Woensdag 21/08/2019

Hugo Clauslezing

Waar blijft dat Mandelaplein?

Zo werd Nelson Mandela op 16 juni 1990 onthaald op het Leidseplein in Amsterdam. De foto hangt momenteel ook levensgroot aan de gevel van het Rijksmuseum, waar een Zuid-Afrika-expo loopt. Beeld Maurice Boyer

Waarom zijn er in Vlaanderen zo weinig straten en pleinen naar Mandela vernoemd, vraagt Tom Lanoye zich af in zijn Hugo Clauslezing. En wanneer komt die moedige expo over ons verleden in den vreemde er?

Aan de rituelen van de naamgeving herkent men een gemeenschap én haar mentaliteit. Om niet te zeggen: haar obsessies en blinde vlekken. Dat brengt ons meteen bij de beloofde wetsteen voor vanavond. Mandela.

Hij draagt ook zelf meerdere namen. ‘Nelson’ werd hem op zijn eerste schooldag door een leraar toegedicht, naar een wijd verspreid gebruik toentertijd om zwarte kinderen Europese namen te geven, die vaak verwezen naar de Engelse geschiedenis. Noem het gerust kolonialisering op de vierkante centimeter, want dat was het ook.

Een andere en wel lokale naam die dateert uit zijn rebelse jeugd is ‘Rolihlahla’. Dat betekent letterlijk ‘de-tak-van-de-boom-trekker’ en figuurlijk: ‘lastpost en koppigaard’. Net als de Amerikaan Cassius Clay, de latere Muhammed Ali, werd de jonge Mandela een fervent bokser om zijn agressie te leren kanaliseren en om doelgerichter te leren vechten. Niet zonder resultaat.

Tijdens de laatste jaren van zijn leven werd Nelson steeds meer Tata Madiba genoemd. Tata betekent ‘vadertje’, Madiba is een respectvolle koosnaam die verwijst naar Mandela’s clan en naar een van zijn aristocratische voorvaders daarin. Net als ‘Rolihlahla’ en Tata is Madiba een woord in isiXhosa, de op één na grootste moedertaal van Zuid-Afrika. De grootste is het isiZulu. Op drie en vier staan Afrikaans en Engels, met respectievelijk — zelfs afgerond naar boven — slechts veertien en tien procent moedertaalgebruikers. Al fungeert het Engels, excuseer: bad English, natuurlijk als de lingua franca, net als bijna overal ter wereld.

Over het belang van taal in Zuid-Afrika zal ik het onvermijdelijk later opnieuw hebben. Maar nu eerst opnieuw terug naar Mandela zelf.

Anti-Apartheidsicoon. Mythische leider van het ANC — het African National Congress, gesticht in 1912. Geroemd en geprezen als grote verzoener en ontmijner van een dreigende burgeroorlog, in het begin van de jaren negentig. Legendarische gevangene van Robbeneiland en eerste democratisch verkozen president van Zuid-Afrika, het laatste land ter wereld waar rassensegregatie tot begin jaren negentig op ieder gebied het officiële beleid bepaalde, met om te beginnen afzonderlijke en hiërarchisch gerangschikte parlementen.

Bovenaan stond het parlement van ‘Europeërs’ (‘blankes’). Daaronder dat voor Indiërs enerzijds, anderzijds dat voor ‘coloureds’, zoals iedereen werd genoemd die niet helemaal zwart was. Daarnaast bestonden er diverse, alleen in naam zelfstandige en vaak uitgestrekte ‘bantoe’-reservaten (‘tuislande’), voor al wie wel volledig zwart was — het leeuwendeel van de bevolking. Die leefde samengedreven ofwel in toegewezen townships buiten de grote steden, ofwel in die genoemde reservaten, ook ‘bantoestans’ genaamd, die toevallig steeds gesitueerd bleken in de meest onherbergzame regio’s van het land, met inbegrip van een marionettenbestuur, vestigingsverplichtingen, gedwongen collectieve verhuizingen, uitreisbeperkingen, werkpassen alleen voor kompels of nanny’s, en sowieso Berufsverbot voor topjobs in de wereld buiten alle ‘banstoestans’ en townships.

Dit is uiteraard een veel te schematische en onvolledige weergave van de gewelddadige politiestaat die Zuid-Afrika toen was, en waar de Kafkaëske bureaucratie, de onafgebroken overheidspropaganda, de loge-achtige bestuurs-elite genaamd De Broederbond, de intimidatie van journalisten en de algehele paranoïde censuur — een internationaal bekende jeugdserie over een páárd zou zelfs ooit van de televisie zijn verbannen vanwege zijn titel, Black Beauty — waar dat alles dus zelfs het vroegere Oost-Duitsland en zíjn geheime politie, de Stasi, in de schaduw stelde qua perfiditeit en staatsterreur.

Opnieuw: vergeef mij dit soort van versimpeling, maar ik vind het van belang om hier minstens de grote lijnen nog eens klip-en-klaar te schetsen, in een tijdsklimaat waarin steeds meer Vlamingen, jong en oud, mij op luchtige toon komen verzekeren dat het Apartheidssysteem in hoofdzaak bestond uit gescheiden zitbankjes in één en hetzelfde park, uit gescheiden strandjes op één en dezelfde beach, en uit verschillende zitjes in één en dezelfde bus. Met andere woorden: uit al bij al oppervlakkig racistische belemmeringen, waarbij enkel wit tegenover enkel zwart zou hebben gestaan, en verder niets daartussenin.

Ik heb hier noch de tijd noch de plaats om uit te weiden over álle etnische en linguïstische verschillen, maar wie denkt dat België onwerkbaar ingewikkeld is, moet eens proberen te doorgronden hoe Zuid-Afrika in elkaar steekt. Mij is het na vijfentwintig jaar van telkens maandenlange bezoeken nog steeds niet helemaal gelukt. Laat ik volstaan met eraan te herinneren dat Zuid-Afrika thans een republiek is met niettemin een handvol koningen, paleis en hofhouding inbegrepen, en met daarnaast ook elf officiële talen, waarvan slechts twee met Europese oorsprong — het Engels dus, plus het Afrikaans, die wondermooie, zo vaak vermaledijde en misbruikte zustertaal van ons aller Nederlands.

Neem me niet kwalijk dat ik de versimpeling toch nog even doortrek, pour le besoin de la cause. Het fascistische Apartheidsregime hanteerde dus niet twee maar vier parallelle, op alle vlakken ongelijke rassenzuilen. Werelden met eigen scholen en transportsystemen, waarin zogenaamde ‘gescheiden ontwikkeling’ werd aangespoord en waar gemengd gedrag werd afgestraft, zoals reeds mag blijken uit de titel van de onlangs verschenen autobiografie van Trevor Noah, de Zuid-Afrikaanse stand-upcomedian die onlangs in New York de opvolger is mogen worden van talkshow-host John Steward van The Daily Show.

Born a crime, zo heet Noah’s boek. Want zijn geboorte uit een zwarte Xhosa-vrouw en een Duitstalige Zwitser was zelfs in 1984 nog exact dát. Een strafrechtelijk delict, volgens de zogenaamde ‘Moraliteitswet’, waarvoor zowel ‘de Europeër’ als de zwarte vrouw jarenlang in de gevangenis konden belanden. Al betekende het in de praktijk dat de man in kwestie een boete kreeg en de zwarte vrouw een verblijf in de bak.

Trevor Noah. Beeld Getty Images

In het park wandelen diende de piepjonge Trevor te doen aan de hand van een bevriende coloured vrouw, terwijl zijn echte moeder een eind achter hen aan drentelde. Beducht voor politiecontroles waardoor ze haar zoon zelfs voorgoed had kunnen verliezen.

