, grote Afrikaanse, sterk verbonden minigemeenschap waarin niet iedereen de naam Kompany draagt, maar de bloedband wel onbreekbaar opspeelt. La vraie famille Congolaise, quoi.

De aard van die topfuncties gaat dus niet gepaard met een hoge bekendheid. Dat geldt in zekere zin zelfs ook voor Vincent Kompany. Die heeft in Congo bijvoorbeeld niet de status van kerels als muzikant Werrason of spits Dieumerci Mbokani, die tot vorig seizoen voor Anderlecht uitkwam. Hun status is werkelijk onwerkelijk. Sport en muziek zijn in Congo hofleveranciers van halfgoden.

What's in a name

Rond Vincent Kompany heerst in Congo geen algemeen erkende waarheid, wat ook bijdraagt aan de relatief beperkte populariteit. Sommigen denken dat hij in Congo is geboren, en nadien Belg werd. Anderen kennen hem als kapitein van Manchester City, maar hebben geen weet van zijn Afrikaanse roots. En weinigen weten dat hij in Brussel is geboren, een Belgische moeder had uit de Ardennen en een vader uit Kasaï, Centraal-Congo. Waarom? 'Kompany' klinkt niet Congolees. 'Mbokani' wel. Als de naam ergens valt, kijken mensen soms vreemd op.

"Net daarin ligt de oorsprong van onze familie", zegt Pierre, nippend van een glas water. Hij snijdt wat maniok aan - "Man, wat mis ik dat toch" - en vertelt. "Mijn grootvader, ook een Pierre, die heette aanvankelijk Tshimanga, niet Kompany. Hij was werkzaam bij Miba (Société Minière de Bakwanga, MD), een blank mijnbouwbedrijf uit de diamantsector, in de centrale gelegen provincie Oost-Kasaï. Hij haalde als boekhouder het geld op in het winkelnetwerk rondom de mijnen. Zodra de winkeliers hem zagen komen, riepen ze: 'Ah, de company is daar.' Dat is de ontstaansreden van onze huidige naam: Kompany."

Martino schraapt een stukje vlees van een houten stokje en valt in: "Wij komen uit Kasaï en behoren tot de Baluba-stam. En om rechtuit te zijn: wij zijn het zwarte schaap van Congo. Nu nog altijd. Wij hebben altijd een bijzondere plaats gehad in onze samenleving, ook onze familie. Dat was al zo ten tijde van de Belgische overheersing. Lange tijd streed ons volk, de Baluba, tégen de Belgen, tot die eindelijk inzagen dat de Baluba een zekere intellectuele daadkracht hebben. Ze behandelden ons nadien niet als hun gelijken, maar we kregen wel een betere behandeling dan sommige anderen. En dat stak die anderen de ogen uit. Nog altijd. Al speelt het tribalisme in Congo lang zo sterk niet meer als vroeger."

Pierre: "Baluba zijn altijd al chefs geweest. Dat is in onze familie niet anders. Mijn grootvader was dat ook. Hij werd soms rondgedragen in een draagstoel, wat indertijd normaliter alleen de blanken te beurt viel. Het is ons van kleinsaf ingeprent: chef worden. Kun je dan begrijpen dat Vincent niet alleen bij Manchester City, maar ook bij de Rode Duivels kapitein is? Het zit in ons bloed."

Ook Pierre Kompany werd als kind al klaargestoomd tot dorps-chef. Een chef die hij nooit is geworden. Nooit is kunnen worden. De koers die zijn leven is geworden, kende geen eenzijdig parcours. Alsof het lot een muntje opwierp en voor hem besliste.

