Vrijdag 07/05/2021

Waar blijft de Vlaamse Nobelprijswinnaar?

Fundamenteel economisch onderzoek is vooral een Waalse zaak

Maandag wordt de Nobelprijs economie uitgereikt aan George Akerlof, Michael Spence en Joseph Stiglitz. Een Belg heeft de prestigieuze prijs nog nooit in ontvangst mogen nemen. Als het ooit zover komt, maken de Walen meer kans dan de Vlamingen, denkt Lodewijk Berlage (KUL).

leuven

Marleen Wynants

In een recente ranking van Europese economische onderzoeksdepartementen, in vergelijking met de Amerikaanse topuniversiteiten, kwamen twee Belgische instituten bovendrijven: Core van Louvain-La-Neuve en Ecares van de ULB in Brussel. In Vlaanderen bestaan dergelijke instituten niet en wordt verondersteld dat het wetenschappelijk onderzoek zich afspeelt in universiteiten. Dat betekent een projectmatige financiering, weinig middelen en de realiteit dat het echt onderzoek moet plaatsmaken voor administratieve taken, onderwijs en projectmanagement.

Veel Vlaamse professoren-economen die nu tussen de 50 en de 70 jaar oud zijn, konden een academische carrière uitbouwen zonder al te veel aan onderzoek te doen. Ook de gedwongen vervlaamsing van de universiteiten en de verzuiling zijn niet altijd bevorderlijk geweest voor de stimulering van nieuwe ideeën en creativiteit. Volgens Lodewijk Berlage, tot voor kort voorzitter van het departement economie aan de KU Leuven, heeft toponderzoek veel te maken met de uitstraling van één of enkele onderzoekers, met het opbouwen van een onderzoekstraditie en met de concentratie van het onderwijs op de derde cyclus.

Lodewijk Berlage: "Grote namen trekken aan. Maar je kunt die grote namen alleen maar vinden als je voldoende ruimte en onderzoeksmogelijkheden biedt. Als we het over Nobelprijzen hebben, dan gaat het over toponderzoekers: mensen die met nieuwe ideeën komen, die school maken. Voor fundamentele onderzoekers is het heel belangrijk dat ze gedurende een bepaalde periode aan een heel goede universiteit kunnen werken. Aan onze universiteiten is er onvoldoende ruimte voor toponderzoek, op enkele uitzonderingen na. Waarom? De beste universiteiten in de VS en in Groot-Brittannië bijvoorbeeld proberen de beste studenten aan te trekken en bieden vooral graduate-onderwijs aan, wat wij de derde cyclus noemen, met nadruk op doctorale studies. Die staan centraal in hun onderwijsaanbod, het basisuniversitair onderwijs is bijkomstig. Bij ons is dat omgekeerd. Het is vrij simplistisch uitgedrukt maar de graduate school is in de VS ongetwijfeld belangrijker dan het undergraduate college.

"Amerikaanse universiteiten worden ook anders gefinancierd dan de meeste Europese universiteiten: de meeste krijgen veel geld van rijke oud-studenten, of doen goed betaald onderzoek voor de overheid en voor de private sector. Daardoor kunnen ze hun studentenaantallen sterk beperken terwijl bij ons een hoog aantal inschrijvingen de enige garantie biedt op meer overheidsmiddelen. Toen ik aan het MIT studeerde, meer dan 30 jaar geleden, waren er 8.000 à 9.000 studenten, van wie meer dan de helft masters en vooral doctorale studies volgden. De selectie van studenten is en blijft er bijzonder streng. Maar de kwaliteiten van studenten en van professoren versterken elkaar. Dat verklaart natuurlijk nog altijd niet waarom Vlaanderen de laatste honderd jaar in vergelijking met Zweden of Nederland en zelfs met Wallonië, niet zo heel veel toponderzoekers heeft voortgebracht."

Welke voedingsbodem heb je nodig om topeconomen te kweken?

"Je kunt op een bepaald moment zeer goede professoren hebben, zeer goede economen in dit geval. Die oefenen een aantrekkingskracht uit op studenten en op beginnende onderzoekers in eigen land maar ook in het buitenland. Dat soort van rolmodellen kunnen het onderwijs en het onderzoek echt naar een hoger niveau tillen. In Nederland was dat het geval met Jan Timbergen, waardoor de Economische Hogeschool van Rotterdam hét instituut werd waar onderzoekers van binnen en buiten Europa naartoe kwamen. Daar ging een enorme stimulans van uit. Grote namen en rolmodellen heb je nodig. In België hebben we dat een beetje gehad met CORE, het Centre for Operations Research and Econometrics, dat destijds nog in Leuven ontstaan is, maar dat na de opsplitsing van de Leuvense universiteit naar Louvain-La-Neuve is verhuisd en waar de ULB de plaats van de KUL heeft ingenomen. CORE had wereldwijd een grote naam en was hét instituut voor specialisten in de kwantitatieve economie. Voor zover ik me herinner, zijn daar geen Nobelprijzen uit voortgekomen, wel gaven Nobelprijswinnaars er seminaries of gastcolleges."

Vaak worden Nobelprijzen toegekend voor vernieuwingen in de theoretische economie en wie theorie zegt, zegt ook wiskundige analyses.