Het was dit systeem dat door zijn uitvinders, zijn verdedigers en zijn presidenten als Hendrik Verwoerd en PW Botha meermaals werd omschreven als ‘good neighbourliness’. ‘Goede nabuurschap.’ U merkt het: de kunst van het wansmakelijke eufemisme is niet uitgevonden door adviseurs van Donald Trump. Reeds de eerste drie zinnen van Trevors Noah’s boek bieden een ietwat andere kijk. ‘The genius of Apartheid was convincing people who where the overwhelming majority to turn on each other. Apart hate is what is was. You separate people into groups and make them hate one another, so (that) you can run them all.’

Wie het met een half oog leest, denkt dat het handelt over het Europa van vandaag. Om van Amerika maar te zwijgen.

***

Terug naar de stadsschouwburg van Amsterdam. Ze bezit een een Ajax-balkon. Dat is geen verwijzing naar het beroemde stuk van Sophocles, maar naar het beroemde lokale voetbalteam. Het werd vroeger alleen opengesteld als AFC Ajax weer eens een beker had gewonnen die het wilde tonen aan een overvol en feestend Leidseplein, dat zich vlak vóór de Amsterdamse stadsschouwburg bevindt.

Telkens als ik het gebouw bezoek — voor een Boekenbal of een voorstelling — loop ik even langs dat Ajaxfoyer, met een hart dat tegelijk opgetogen is en bezwaard, vanwege de grote foto die er hangt. Ze toont Nelson Mandela in 1990, kort na zijn vrijlating en vier jaar vóór de eerste democratische verkiezingen in zijn geboorteland. Toch stond hij toen al op dat Ajaxbalkon te zwaaien naar een uitzinnige menigte die even groot was als toen Ajax voor de derde keer op rij de Europacup I won — de latere Champions League, zo heb ik me laten vertellen.

Dit keer echter waren de Amsterdammers niet komen opdagen om een beker te vieren. Ze vierden het einde van een fascistisch bestel door de vrijgelaten verzetsleider toe te juichen die zijn strijd had bekocht met het verlies van vele vrienden en een gevangenisstraf van zevenentwintig jaar, inclusief zware dwangarbeid en vaak folterend isolement.

Een gelijkaardige foto valt niet te bespeuren in onze prachtige Antwerpse Bourlaschouwburg waar ik deze lezing uit mag spreken. En ook niet in ons renaissancestadhuis, hier wat verderop, hoewel dat genoeg balkons bezit waarvandaan het goed roepen en zwaaien is naar extatische menigtes, zeker na gemeenteraadsverkiezingen. Nergens in Vlaanderen heb ik al zulke foto’s gezien.

Bij mijn weten heeft Mandela onze regio ook nooit bezocht.

Hád hij het gedaan, begin jaren negentig en zelfs later, lijkt de kans me klein dat hij en zijn toenmalige vrouw Winnie ook hier onthaald zouden zijn op een volksfeest. Gezien de geschiedenis van Vlaanderens relaties met het Apartheidsbewind en de architecten ervan — de Boeren, ook wel ‘Afrikaners’ genoemd — en dit zowel op economisch, strategisch, cultureel als historisch-ideologisch vlak, zou zulk volksfeest riskeren te worden overschaduwd door een tegenbetoging.

Of nee, vergeef me! Zo luidruchtig en rommelig zijn wij Vlamingen niet, wanneer de geschiedenis ons in het ongelijk stelt. Wij hadden onze hoge gast op datgene vergast waar we het best in zijn. Een verstikkende golf van zwijgende, lichtjes geïrriteerde, minachtende, superbeleefde maar alsnog balsturige en gemakzuchtige apathie. Moedwillige vergetelheid, verpakt als goed fatsoen. Zeg nu nog eens dat ik geen kaas heb gegeten van de Vlaamse identiteit.

Betogen is zilver, maar zwijgen?, dát is pas goud — om niet te zeggen: platina uit de Johannesburgse mijnen. Zeker in een havenstad waar de diamant en het Kaapse fruit al decennia mee de commerce dicteren.

Het gaat me, beste vrienden, niet alleen om die ene foto en dat ene bezoek. Het gaat me om heel Nederland en gans Vlaanderen. Vanwaar dat verschil, tot op de dag van vandaag?

Er is een Mandelabrug in — onder andere! — Woerden, Arnhem en Zoetermeer. Een Mandelapark in Almere, Haarlem en Hoorn. Een Mandelaplein in Den Haag, Breda en Leeuwarden. Een Mandelalaan in Schijndel, Zijst, Hellevoetsluis, Oss en Den Bosch. Een Mandelapad in Purmerend, Capelle aan den IJssel en Gestel. Akkoord, er bestaat slechts één Mandelaweg, in Roosendaal, maar er bestaan tal van Mandelastraten in onder andere Delft, Zaandam, Brunssum, Hengelo, Limbricht, Deventer, Culemborg, Spijkenisse en HeerHugoWaard. Amsterdam spant toch weer de kroon. Het heeft niet alleen een Mandelastraat, -pad én -park. Wie achter het Centraal Station met de veerboot het IJ oversteekt kan behalve aan het Filmmuseum ook een bezoek brengen aan ‘Herberg Het Nelson Mandela-Huisje’. Mandela is zelfs, geloof het of niet, ambassadeur geweest van de Nationale Postcode Loterij!

Een foto van Nelson Mandela aan de gevel van de Amsterdamse Stadsschouwburg, enkele dagen na zijn dood in december 2013. Beeld EPA

Je kunt dat opportunisme noemen, vooral van zijn kant. De Postcode Loterij investeert wereldwijd in Goede Doelen, dus gegarandeerd sinds dan ook ruim in Zuid-Afrika. Wie neemt Mandela die fondsenwerving kwalijk? Vanaf zijn vrijlating is dat internationaal steeds meer zijn belangrijkste rol geworden, vrees ik. De politicus van vlees en bloed werd, na meer dan een kwart eeuw van kerkering en een paar jaar van triomf, allengs alleen nog maar een rondreizend uithangbord en een humanistisch symbool, zonder scherpe kantjes en zonder storende kerfstokken uit het verleden. Een stukje wandelende hoera-geschiedenis waar men zich, in ruil voor aandacht en investeringen, lekker tegenaan mocht komen schurken. Zelfs Vincent van Quickenborne heeft op zijn bureau een foto staan van hemzelf naast een hoogbejaarde Nelson, afgedwongen tijdens een staatsbezoek in Pretoria, als Staatssecretaris van Bestuurlijke Vereenvoudiging.

‘Quickie’ hééft minstens die foto. Waarom heeft de rest van de Vlamingen zo weinig geschurkt, en al helemaal niet op eigen bodem? En al zeker niet in deze havenstad, die nochtans verzusterd is met Kaapstad, en die via hun beider haven onverminderd gulzig handel is blijven drijven én nog altijd drijft met de krachtigste economie van het Afrikaanse continent?

Hetzelfde Antwerpen dat de grootste stad is van een deelstaat waar menige bobo op menig zangfeest nog steeds het oude volkslied van Suid-Afrika uit volle borst meebrult, samen met een paar strofes van het Wilhelmus en De Vlaamse Leeuw. Maar waar officiële eerbetuigingen aan de beroemdste Zuid-Afrikaan aller tijden ontbreken. Er is hier in Antwerpen zelfs geen cul de sac vernoemt naar hem.

Ondanks de vele voorstellen, in de loop der jaren ingediend.

November 1986: het omdopen van twee bestaande straten naar Nelson Mandela- en Steve Bikostraat? Afgewezen. Februari 1989: aanvraag tot straatnaamwijzing van de Transvaal-, Pretoria-, Botha- en Krugerstraat naar respectievelijk de Soweto-, Sharpeville-, Biko- en Mandelastraat? Afgewezen. Mei 2007: voorstel om Krugerbrug van naam te wijzigen? Afgewezen. In 2009: voorstel om het Krugerplein in Borgerhout om te dopen tot Mandelaplain? Afgeketst.