Gevaarlijke vrijdenkers

Zijn vader Léon, dus de grootvader van Vincent, was een elektricien uit Kasaï die later meestreed in de Eerste Wereldoorlog, in Brussel, aan de zijde van de Belgen. Als technicus onderschepte hij morsecodes, en onderhield hij de radiotransmissie van een bataljon Belgen. Zijn legertijd eindigde uiteindelijk in Bukavu, aan het Oost-Congolese Kivumeer. Daar leerde hij zijn vrouw kennen, Marguerite Kapinga, en begon een elektrozaak in Bukavu, die op z'n hoogtepunt aan meer dan zestig mensen werk verschafte. Daar is Pierre Kompany opgegroeid als kind, in Kivu, en later in Bujumbura, de hoofdstad van Burundi, toen z'n vader de grens overstak. Pierre Kompany is dus afkomstig uit Kasaï, opgegroeid in Kivu en verhuisd naar Burundi.

"En wat er daarna nog gebeurde, dat kon niemand vermoeden. Met dank aan ce pauvre type (Mobutu, red.)", zegt Pierre. "Na mijn grillige jeugd woonde ik uiteindelijk als student op de unief van Lovanium in Kinshasa. Ik zat op kot, zeg maar. De unief was aan de KU Leuven gelinkt, vandaar de naam. Het was een broeihaard van wilde ideeën. Mobutu had schrik van ons. Wij, de vrije denkers, marxisten bijna. Een staat in de staat, dat was de universiteit, die zo majestueus op de top van een heuvel is gebouwd. Vanuit de unief zagen we Kinshasa liggen. Prachtig."

Nog een slok water, nog wat maniok, en dan, helemaal op dreef: "Maar Mobutu zag dus het 'gevaar' in van die vrijdenkers en maakte ons na een dodelijke opstand tegen het regime vleugellam. Ik trok dan maar naar Lubumbashi om verder te studeren. Maar ook daar, bij de herdenking van de opstand in Kinshasa, was het weer hetzelfde verhaal. Weer die controle door het regime. Studeren werd voor mij bijna onmogelijk en ik kwam uiteindelijk in het leger terecht, in Kitona, aan de monding van de Congostroom. Ik werd er behandeld als was ik een rebel. Slagen gekregen, ja. Na die legertijd lag mijn vrijheid, en die van zovele anderen, helemaal aan banden. Ik moest weg. Het werd dus Brussel."

Er daalt een soort berusting, en ook wat melancholie over Pierre neer. En je denkt aan Jesaja. Toute arme forgée contre moi sera sans effet.

'Pas possible'

Een paar dagen later, na een lange rit dwars door Kinshasa, rijst Lovanium effectief voor ons op. Op weg naar het hart van die immense unief kijken een paar kinderen ons aan. 'Mundele', blanken. Ze zeggen 'ni hao' en denken dat we Chinezen zijn.

Het klopt, de unief ligt statig op een heuvel, een colline. Pierre schuift wat zenuwachtig over zijn stoel en voelt zich bevrijd als hij Noël Obotela terugziet, een oude medestander uit de studentenopstand van '69 tegen Mobutu, die nog altijd in Lovanium werkt. Obotela en Kompany, dat zijn twee zielen in één zak. Dat voel je. Dat zie je. Dat hoor je. "Pierre, c'est vous? Pas possible. Pas possible."

Het duo verloor vrienden bij de opstand. Zelf ontsnapten ze aan de dood. Het muntje werd opgeworpen, en zij wonnen. Hun bus richting centrum, richting de opstand, werd tegengehouden. Het heeft hun leven misschien gered, toen. Maar het was voor Pierre wel de kiem voor zijn latere vlucht.

Noël leidt ons rond in de afgeleefde, van verf ontdane unief. In niks nog dat bastion van lef en kennis. Wat rest is een relict, een verbrokkelde droom. Hij toont het olympisch zwembad waar Pierre indertijd iedereen naar huis zwom. "Ik was een vis!" Nu heersen de padden en algen op deze koloniaal-iconische plek. Hij toont ons het voetbalveld, aanpalend aan het zwembad. Pierre: "Hier heb ik gesjot, gesjot dat ik hier heb. We versloegen iedereen. Ja, we versloegen écht iedereen! En dan hop, afkoelen in het zwembad!"