"CORE was de aangewezen plaats daarvoor, maar die Nobelprijs is er niet gekomen. Daar heb ik ook niet zo meteen een verklaring voor. Het heeft vaak te maken met een klein zetje dat de zaak vooruit helpt. Zo was er bijvoorbeeld ook Anton Barten, van oorsprong een Nederlander en professor economie aan de KU Leuven en voor zijn onderzoek verbonden met CORE. Die heeft een econometrisch model uitgewerkt, een systeem van vraagvergelijkingen, ook het Rotterdammodel genoemd. Dat model werd lange tijd veel gebruikt voor consumptiestudies en Barten was op een bepaald ogenblik de meest geciteerde Europese economist. Potentieel gezien had hij een Nobelprijs kunnen halen, maar ja, de uiteindelijke keuze wordt in Stockholm gemaakt..."

Zijn er op dit moment Belgische economen met een Nobelprijs-potentieel?

"Ik aarzel om namen te noemen. Hoewel, ik zie wel zulke mensen hoor. Eén naam die er alvast uitspringt, is Mattias Dewatripont, een prof aan de ULB en nog vrij jong. Vlamingen? Neen. Dat heeft niets met bescheidenheid te maken. Dat heeft veeleer te maken met het feit dat de Vlaams economisch-wetenschappelijke traditie vrij jong is. Zeer bekend in Europa en daarbuiten is bijvoorbeeld ook Jacques Drèze, nu professor Emeritus van de UCL en de eerste voorzitter van de European Economic Association. Hij heeft op diverse vlakken uitstekende dingen geschreven, maar niet echt een nieuw idee geproduceerd dat grote impact had. Drèze was wel een van de oprichters en bezielers van CORE. Hij was en blijft dus ongetwijfeld een grote geest die mensen kan enthousiasmeren en stimuleren. Maar dat kleine tikje dat je meer moet hebben voor die Nobelprijs, blijkt te ontbreken."

De Franstalige Belgen hebben in de economische wetenschap blijkbaar meer bekende namen dan de Nederlandstaligen.

"De economische traditie in Leuven en zeker in Brussel was er een van Franstaligen. Men heeft daar dus langzaamaan een Nederlandstalige staf moeten uitbouwen. Misschien speelt dat nog altijd een rol. Bij de Franstaligen heb je in ieder geval een traditie van eocomieonderwijs en -onderzoek die in Vlaanderen ontbreekt of veel minder sterk is. Als men in Vlaanderen over economie spreekt, bedoelt men meestal toegepaste economie, TEW, wat in feite bedrijfseconomie is. Zo wordt het trouwens in Nederland genoemd. In Franstalig België ligt de verhouding tussen het aantal studenten economie en het aantal studenten gestion veel hoger dan in Vlaanderen. Dat is voor zover ik weet altijd zo geweest. In Vlaanderen gaan trouwens de betere studenten die geïnteresseerd zijn in bedrijfseconomie, nog eerder handelsingenieur studeren, wat ook een bedrijfseconomisch programma is.

"Het is een trend die in veel Europese landen wordt vastgesteld. Vijfentwintig of dertig jaar geleden was ondernemen bij vele jongeren een vies woord. Nu is het populair. Omdat we in Vlaanderen al met een lager aantal economiestudenten zaten dan in Franstalig België of Nederland bijvoorbeeld, betekent dat een ramp. Want op die manier dreigt de voedingsbodem voor het economisch onderzoek uit te drogen. We hebben bedrijfseconomen nodig, maar ook de nood aan economen is groot. Het is zo dat je in bedrijfseconomie al veel meer theorie hebt dan 50 jaar geleden, maar elke samenleving heeft mensen nodig die meer onderzoeksgericht bezig zijn met economische problemen. Zulke mensen zijn nodig in bedrijfsfederaties, in banken, maar ook in de media en op vlak van beleid. Om bepaalde actuele problemen te doorgronden en om oplossingen voor te stellen, is er een theoretisch en onderzoeksmatige knowhow vereist. Aan het departement economie van de KU Leuven is er geen nood aan onderzoeksopdrachten, maar we moeten alle moeite doen om goede kandidaat-onderzoekers te vinden. Hetzelfde fenomeen doet zich voor in de private sector en bij de overheid."

In welke zin kan het middelbaar onderwijs daarop een voorbereidende rol spelen?

"Ik ben bevooroordeeld, maar ik stel vast bij neefjes en nichtjes dat die op zeer jonge leeftijd al economische begrippen en theorieën moeten verwerken die veel te abstract zijn voor hun bevattingsvermogen. Ik vraag me soms af of het middelbaar onderwijs zich niet beter zou bezighouden met feiten en verbanden daartussen en de theorievorming voor later laten. Ik geef een inleidende cursus economie aan de eerste kandidatuur sociale wetenschappen. Daar willen we bewust een stukje theorie overbrengen. Maar ik vrees dat er zelfs bij vele van mijn studenten daarvan niet zoveel blijft hangen. De uitdaging blijft eerst en vooral belangstelling voor economie op te wekken aan de hand van concrete vragen. Bijvoorbeeld vragen naar de voordelen of nadelen van globalisering, of naar de oorsprong van werkloosheid en dan aantonen dat een aantal van die kwesties beter geanalyseerd kunnen worden mét een theoretische achtergrond dan zonder. Zo denk ik ook dat men in het middelbaar onderwijs het best begint bij vraagstellingen en eenvoudige analyses. En op die manier aantoont dat de economische wetenschap interessant en relevant is voor het begrijpen van onze wereld."

'Grote namen trekken aan. Maar je kunt die grote namen alleen maar vinden als je voldoende ruimte en onderzoeksmogelijkheden biedt'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234