De motivatie is altijd dezelfde. Er is ‘geen aantoonbare en specifieke link’ met onze stad. Daarom heeft Paul Kruger hier wél een straat, een plein en een brug. Hij kwam in 1886 op een Antwerps balkon staan zwaaien als president van de Transvaalsche Republiek, allicht om zowel aan de beginnende Vlaamse Beweging als aan de Franstalige bourgeoisie steun te vragen in zijn strijd tegen de Britse koloniale grootmacht tijdens de bloedige Anglo-Boerenoorlogen.

Foto’s van dat bezoek van ‘Oom Paul’ bestaan er niet, en ook het feit zelf is merkwaardig slecht gedocumenteerd, zelfs al keer je Google binnenstebuiten. Het enige wat er in Antwerpen van overblijft zijn eigenlijk die drie namen: een straat, een plein, een brug. Mandela is geen van die drie gegund, terwijl hier toch ook zát nieuwe straten bijkomen. Waarom? Wat voor etter broeit hier tussen vlees en vel?

Iedereen die nu meteen klaarstaat om mij — tussen twee bashingbeurten van het Gelijkekansencentrum UNIA in — naar het hoofd te slingeren dat deze vraag een even groot bagatel is als die hele discussie over Zwarte Piet, zou ik in alle rust willen antwoorden met een omkering. Natuurlijk gaan straatnamen om symboliek en peulenschillen. Maar als dit werkelijk zo’n peulenschil ís, waarom ga je als bestuur dan niet gewoon in op de vraag? Schouderophalend en hooguit met je ogen rollend om zoveel gedoe?

Omdat de ware vraag heel anders luidt. Waarom roepen dit soort kwesties, die vooraf nochtans steevast een bagatel worden geheten, toch telkens weer zo’n grote hoon op? Zo’n fanatieke weerstand en zo’n tastbare weerzin?

Pas op, ik wil ook niet generaliseren. De laatste jaren is er juist een voorzichtige kentering. Mandela wordt inmiddels wel degelijk geëerd in onder andere Hasselt, Wevelgem, Herentals, Koksijde, Oostende en Kortrijk.

Gent spant sinds kort de kroon, rond De Krook. Zo heet de gloednieuwe stadsbibliotheek die de antieke agora opnieuw wil uitvinden, interactief en kruisbestuivend en wel, in een ronduit schitterende architectuur. Daar dus bevindt zich, behalve een Nelson Mandelapromenade en een Miriam Makebaplein, ook een Albertina Sisulu- en een Steve Bikobrug. Er zou op de site van de Krook binnenkort zelfs een standbeeld komen voor Nelson. Bij mijn weten het eerste in Vlaanderen. Waarom niet? In andere Europese landen staan er al, en vaak op veel symbolischer plekken dan naast een hightech-bibliotheek in een gemeente die, hoe mooi en aangenaam ook, geen administratieve hoofdstad is.

25 september 2012. Nobelprijswinnaar voor de vrede en aartsbisschop-emeritus Desmond Tutu onthult in Den Haag een levensgroot bronzen standbeeld van Nelson Mandela. Het beeld, gemaakt door kunstenaar Arie Schippers, heeft een plaats gekregen op het nieuwe Nelson Mandelaplein voor het Catshuis. Beeld Inge van Mill/Hollandse Hoogte/Hollandse Hoogte

In Den Haag staat er een bronzen, meer dan drie meter hoge Mandela aan de President Kennedylaan. Niet ver van het Internationale Vredespaleis en ook niet ver van het Binnenhof met zijn Torentje, waarin de Nederlandse minister-president kantoor houdt.

In London spreekt de plek nog meer tot de verbeelding. Daar staat sinds 2007 een twee-en-een-halve meter hoge Mandela op Parliament Square, gelegen tussen de Houses of Parliament, de Supreme Court en Westminster Abbey. In 1986 had premier Margareth Thatcher in dit district nog een controversiële ontmoeting met de voorlaatste Apartheidspresident PW Botha, die ze naar verluidt niet kon luchten en wiens vraag ze afwees om het Londense ANC-kantoor (‘een terroristennest!’) manu militari op te doeken. Al bleef ze Botha’s regime voor de rest wel voluit steunen als een trouwe, hardnekkige bondgenoot tegen het communisme, net zoals haar voorgangers hadden gedaan. Apartheid werd door heel het Westen decennialang door de vingers gekeken en — ondanks allerlei boycots op het eind — vaak ook ruim gefaciliteerd, als pasmunt voor de politierol die haar bedenkers en behoeders in de Koude Oorlog speelden, tijdens de Frontoorlogen in buurlanden als Mozambique en Angola.

Bloemen aan het standbeeld van Mandela in Londen, na zijn overlijden. Beeld Getty Images

Reeds in 1990, niet toevallig amper een jaar na de Val van de Muur in Berlijn en de implosie van de Sovjet-Unie, ontmoette Thatcher in ditzelfde centrale district ook de pas vrijgelaten Nelson Mandela — dat moet wellicht dus voor of na zijn bezoek aan Amsterdam zijn geweest. Ze zegde hem haar steun toe bij de komende onderhandelingen op zijn thuisfront, op voorwaarde natuurlijk dat Nelson zou stoppen, zoals Thatcher zei, ‘with all that nonsense about nationalising the banks and mines of South Africa.’

Een paar maanden later was Thatcher premier af. Het zou ook nog vier jaar van getouwtrek en bijna-burgeroorlog duren alvorens Mandela als president zijn intrek kon nemen in zijn ambtswoning — het zogenaamde Tuynhuys, gelegen aan de ‘Kompagniestuin’, dit keer in het hart van Kaapstad.

De Kompagniestuin is een prachtig park waarvan de aanleg teruggaat op de eerste activiteiten van de ondernemerstrots van het zeventiende-eeuwse Nederland, de Verenigde Oost-Indische Compagnie. In haar opdracht voer Jan van Riebeeck in 1652 op zijn schip De Drommedaris de Tafelbaai binnen. Aanvankelijk alleen maar om aan de voet van Tafelberg een ravitailleringspost uit bouwen voor verse groenten, fruit en kleinvee, teneinde scheurbuik te vermijden op de lange vaart naar de kolonies en handelspartners in het verre Oosten.

Van Riebeecks standbeeld en dat van zijn meegereisde vrouw, Marie Quellerie, staan nog altijd levensgroot en onaangeroerd te pronken op de Heerengracht. Niet die van Amsterdam maar die van Kaapstad. En Mandela staat inmiddels — ik zou bijna zeggen: in ruil — in brons vereeuwigd nabij het Torentje in Den Haag en vlak vóór het parlement in Londen.

Wat belet onze trotse Vlaamse regering om ook een bronzen Mandela te plaatsen? Vlak vóór de ambtswoning van onze minister-president aan het Martelarenplein? Een plein voor martelaren zou een meer dan toepasselijke locatie zijn voor iemand die 27 jaar in de bak heeft gezeten. Voor het grootste deel daarvan met instemming en zelfs regelrechte steun van bijna alles en iedereen die toentertijd in Vlaanderen naam en faam bezat. Want een ‘directe link’ met Mandela mag dan zogezegd ontbreken, indirect zijn de banden van Vlaanderen met een deel van Zuid-Afrika niet gering.

Lang niet altijd ten kwade, overigens.

En ook lang niet alleen van recente datum.

Daarvoor moet ik u echter meenemen, ver terug in de tijd.