Dan: "Zie mij hier nu lopen. Zie de unief hier wegkwijnen. Manlief, dit doet pijn."

Bindende factor

In de auto op weg naar Bandalungwa, ten westen van Kinshasa, houdt Michel Kompany zich vast aan het hendeltje boven het raam. Het modderpad richting Bandalungwa test de carrosserie van Martino's Mercedes. Michel is de zoon van Pascale, Pierre Kompany's overleden broer. Vincents neef blijkt een enorme kerel met een diepe basstem, waarbij zijn enorme corpus de stem nog als een klankkast versterkt.

Ook Maguy is mee, en Giselle, zussen van Michel. Terwijl Martino zich in de Rally van de Condroz waant, vertelt Michel over de oneindige vertakkingen van de Kompany's.

Michel: "Ook wij kennen onze geschiedenis. Maar als tonton Pierre of Martino vertellen, dan horen wij nog vaak nieuwe dingen. Kleine puzzelstukjes, die het beeld van onze familie en ons eigen land bijwerken. Zoals dat verhaal van Lovanium. Het familieverhaal breidt ook nog constant uit. Hoe vaak gebeurt het niet dat ik één of andere Kompany ontdek op Facebook, die persoon een berichtje stuur, en hij of zij familie van me blijkt te zijn."

Maguy: "Vincent is zo een bindende factor geworden, ons symbool, onze kapitein. Als we straks, op de World Cup, zijn naam zien verschijnen op het scherm, dan is dat een enorme boost voor ons. Onderschat dat niet. Hij maakt ons fier, hè."

Michel: "Onderschat ook de impact niet die zijn naam nog altijd heeft op de blanken hier, in Kinshasa. Ik werk bij het maritieme agentschap Comexas Afrique, dat overzeese transporten organiseert. Mijn sollicitatie ging als volgt. Vier blanke Belgen zaten rechttegenover me. Zegt er een:

'Kameraad, uw familienaam klinkt niet bepaald Congolees. Bent u familie van Vincent Kompany, de voetballer?' 'Ja, meneer', antwoord ik. 'Bon, 't is oké. Je kunt bij ons beginnen. Maar eigenlijk, waarom loop jij nog in Congo rond? Moet jij niet dringend naar Europa?'"

Pierre luistert mee, en zegt: "Serieus? Zoiets zou eigenlijk niet mogen."

Martino heeft zich intussen vakkundig vastgereden in een gat in de weg, een plas water die voor de auto als een vijver aanvoelt: "Mon dieu. Mon dieu." Hij wringt zich uiteindelijk als een volleerde piloot uit het met steengruis en afgebroken dakplaten bezaaide gat, gooit er een forse vloek tegenaan, rijdt vervolgens rustig - "Ik ben volledig zen" - een steegje in, groet een bewaker en manoeuvreert de 4x4 finaal op een donker, verbrokkeld gangpad.

Wat verderop, in het zwakke schijnen van een kleine lamp, schommelt Gertrude Mbombo lichtjes heen en weer. 'Formidable' weerklinkt op de achtergrond. Ook hier, tja, Stromae.

Er hangt een warme gezelligheid over de binnenkoer, die de vervallen huisjes met elkaar verbindt. Gertrude, Pierre en Martino vallen elkaar hartelijk in de armen. De moraal van Gertrude is na enkele recente sterfgevallen wat gedeukt, maar dat haar neef langskomt overstijgt alle verdriet. "Tonton." Het is het woord dat haast iedereen gebruikt: tonton. Een familiale eretitel die Congolezen - die sowieso al erg veel belang hechten aan titels, namen, palmaressen en protocols - vlot en gretig gebruiken. "Tonton. C'est pas vrai."

Gertrude, na haar familie uitgebreid te hebben omhelsd: "En jij komt hier de hele familie bezoeken. Je bent hier dus voor drie maanden? (lacht) Secondje, ik zal je helpen."