Ik had het eerder al over de Anglo-Boeren Oorlogen, aan het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw. Het machtige Britse Imperium was eerst maar matig geïnteresseerd in de verafgelegen ravitailleringspost aan de Kaap, die ondanks zijn enorme hinterland weinig tot niets opbracht. Daar kwam verandering in toen in de jonge Boerenstaten — de Transvaalse Republiek en Oranje Vrijstaat, gesticht door ver het binnenland ingetrokken Afrikaner-kolonisten — eerst diamant werd ontdekt, en later sommige van de grootste goudaders ter wereld.

In een eerste stadium kregen de veroveringszuchtige Britten, onvoorbereid en arrogant zelfverzekerd als ze waren, flink op hun donder van de verbeten Boeren, die zich met de opbrengst van hun mijnen fors en modern hadden bewapend. Ook bleek Paul Kruger een veel geslepener strateeg te zijn dan zijn koddige, slonzige voorkomen en zijn barse, lompe taal deden vermoeden. Hij liet de Britten belegeren, in plaats van omgekeerd, en dat zelfs in drie steden tegelijk: Kimberley, Ladysmith en Mafeking. (Liefhebbers van het Amerikaanse kindsterretje Shirley Temple zullen die laatste stad kennen uit de film The Little Princess (1939), waarin het uiteindelijke ontzet van Mafeking uitbundig wordt gevierd in het Edwardiaanse Londen. De verzetsheld van Mafeking was trouwens Robert Baden-Powell, de latere stichter van de scoutsbeweging.)

Voor het tij in hun voordeel keerde werd de vernedering van de Britten in de salons en cenakels van het Europese vasteland ontvangen op leedvermaak en feestvreugde. De represailles van de gekwetste imperiale Engelsen waren navenant bikkelhard. Er werd een reusachtige troepenmacht naar Zuid-Afrika gezonden en de nieuwe generaals, onder wie Lord Kitchener, kregen het bevel om koste wat het kost de Boeren te verslaan, ongeacht verliezen of middelen.

Zij, de Boeren, stonden onder leiding van jonge en briljante generaals als Christiaan de Wet, Koos de la Rey en Jan Smuts. Tegen een overmacht vechtend vonden zij een nieuw type oorlogsvoering uit, die pas later in een ander tijdvak zijn vaste naam zou verwerven. Guerrilla. Opererend in kleine commando’s, altijd te paard en gewapend met accurate vuurwapens, en bevoordeeld door hun terreinkennis en hun wendbaarheid, brachten ze de Engelse troepen opnieuw zware verliezen toe zonder er zelf al te veel te lijden.

De getergde Britten antwoordden met wat volgens vele historici de uitvinding was van de concentratiekampen. Daarin werden de achterbleven families van de Boeren samengedreven. In hoofdzaak vrouwen en kinderen dus, en niet zelden nadat hun boerderijen achter hen in brand waren gestoken, samen met de gewassen op de velden, alleen verschroeide aarde achterlatend. Een steek in het hart van iedereen die zich boer wil noemen.

In de kampen lag het dodental schrikbarend hoog, door ontbering, ziekte, de ongenadige weersomstandigheden en de moedwillige verwaarlozing door de Britten. Bronnen gewagen van een letterlijke decimering. Je moet niet lang zoeken op het net om foto’s te vinden van uitgemergelde Boerenkinderen en –vrouwen. Niet uit 1945, in Duitse vernietigingskampen, maar begin de jaren 1900, in kampen gebouwd door de Britten.

De gedemoraliseerde Boerencommando’s werden steeds meer opgejaagd en ingesloten met gigantische prikkeldraad- en andere versperringen. Zo werden ze ten slotte tot overgave gedwongen, groep na groep. De laatste strijders noemden zichzelf ‘de bittereinders’. Ze spraken met minachting over de ‘hensoppers’: zij die met hun ‘Hands up’ naar de vermaledijde Engelsen waren toegestapt en zo hun volk hadden verraden, zonder de vele opofferingen te wreken. De ‘joiners’ waren nog erger.

Die waren tijdens de oorlog van kamp veranderd, en namen deel aan gevechten tegen hun vroegere Boeren-buren.

Wie meer wil weten over deze helaas fascinerende oorlog, die in vele opzichten gelezen kan worden als een repetitie voor de gruwelen van de beide twintigste-eeuwse wereldoorlogen op Europese bodem, kan ik het fantastische boek aanraden van Martin Bossenbroek, recent verschenen en simpelweg De Boerenoorlog genaamd. De research en de uitwerking zijn overweldigend. Met slechts één manco. Je leert nagenoeg alles over de betrokkenheid ván en de steuncampagnes ín Nederland, maar niets over België. Ook niet over Vlaanderen, dat zich in diezelfde periode begon te ontbolsteren dankzij de Vlaamse Beweging.

Die steun was niets uitzonderlijks. In bijna heel Europa bestond sympathie voor de ‘Boerencommando’s’ in hun strijd tegen het Britse Imperium. Er straalde iets wild romantisch van de Boerencommando’s, vereeuwigd in vele foto’s die een kruising laten zien tussen cowboys, outlaws en religieuze hardliners, getooid met baarden en grote hoeden, behangen met patroonhouders en pronkend met hun moderne geweren en pistolen.

Je kunt het een beetje vergelijking met de sympathie die in de jaren zestig en zeventig zou heersen voor de Zuid-Amerikaanse ‘campesinos’ — ‘landbouwers’, om niet zeggen ‘boeren’. In hún verzet tegen wat toentertijd steevast ‘het imperialisme’ werd genoemd. Het zou niet moeilijk zijn, tenzij ideologisch, om Che Guevara met terugwerkende kracht in de afbeelding van zo’n Boerencommando te fotoshoppen. De Havanasigaren ontbreken, maar de vurig-machistische blik is dezelfde.

In het politiek ontwakende Vlaanderen van rond de voorvorige eeuwwisseling zinderde in de sympathie een dubbele snaar extra mee. Men herkende in het verzet van de Boeren het eigen verzet tegen een imperiale grootmacht. De Vlaming werd immers verknecht door die andere grote speler op het wereldtoneel: de Franse cultuur en haar hegemonie in het officiële België. En bovendien spraken die Boeren een soort Nederlands, in een tijdvak waarin de leuze ‘De taal is gansch het volk’ opgang begon te maken.

De verwantschap — al dan niet illusoir, en al dan niet ‘stamverwantschap’ dan wel ‘bloedverwantshap’ genoemd — werd nog vergroot door de plaatsvervangende verontwaardiging om de brutaliteit waarmee de Britten een broedervolk aan de andere kant van de wereld uitroeiden en onder de knoet brachten. Het verklaart de grote steun, moreel maar ook financieel durf ik te wedden, die Paul Kruger ook vanuit Vlaanderen mocht ontvangen.

Hoe diep en langdurend die gevoelens van afkeer jegens de Britten duurden, kan ik aantonen met een anekdote die twee grootheden onverwachts samenbrengt in een wat knullige Antwerpse sketch, te mooi om hem hier onverteld te laten.

De hoofdrolspelers zijn niet Gaston en Leo, maar Winston Churchill en Willem Elsschot.

Churchill is, samen met Mahatma Gandhi, Cecil Rhodes, J.R.R. Tolkien, Baden-Powell, Miriam Makeba, Steve Biko, Desmond Tutu en Nelson Mandela zelf, een van die vele historische iconen wier opgang en beroemdheid onlosmakelijk verbonden zijn met Zuid-Afrika. Meereizend als krantencorrespondent, zeg maar: embedded avant la lettre, was hij op een militaire transporttrein betrokken bij een Boeren-aanval die hij eigenhandig hielp afslaan. Een daad van dapperheid die hij niet naliet in geuren en kleuren en opnieuw eigenhandig te beschrijven in zijn krant, in een artikelenreeks die het begin zou vormen van zijn roemruchte carrière, waarin hij zich wel meer met wapengekletter zou omringen. Hij nam bijvoorbeeld in 1898 in uniform deel aan het bloedbad in Omdurman, waar tijdens de gelijknamige veldslag de gloednieuwe machinegeweren van Maxim Hiram voor het eerst in de geschiedenis hun gruwelijke efficiëntie zouden bewijzen. Op een paar uur tijd stierven meer dan tienduizend Soedanezen en raakten er zestienduizend zwaargewond, onder een spervuur van naar schatting een half miljoen kogels.

Later, in de jaren twintig, zou Churchill als Minister van Koloniën volgens vele bronnen de eerste gasaanval na de Eerste Wereldoorlog bevelen. Zij het buiten Europa — in het huidige Irak, nota bene. Elke poging tot dekolonisatie kon rekenen op zijn minachting. Zo beschimpte hij bij iedere gelegenheid Mahatma Gandhi, liefst in het openbaar, onder andere als ‘die halfnaakte fakir’, om alvast de lachers op zijn hand te krijgen. Het werd een seriële belediging die doet denken aan die van Donald Trump — ‘Crooked Hillary’, ‘the fake media’, ‘Lying Ted’. Het blijft hoe dan ook een van de ironische grillen van de geschiedenis dat de man die alom geprezen wordt voor het weerstreven en ten slotte verslaan van de nazi’s en hún kampen, als propagandist en militair zelf gretig mee heeft gevochten aan de zijde van wie de concentratiekampen heeft uitgevonden in the first place.

Door zijn rol in de Boerentragedie werd Churchill in de vroege Vlaamsgezinde kringen nooit bijzonder geliefd. Bij het collaborerende segment werd hij dat tijdens de Tweede Wereldoorlog uiteraard nog veel minder.

Toen hij direct na de Tweede Wereldoorlog verrassend genoeg zwaar electoraal werd verslagen door oppositiepartij Labour, weigerde hij verbitterd de voor ex-premiers gebruikelijke Orde van de Kousenband en keerde hij zijn vaderland zelfs een tijd lang de rug toe. Tijdens zijn omzwervingen als oorlogsvedette belandde hij al snel ook in Antwerpen. Híj wel — dus we hebben in onze haven een dok liggen dat naar hem is vernoemd, hoewel er verder opmerkelijk weinig zijn naam draagt. Maar dit terzijde.

Met het oog op de feestelijke ontvangst op het stadhuis vraagt de legendarische burgemeester Camille Huysmans aan de op dat moment meest geëerde Antwerpse schrijver om een hommage te schrijven die moet worden uitgesproken bij het overhandigen van een cadeau aan de beroemde schrijver-politicus die de evenknie is van Roosevelt, Stalin en De Gaulle. Het zal wel aan de naoorlogse schaarste hebben gelegen, maar het cadeau bestond uit een inktpot. Ik vertel het verhaal uit mijn geheugen na, omdat ik de prima Elsschot-biografie van Vic van de Reijt in Kaapstad heb laten liggen — zo gaat dat, met een bibliotheek die is verdeeld geraakt over twee continenten, terwijl haar verwende, decadente bezitter niettemin een blijvend geloof koestert in het papieren boek.

Tot verbijstering van Camille Huysmans weigert Elsschot de opdracht, omdat hij als gemátigd en democratisch Vlaamsgezinde toch al niet veel moet weten van heel die praatjesmakende Winston Churchill, die bovendien een voorstander was van nucleaire bewapening. De pacifist en humanist in Elsschot gruwde van dat opbod. Ook in zijn geboorteland was Churchill overigens niet altijd zo populair als de recente hagiografie van Boris Johnson ons wil doen geloven. Het is dan ook een wensdromend boek dat meer over Boris Johnson gaat dan over zijn onderwerp. Ook bijvoorbeeld de formidabele auteur van Brideshead revisited, Evelynn Waugh — bepaald geen socialist, maar een prima gepekelde conservatief en katholiek — heeft levenslang zijn afkeer uitgesproken voor wat hij nu ongetwijfeld ‘een opgeblazen mediacreatuur’ zou noemen. Om niet te zeggen: ‘een soort Boris Johnson’.

Winston Churchill. Beeld photo_news

Burgemeester Huysmans herinnerde auteur Elsschot eraan dat hij in het werkelijke leven als Alfons de Ridder menige reclame-opdracht van de stad kreeg. Het milde dreigement werkte. Elsschot schreef een hommage aan Churchill. Maar ze was zo kort en zo ironisch droog dat ze net zo goed een aanbeveling uit Boormans Wereldtijdschrift had kunnen zijn.

En zo kreeg Churchill — de huidige Moeder Teresa van heel rechts Europa — in Antwerpen als eerbewijs een inktpot, een nietszeggende speech en een verafgelegen dok dat met de auto amper te bereiken valt.

Het is mijn aanvoelen dat de verwantschap die alle Vlaamsgezinden dubbel en dwars koesterden voor de Boeren toen die het slachtoffer waren van onderdrukking, later bij velen is blijven voortbestaan. Ook toen de Boeren in 1948 zelf de architecten werden van een brutaal onderdrukkende politiestaat. Toen de racistische Afrikaners wereldwijd werden uitgespuwd en veroordeeld tot in de Verenigde Naties, leek de blinde steun uit Vlaanderen nog te verharden, zoals iemand die tegen weten in een geliefd familielid blijft verdedigen, zelfs des te heviger naarmate de aanvallen toenemen.

Daar komen twee verklarende factoren bovenop. Een deel van de flamingantische collaborateurs was direct na de oorlog niet naar Buenos Aires gevlucht, maar naar Zuid-Afrika, waar ze vaak warm werden ontvangen door extreemrechtse organisaties uit het broedervolk, zoals bijvoorbeeld de nazaten van de beruchte Ossewa Brandwag. Ook zonder die contacten leverde hun verblijf additionele en politiek hechte banden op tussen een deel van de Vlaamse en een deel van Afrikaner bevolking.

Ten tweede: met de komst van de Koude Oorlog, waarvan het begin grofweg samenvalt met de oprichting van het Apartheidsregime in 1948, kwam er gaandeweg ook de strijd tegen het communisme bij, ook op het Afrikaanse continent. De flaminganten en zeker de voormalige Oostfronters onder hen, die zich slachtoffers waanden van een ‘repressie’ — ik ken geen land ter wereld waar het veroordelen van nazi-collaborateurs repressie heet — begonnen samen met hun families een bitter gelijk op te eisen. Ze hadden in Stalingrad en omstreken vooral de goddeloze Sovjethorden willen stoppen. Dat ze daarvoor tegelijk de nazi’s hadden gesteund, leek op de koop toe te gelden. Het ergere kwaad was Stalin geweest, en voor die Salomonskeuze bleken ze nu overschot van gelijk te krijgen.

Deze dubbelslachtige verdediging werd nu gespiegeld naar Zuid-Afrika. De Apartheid was misschien niet ideaal, maar onvermijdelijk wilde men de communistische horden van SWAPO, FRELIMO een halt toeroepen, en heel in het bijzonder het ANC van ‘terrorist Mandela’. Pas als dat gebeurd was, kon men —voorzichtig en mondjesmaat — sleutelen aan de Zuid-Afrikaanse maatschappij.

Zo werd de strijd tegen het communisme andermaal het excuus om een segregationistische maatschappij door dik en dun te verdedigen.

Die steun ging in Vlaanderen veel verder dan in de meeste landen. Al haast ik me om te benadrukken dat lang niet alle Vlaams-nationalisten erin mee gingen. Mijn respect is groot voor een aantal progressieven onder hen, zoals mijn voormalige stadsgenote Nelly Maes, die als nestbevuiler en verrader danig onder vuur uit eigen kring kwam te liggen in die dagen. En er waren niet te vergeten ook anti-Apartheidsbewegingen in Vlaanderen. Ze konden echter allesbehalve rekenen op dezelfde ampleur als hun zusterorganisaties in de buurlanden.