Ze komt terug met in haar handpalm een vergeelde foto. Met een bruin stiftje staat geschreven: 'Souvenir de ma famille'. Pierre kijkt naar de prent en ziet zijn vader Léon. Een dynamische man, met een hoed. Hij kan zijn ogen niet geloven. "Nooit gezien, dit. Nog nooit."

Gertrude: "Nja, wat maakt dan van Vincent een Kompany?" Haar blik staart even in het ijle, ze denkt na, wrijft zich in het haar. Ze richt een vinger op. Alsof ze in dat woud aan verhalen, takken en bladeren wegveegt en het geheim blootlegt. "Een geheim is er niet", zegt ze dan. "Er zijn wel trekjes, kenmerken die je terugvindt. Kompany's zijn principeel, dynamisch en ze wijken niet. Ze dúrven."

Slagveld zonder weerga

We keren terug in de tijd, naar de onafhankelijkheid in '60. Alles liep in Congo meteen goed fout. Premier Lumumba had zijn zaakjes niet op orde. Kort na die beruchte 30ste juni - de dag van de onafhankelijkheid - scheurde het zuiden van de provincie Kasaï zich af en riep zélf de onafhankelijkheid uit. Albert Kalonji werd koning van dat nieuwe rijk(je).

Kalonji was de vroegere rechterhand van premier Lumumba, maar de band verwaterde toen die laatste hem geen ministerpost aanbood. Kalonji's beweegredenen voor de secessie waren niet alleen politiek, economisch, maar ook etnisch geïnspireerd. Als Baluba, de stam waartoe ook de Kompany's behoren, hoopte Kalonji een eigen plek voor zijn volk te creëren om eindelijk paal en perk te stellen aan de bloedige, tribale strijd met de naburige Lulua.

"Ik heb die secessie voor de volle honderd procent gesteund", zegt Gertrude. Ze praat op een heel gedecideerde, vranke toon. "Op dat ogenblik werkte ik nog in Lubumbashi. Ik heb de boel daar achtergelaten om Kalonji bij te staan, uit puur patriottisme. Wat ik terug in Kasaï meemaakte, dat euh, ja, dat kan ik maar moeilijk beschrijven. Ons volk, de Baluba, vochten er een strijd uit met de Lulua, maar tegelijk ook met troepen die Lumumba naar Kasaï stuurde om de secessie van Kalonji neer te slaan. Een slagveld, zonder weerga. Ik hielp de lijken bergen, de lijken van mijn eigen Baluba."

Gertrude aarzelt even. De familie heeft zich rondom haar verzameld. Er hangt een loden stilte. Gertrude: "De doden werden door de honden opgevreten aan het front. Dat was bijna mijn job, daar, de honden wegjagen."

Pierre Kompany luistert gespannen en reageert: "Mijn vader Léon was net hevig tégenstander van die secessie. In Bujumbura werd hij daarom gemolesteerd door mannen van Kalonji. Ze sloegen hem bijna dood. Maar hij overleefde, en hield er voor altijd littekens aan over. Maar net dát is de kracht van onze familie. We stonden in dat conflict lijnrecht tegenover elkaar, maar het kwam nooit tot een breuk. Ook dit verhaal heb ik Vincent verteld. Het heeft hem mee gemaakt tot wie hij nu is, denk ik: een durver, een idealist."

Er volgt nog een anekdote, eentje over historicus Josephe Kompany, een nonkel van Pierre die tijdens die tribale strijd tegen de Lulua Kasaï ontvluchtte verkleed als vrouw. Hij kwam in vluchtelingenkampen van Baluba terecht.

Martino: "In die periode vluchtte ik ook weg, met mijn moeder.