Het meest opvallende pro-Apartheidsorgaan van Vlaanderen was Protea, vernoemd naar een prachtige Zuid-Afrikaanse bloem. Deze lobby-machine werd opgericht in 1977, kort na de moord op Black Consciouness-activist Steve Biko en ook een jaar na de bloedige revoltes in Soweto, een van de grootste townships van Johannesburg, waar twintigduizend schoolkinderen hadden geprotesteerd tegen de plotse invoering het Afrikaans als verplichte taal in het zogenaamde Bantoe-onderwijs. Tijdens de bloedige repressie ervan — ik gebruik het woord met opzet — werden volgens de politie 176 en volgens latere onderzoekingen bijna 700 kinderen gedood. Onder wie Hektor Pieterson, bekend van een foto die even iconisch werd als die van het verbrande Vietnammeisje uit hetzelfde tijdvak.

Tegen de daaropvolgende internationale woede in wilde Protea ‘objectieve informatie’ verschaffen over Zuid-Afrika om het zodoende te beschermen tegen ‘communistische bedreigingen’, lees: het ANC van de gevangen zittende Nelson Mandela. Het was overigens in die periode in Zuid-Afrika al verboden om van hem een foto te bezitten. Het is maar wat je objectief noemt.

De grootste faam zou Protea verwerven tijdens hun zogenaamde ‘boycott-busting’, nadat in 1986 een wapenembargo in de Verenigde Naties (Resolutie 591) unaniem was aanvaard tegen Zuid-Afrika. Er kwam ook een sportieve, culturele en handelsboycot. Protea daarentegen zette juist alle middelen om, ik citeer nu Wikipedia, ‘de handel tussen de Lage Landen en Zuid-Afrika te promoten’.

In de praktijk bestonden die Lage Landen in hoofdzaak uit Vlaanderen, want in Nederland — dat zich erg aangesproken voelde, als ‘thuisland’ van de oorspronkelijke blanke kolonisten — was er een massale en vaak radicale Anti-Apartheidsbeweging opgekomen. Net als in het Verenigd Koninkrijk, waar men zich aangesproken voelde als lid van het Gemenebest, waarvan ook Zuid-Afrika deel had uitgemaakt. Weliswaar slechts tot 1961, toen het juist vanwege de Apartheid uit de organisatie was gestoten.

Pas na de eerste democratische verkiezingen van 1994 mocht Zuid-Afrika opnieuw toetreden.

In Vlaanderen werd een van de stichtende Protea-leden, Léon Rochtus — een oud-directeur van de bank van Parijs en de Nederlanden — vanwege de anti-boycot-activiteiten van Protea bekroond met de hoogste onderscheiding van het Apartheidsbewind. De Orde van de Goede Hoop. Ik zei het eerder: het wansmakelijke eufemisme bestaat al langer dan vandaag.

Ook andere stichtende leden behoorden tot de fine fleur van de Vlaamse bevolking — ambtenarij, universiteiten, de industrie, de politiek, het bankwezen. Ofschoon ze in hoofdzaak, en zacht uitgedrukt, hoogst zelden afkomstig waren uit kringen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet hadden gezeten.

Ik noem er hier slechts een handvol:

André Vlerick, vicevoorzitter van de Kredietbank, professor economie aan de Rijksuniversiteit van Gent, ooit minister van financiën;

Clem De Ridder, voorzitter van het katholieke cultuurnetwerk Davidsfonds;

Karel Demeulemeester, algemeen-directeur van de invloedrijke pechverhelpingsorganisatie VTB-VAB;

Karel Dillen, stichtend voorzitter-voor-het-leven van het Vlaams Blok, in dien hoofde achtereenvolgens ook volksvertegenwoordiger, senator en Europees parlementslid;

Bob Maes, senator voor de Volksunie en stichter van de later buiten de wet gestelde en vaak gewelddadige privémilitie VMO, de ‘Vlaamse Militanten Orde’.

Het was op het verjaardagsfeest van deze laatste Bob Maes dat Ben Weyts en Theo Francken in 2014 acte de présence gaven, als kersvers Vlaams Minister en federaal Staatssecretaris. De deining daarover wezen ze fel af. Weyts: ‘Bob is een zeer verdienstelijk Vlaams-nationalist, op en top idealist en democraat. Is extreem-links zo hopeloos geworden dat ze zulke onbenulligheden tot politieke rel willen maken?’ Francken: ‘Dit is een onaanvaardbare heksenjacht tegen een 90-jarige.’ Niettemin werd de druk zo groot, ook vanwege de liberale Franstalige coalitiepartner MR, dat Francken zich in het federale parlement snel en halfslachtig kwam verontschuldigen ‘voor de ontstane perceptie’, waarna de tegenwind ging liggen.

Bob Maes. Beeld rv

Wat mij het meeste trof in deze crisette met haar voorspelbare afloop was dat niemand van pers of oppositie het oprichten van Protea ook maar vermeldde als een van de bedenkelijke wapenfeiten op het palmares van Bob Maes.

Misschien ben ik het, die in een zoveelste vapeur vanwege mijn warmbloedigheid de impact van Protea overschat. Toen en nu. Sta me echter toe dat ik zulk vermoeden probeer te counteren met weer een voorbeeld uit onze literatuur, dankzij een auteur die vandaag de dag ten onrechte in de schemerzone van de bekendheid is beland. Ook hij is nog in leven, ook hij is inmiddels in de negentig. Aster Berkhof. Zijn meesterwerk, geschreven na een reis door Zuidelijk Afrika, verscheen in 1972 en heet Het huis van Mamma Pondo. Het is een aangrijpende aanklacht over een zwarte familie die in Sophiatown woonde, een hyperdiverse wijk nabij Johannesburg. Op 9 februari 1955 trokken tweeduizend politieagenten, gewapend met revolvers, geweren en knuppels, er binnen om alle zwarte families te verwijderen, ingevolge de ‘Natives Resettlement Act’ van 1954. In de loop van de acht jaar daarna werden de meeste behuizingen afgebroken en heropgebouwd, ‘slegs vir blankes’. De regering verwijderde ook de naam Sophiatown van alle plattegronden en herdoopte de nieuwe wijk met de naam ‘Triomf’. What’s in a name, if not ideology? Wie wil weten hoe het er tegenwoordig aan toegaat, kan ik het huiveringwekkende prachtboek aanraden van Marlene van Niekerk, die voor haar meesterwerk over de inmiddels verpauperde witte Afrikaners die leven in het voormalige Sophiatown diezelfde titel koos: Triomf.

Ook elders, in Kaapstad bijvoorbeeld, werden gemengde wijken met geweld ontruimd en platgegooid om plaats te maken voor blanke kolonisten.

Bij zijn verschijnen in ’72 kwam Het huis… terecht in de ideologische cakewalk van de Koude Oorlog en zijn artistieke verkaveling tussen mordicus pro en mordicus contra, louter vanwege de politieke inhoud.

Een collega-auteur als André Demedts was bijvoorbeeld niet gecharmeerd. Hij recenseerde voor de Standaard toen die krant nog dagelijks op de één het embleem van de IJzertoren afdrukte, ‘Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus’. Demedts trok het waarheidsgehalte van Het huis… in twijfel en vond dat Berkhof het had moeten opnemen voor ‘een volk, dat ons in de natuurlijke orde der dingen nader ligt dan het andere, en dat ons bovendien nooit iets heeft aangedaan.’ U mag driemaal raden van welke organisatie Demedts een prominent journalistiek lid werd. Protea.

Wie vandaag de dag op het net zoekt naar Het huis van Mamma Pondo vindt bijna uitsluitend positieve reacties. Toch steken er nog steeds enkele bijzonder negatief bovenuit. Ik citeer kort uit ééntje: ‘De personages zijn simplistisch — elke neger is een goede, elke blanke een slechte. De inhoud krioelt van de onwaarheden, eigen aan partijbladen van de Kommunistische Partij of de Partij van de Arbeid. De Apartheid zelf is een communistische leugen. Dit was al mijn visie na het lezen van Zondebok Zuid-Afrika van senator Wim Jorissen, Berkhof heeft mijn opinie versterkt.’

U mag drie keer raden van welke organisatie de genoemde Wim Jorissen, een senator voor wijlen de Volksunie, de mede-oprichter en de ondervoorzitter was. Protea. Dankzij Jorissen kunnen we de denkbeelden die toentertijd in een groot stuk van Vlaanderen heersten aftoetsen, want ik bezit een exemplaar van het ruimverspreide Zondebok Zuid-Afrika. Een positieve balans (1980, Uitgeverij Lannoo). Het bevat een aantal behartigenswaardige nuanceringen en beschrijvingen, maar de algemene toon is paternalistisch, laat-koloniaal en lachwekkend leugenachtig.

‘Zuid-Afrika is helemaal niet het racistische land dat de antipropaganda ons afschildert.’ ‘Ja, er ís het tragische geval van Steve Biko geweest, zonder twijfel gestorven na politiegeweld. Het feit dat men zo op dat geval is gesprongen bewijst op zichzelf reeds dat ze niet talrijk zijn.’ ‘Uitzonderingen daar gelaten heerst in Zuid-Afrika rust en zijn de verhoudingen van blank en zwart betrekkelijk goed. Al die kritiek in de wereldpers schijnt de zwarte niet bovenmate te beïnvloeden. Wezenlijk gelooft hij wat de blanke gelooft. Dat men het op zijn land heeft gemunt, want hij voelt even patriottisch als de blanke, en dat men hem slechts gebruikt als voorwendsel.’ ‘Om al de redenen waarvoor de Sovjet-Unie Zuid-Afrika wil uitschakelen, zou het Westen Zuid-Afrika moeten steunen.’ ‘Uitzonderingen niet te na gesproken werd de zwarte nooit slecht behandeld.’

Tot slot: ‘Wat de meeste blanken bedoelen onder Apartheid — parallelle ontwikkeling of pluralisme — is niets anders dan dat elk volk zijn eigen onafhankelijkheid krijgt om zijn eigen identiteit te ontwikkelen. Het is volksnationalisme. De blanken hebben de zwarte volkeren doelbewust deze volksnationale idee geschonken. Alle zwarte cultuuruitingen — dansen, liederen en zo meer — werden door de blanken sinds lang op film of band opgenomen.’ En: ‘Zuid-Afrika heeft ernstig geëxperimenteerd om oplossingen te vinden voor staatsstructuren die passen bij zijn onderscheidene volkeren en stammen. De dwaze anti-Zuid-Afrikacampagne heeft tot nu toe belet dat men dit zag. Het volksnationalisme en de maximale uitbouw van een eigen onafhankelijke structuur voor elk volk is één van de positieve oplossingen die het land ons biedt.’

Wie durft beweren dat deze denkbeelden uit 1980 in het Europa van vandaag de dag geen enkele weerklank meer vinden? En waarom is het altijd weer alleen Jean-Paul Sartre die zich, terecht overigens, met terugwerkende kracht moet verantwoorden voor zijn vergoelijking van het Stalinisme en zijn goelags? Iets waarvoor Sartre trouwens toentertijd al, als ik me niet vergis, flink op de korrel werd genomen door George Orwell en Albert Camus.

Wanneer eisen we hetzelfde mea culpa van de nazaten van alle geleerde wegkijkers en academische vergoelijkers van de toenmalige kolonels- en generaalsregimes in zuidelijk Europa, met hun wurgstoelen, hun doodseskaders en hun latere zwijgwetten? Veel beter dan het openlijk racistische Boerenbewind in Pretoria waren ze niet. Ook daarover hoor je in hoofdzaak een dogmatische stilte, tot de dag van vandaag.

Ik begon mijn lezing met een simplistische maar onthullende vergelijking tussen Nederland en Vlaanderen, voor wat betreft het aantal straten en pleinen die vernoemd zijn naar Nelson Mandela. Antwerpen, eeuwige doorvoerhaven van Zuid-Afrikaanse waren en zusterstad van míjn tweede thuishaven Kaapstad, telt er niet één. Het zij zo. Ik wil al geen verse plein- en straatnamen meer. Ik hoop op iets fundamentelers: ‘awareness.’ Kennis en nuchter besef. Het tegendeel van feiten wegmoffelen door er collectief over te blijven zwijgen. De eeuwige Vlaamse omerta die Hugo Claus al zo treffend beschreef in Het verdriet van België.

Ik hoop om te beginnen dat zulke poging tot meer kennisverwering nu eens niét op voorhand door driekwart van onze excellenties wordt afgeschoten met de stoplap: ‘Ik ga mij hier geen schuldcomplex laten aanpraten.’ Wie zo’n zin als gebruikt als mantra, wéét dat er vele hoofden zijn waarop veel boter past, en probeert dat feit alleen maar op voorhand te verdoezelen.

Ik hoop voorts dat de journalisten en hun diensthoofden van de VRT eindelijk ingaan op de vraag die ik al meermaals op hun buis heb gesteld. Klopt het dat voorganger BRT in 1976 het Apartheidsregime — oh ironie! — kleuren-tv is gaan leren maken? Ondenkbaar is het niet. Ook de toenmalige administrateur-generaal Paul Vandenbussche was een prominent lid van, u raadt het, Protea.

Zo ja: wie waren die journalisten, is er een weerslag van hun ervaringen? Klopt het dat ze na drie maanden in plaats van na zes maanden al zijn teruggekeerd? Omdat ze door de uprisings in Soweto waren gedegouteerd, omdat ze zich misbruikt voelden door het regime of omdat ze geen reportages mochten maken over het leven in de townships en de ‘tuislande’.

Voor Hektor Pieterson, de gedode jongen die ik eerder vermeldde, staat in Johannesburg een afzonderlijk museum, niet ver van het indrukwekkende Apartheidsmuseum. In beide gebouwen zijn oude televisiebeelden te zien. In beide gevallen denk ik, ook maar een Vlaming onder de Vlamingen: ‘Hingen die van ons er tussen, ja of nee?’

En waarom weten we dat nog altijd niet met zekerheid?

En jazeker, lààt ons ook in alle openheid eens discussiëren over de erfenis van ‘Tata Madiba’, en de corrupte handen waarin zijn droom is terechtgekomen. Huidig president Jacob Zuma bezit geen grein morele statuur meer. Het ANC is onder zijn desastreus beleid finaal van een bevrijdingsbeweging veranderd in een aderverkalkte, aan de top corrupte machtspartij, die terecht electoraal terrein verliest. Mij gaat dat nog niet snel genoeg — maar ik heb daar niets over in de pap te brokkelen. Ik heb nooit onder Apartheid moeten leven, dus ik weet niets af van de dankbaarheid die veel van mijn zwarte vrienden blijvend voelen voor de partij, terwijl ze vloeken op haar huidige leiders en hopen op betere, binnenkort.

En ja, er is goddank tegenwoordig steeds meer kritiek op Mandela, zeker vanwege de jonge gasten, de vele journalisten en intellectuelen die geen blad voor de mond nemen en die de Zuid-Afrikaanse pers zo spannend maken.