's Nachts, door de wouden, zonder eten of drinken. Ik klom in bomen, stal eieren uit vogelnesten om toch iets te kunnen eten. Ik vertel u de waarheid. Maar die tijd heeft me niet gebroken. Als je in het verleden leeft, kom je geen stap verder. Je kunt - zeker in Congo - alleen maar dag per dag leven."

Pierre: "Je móét die geschiedenis een plaats geven. Ze mag je raken, maar niet breken. Vincent kent die geschiedenis nu. Hij heeft mijn bloed, hij vóélt Congo. Daarom is er ook zijn engagement met SOS Kinderdorpen. Hij weet wat is gebeurd, en kijkt nu vooruit. Die verhalen heeft hij zich ook eigen gemaakt. Ze helpen hem dingen te relativeren, om altijd het bredere plaatje voor ogen te houden. Ook hij heeft intussen een geschiedenis. Moeder verloren, zus ziek geworden, ouders gescheiden, zware blessures: maar hij is alleen maar sterker geworden.'

Emotioneel weerzien

Tijdens de tocht door Kinshasa wordt die geschiedenis ook zichtbaar. Pierre Kompany wordt ondergedompeld in een bad aan mijmeringen en herinneringen. Er was al de passage langs het Stade des Martyrs, de wandeling door Lovanium, het weerzien met Noël Obotela, het verhaal van Gertrude en dan komt het meest bijzondere moment nog. Zijn tante Bilonda is blind geworden. Ze ontmoeten elkaar voor het eerst weer na bijna veertig jaar. De ontmoeting in Limete is van een zelden ervaren intensiteit.

De vrouw wrijft over zijn gezicht. Is hij het? Is dat mijn neefje? Het gemoed wordt zwaar. Ze wrijven elkaar over de rug, geven een kus. En wat vraag je dan... Hoe gaat het? Is dat de vraag die een gat van veertig jaar overspant? Hoe gaat het? En dan niet kunnen antwoorden. Goed, ja. Goed. En met u? Zeg je 'u' tegen een tante na al die jaren? Je kunt dan wel praten over het verleden, alles een plaats geven. Maar als een woord een beeld wordt, en een ontmoeting de vervlogen tijd een emotionele lading geeft, dan is een mens maar een mens.

Het is dit alles, die melange aan verhalen, dat besef van wat was, en nu niet meer is, dat het engagement van Vincent Kompany mee verklaart. Geef het een plaats. En doe iets. De uren die vader Pierre aan z'n bed zat, om het door te geven. De erfenis van een land en een familie. Stukje bij beetje. Vincent kreeg de vlucht uit Kasaï te horen, de revolte tegen Mobutu, de tribale strijd, de genocide, de Grote Afrikaanse Oorlog. En hij zag de gevolgen ook zelf, als ambassadeur van SOS Kinderdorpen.

Vincent Kompany trok zelf naar Congo, nog voor z'n vader durfde terug te keren. Het was Vincent die zijn vader nadien vertelde over de actuele toestand. Het is de intellectuele stootkracht, en het engagement dat maakt dat hij mee een dorp bouwde in N'Sele.

Niet het idee iets te móéten doen, gaf de doorslag. Maar net, alle familiale geschiedenis indachtig, het idee iets te wíllen doen voor dat land dat hij, zoals Pierre vaak zegt, echt voelt. Het resultaat is een plek voor 150 wezen, met een hospitaal, twee schooltjes, een basketbalpleintje, een springkasteel, vijftien huizen, mama's, vrienden. En veel hoop.

N'Sele is de eindhalte van deze trip. Jonge kerels die in hun blauw-witte uniform een ongrijpbare bal najagen. En ze winnen altijd.

Martino parkeert er zijn jeep. Pierre en hij zien de kinderen lopen. Jongens en meisjes die in het SOS-dorp arriveerden en zelfs geen naam hadden. Geen vader, geen moeder, geen verleden. Die rennen er nu rond. En ze vallen. En ze staan terug recht. En ze gaan winnen. Altijd.

Ze gaan winnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234