Mandela’s heiligenstatus en zijn Walt Disney-achtige aaibaarheid als pluchen verzoeningsteddybeer met de brede glimlach en het grijze kroeshaar, brokkelen eindelijk af en maken plaats voor een veel realistischer beoordeling van de politicus Mandela, die fouten hééft gemaakt. Hij heeft onder andere misschien iets té veel heeft geluisterd naar Margareth Thatcher en haar aanbevelingen. De keerzijde is dan weer dat de top van het huidige ANC ontdekt heeft hoe het zijn eigen falen kan verdoezelen: alles is allemaal alleen maar de schuld van Mandela en zijn slechte onderhandelingen!

Een zondebok is altijd handig voor wie aan de lopende band zelf bokken schiet.

En jazeker, het ANC is eigenlijk een kartel, en in dat kartel zít behalve een grote vakbond ook een echte, hoewel steeds kleinere, communistische partij. Maar kunnen we daar alsjeblieft eens wat minder simplistisch over doen? Bij de recente dood van Fidel Castro kwam er van alles over de man op tafel te liggen, vooral à charge en een beetje à décharge. Ik begrijp dat, ik heb ooit Cuba bezocht, lang genoeg om te weten dat ik het daar geen jaar zou uitvogelen zonder in de bak vliegen. Al heeft dat niets te maken met de nonsens die Gwendolyn Rutten vertelt over homo’s, Cubanen zijn in die regio juist de meest verdraagzamen. En akkoord, als links-liberaal en Alfa Romeo-fanaat ben ik uiteraard geen fan van ál te veel communisten in mijn buurt, maar vele zwarten in Zuid-Afrika spreken over de Cubanen zoals mijn ouders en grootouders spraken over Canadezen: bevrijders!

Nergens heb ik dat hier in de kranten gelezen, na de dood van Castro. Cuba steunde de strijd tegen Apartheid met vijfendertigduizend soldaten. Zij forceerden in Angola de eerste grote nederlaag van het Zuid-Afrikaanse leger, tijdens Operación Carlota. Jazeker, allemaal in het kader van de Koude Oorlog, met wreedheden over en weer — maar wat deden wíj?

Wie van ons durft nu oog in oog te staan met zwarte Zuid-Afrikanen, om te herhalen wat er in diezelfde periode bij ons door de elites werd geschreven en verdedigd in Zondebok Zuid-Afrika?

En ja, absoluut: het ANC heeft onder leiding van Mandela een aantal aanslagen gepleegd en gratuit geweld gebruikt. Net zoals Winston Churchill in menige kolonie, of nationalistische IRA-kopstukken als Martin McGuinness in Ierland, of zionisten in Israël zoals de latere premier Menachem Begin, al wordt hún dat hier te lande heel wat minder aangerekend. Maar pas op, ik wil daar niet kwezelachtig over doen. Ik vind dat er veel te snel wordt verwezen naar het ANC om te concluderen dat een gerechtvaardigde bevrijdingsbeweging zomaar het recht bezit om wát voor geweld dan ook aan te wenden. De gewapende vleugel van het ANC, ‘Umkhonto we Sizwe’ (‘Speer van de Natie’), heeft zich in de Waarheids- en Verzoeningscommissie, geleid door aartsbisschop Desmond Tutu, juist knarsetandend de levieten moeten laten lezen over hun aanslagen, met soms onnodige en onschuldige slachtoffers. ‘A just cause can never be defended with unjust means.’

De betrokkenen moesten eerst hun schuld erkennen, alvorens ze amnestie konden krijgen. Dat is ook niet altijd overal ter wereld zo geweest, nietwaar?

En over die Waarheids- en Verzoeningcommissie gesproken, waarover hier te lande nog altijd zoveel scepsis bestaat: waarom zijn wij Vlamingen daar niet juist apetrots op? Waarom weet bijna niemand meer dat de Vlaamse regering heeft betaald voor zowel de apparatuur — van microfoons tot koptelefoons — als de opleiding van de tolken in uitgerekend Antwerpen?

Ik heb in 1995 die jonge gasten en meiden mogen ontmoeten in de tolkenschool. Ik heb voor ze mogen koken en ik heb ze bij hun vertrek geluk en sterkte kunnen toewensen. Zij vormden de acteurs van de indrukwekkendste beelden die ik ooit op de Zuid-Afrikaanse tv heb gezien — of de BRT daar nu iets mee te maken had of niet. Theologen van Stellenbosch die pardon komen vragen omdat ze hun Bijbelkennis hadden ingezet om ook een religieuze legitimering te leveren voor rassenscheiding en staatsgeweld. Of een van die tolkenmeisjes — zo’n lekker mollige jonge Mamma Africa — die onverantwoord lang de gruwelijke getuigenissen blíjft vertalen van de Engels-onkundige moeders van slachtoffers. Haar stem perfect professioneel en onbewogen, maar haar wangen lekkend van de tranen en het kleed om haar pronte boezem helemaal doorweekt. En nóg bleef dat kind vertalen, uit trots en plichtsbesef. Omdat zwarte talen voor het eerst eindelijk móchten klinken op tv en móchten aanklagen, landelijk verspreid...

Hoe zouden uitgerekend Vlamingen, met hún geschiedenis en hún in aanvang zo terechte strijd, daar niét trots op kunnen zijn?

Op dit moment hangt niet alleen in de Amsterdamse stadsschouwburg de genoemde foto van een pas bevrijde Mandela, die daar in 1990 een overvol en feestend Leidseplein stond toe te zwaaien. Ze hangt op dit moment in een reusachtig formaat op de gevel van het Rijksmuseum. Daar loopt sinds kort een behoorlijk confronterende tentoonstelling over de band van Nederland met Zuid-Afrika, sinds de dag dat Jan van Riebeeck in de Kaapse Tafelbaai arriveerde met zijn schip De Drommedaris, in dienst van de VOC. In het Nationaal Archief van Den Haag loopt tegelijk een expo over deze ‘eerste multinational ter wereld’, met lezingen die de Nederlandse slavenhandel en het structurele koloniale geweld niet uit de weg gaan.

In Parijs loopt een tentoonstelling waarin het Franse kolonialisme onder een kritische loep wordt genomen. Gezien het onderwerp bepaald geen kleine expo. Ook in Berlijn zoomt een tentoonstelling plus tal van publicaties in op een sinister stuk vaderlandse geschiedenis. De lang ontkende genocide in het huidige Namibië, waarbij tachtigduizend Nama en Herrero werden omgebracht, méér dan een decimering. Ze stierven in concentratiekampen die de Duitsers hadden afgekeken over de grens in Zuid-Afrika, waar de Britten de Boerenfamilies hadden samengedreven en lieten verhongeren.

Een bijzondere focus in Berlijn ligt overigens op de rassentheorieën die reeds in Namibië werden gehanteerd en omgezet in daden, als generale repetitie voor het latere drama van de Holocaust, in het hart van Europa. Veel van de ideologen en de beulen in Namibië bleken dan ook later sleutelposities te bezetten in de NSDAP van Adolf Hitler, Hermann Göring op kop.

Kennis is niet per se macht. Maar kennis is minstens een van de sleutels om te begrijpen waar we vandaag staan, en waarom.

Ik wens ons bijgevolg niet per se betere straatnamen toe. Ik wens ons, Vlamingen én Antwerpenaren, straks in ons vernieuwde Paleis van Schone Kunsten eerst een spetterende Rubenstentoonstelling toe. En pal daarna: een interactieve expo over óns verleden in den vreemde. Een expo in lef en openheid kan concurreren met alle andere wereldsteden. Want als wij — in het opbod van propere xenofobie van de laatste weken — inmiddels al aan kinderen met maar één Belgische ouder een examen durven opdringen om te controleren of zij eigenlijk wel weten wat het betekent om Belg en Vlaming te zíjn? Dan is het misschien niet slecht dat we dat eerst zélf eens fatsoenlijk leren uitvlooien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden