Woensdag 28/07/2021

Vuurwerk en grafschriften

Johan Vandenbroucke

Weet je wat je bent, Jeroen? Een gesubsidieerde fluim." (Henk Spaan in De Valse Revisor) - "Een boodschap van niets is het. Een flapdrol, dat is het." (Frank van Dijl in Een Nieuwe Tirade). Twee citaten uit flutboekjes die ik in de boekenkast koester naast het oeuvre van Jeroen Brouwers. Twee schotschriften als reactie op 'De Nieuwe Revisor', de polemiek die Brouwers in november 1979 in het tijdschrift Tirade gepubliceerd had over de verkleutering van de Nederlandse literatuurkritiek.

Het boekje van Van Dijl had als ondertitel 'De winderigheid van een proper ventje'; "Jeroen Brouwers heeft een wind gelaten en zie: iedereen hoort er een kanonschot in," was zowat de minst beledigende zin. De Valse Revisor bundelde artikelen van, onder anderen, Henk Spaan, Reinjan Mulder, Piet Grijs en Vic van de Reijt. Laatstgenoemde: "Jeroen Brouwers, deze Belgenmop op pootjes, deze Komrij-epigoon, deze Judas die zich over de ruggen van zijn collega's heeft opgewerkt tot een collage-schrijver van kladboekjes, deze Toteltuinier, deze Achterhoekse dwarskijker, deze lyrische straathond (ziet u hoe gemakkelijk het is, op zijn Brouwers te schelden)."

Eind jaren zeventig kreeg Jeroen Brouwers in literair Nederland naam en faam door zijn beruchte scheldschriften, veel meer dan door zijn magistraal geconstrueerde roman Zonsopgangen boven zee (1977). De polemieken die zo'n stennis en rumoer veroorzaakten verschenen eerst in literaire tijdschriften en werden later gebundeld in Kladboek (1979) en De bierkaai - Kladboek 2 (1980).

In 1976 was Brouwers na twaalf jaar Vlaanderen teruggekeerd naar Nederland. Hij vestigde zich in Exel, in de Gelderse Achterhoek, waar hij zich, na een woelige uitgeversperiode bij Manteau, wou wijden aan het voltijdse schrijverschap. Een verramsjt en in Nederland welhaast vergeten schrijver. Menig Amsterdamse literator zag hem voor een rare Vlaming aan, terwijl hij hier voor "rabiate Vlamingenhater" werd uitgescholden na het pamflet 'J. Weverbergh en ergher' (gebundeld in Mijn Vlaamse jaren, 1977). Later zou Brouwers het betreuren dat hij zich zo jong - hij was vijfendertig - terugtrok, maar de eerste jaren van isolement in de Achterhoek waren van een ongekende creativiteit.

In het brievenboek Kroniek van een karakter noemt hij die tijd "de zomer van mijn leven", en in een levensbericht uit 1982, 'Hoe ik woon' (gepubliceerd in Het vliegenboek, kladboek 3 uit 1991) staat: "Ik verzorg mijn tuin zoals Candide, - ik schrijf een boek, ook wel eens twee boeken, per jaar. Zo is het goed, laat mij in 's hemels naam met rust. Héél soms, uitziende over het groene land, de coulissen en het roodbonte hoornvee, mag ik graag denken: ik geloof waarachtig dat ik een gelukkig man ben." In een interview bekende hij: "In een eerste periode, van mijn vijfendertigste tot mijn veertigste, was ik uitermate gelukkig met die manier van leven. (...) Ik dacht: nu ga ik eindelijk die boeken schrijven die ik al zolang in mijn kop met mij meedraag. En dat is gelukt: het ene boek volgde op het andere in een gestadige stroom." Het openingsverhaal in Kladboek, 'Zelfportretje met vlakgom' uit 1977, getuigt ook van die schrijversrenaissance: "Al mijn knopjes zijn opengebroken, ik sta volop in de bloemen, ik verspreid een geur waarvan men zegt welwel, ik bloei me te barsten." Ook in dat stuk, een Brouwersiaans pareltje, zijn compromisloze visie op de schrijverij: "Alleen mijn sterven zal ik niet hebben beschreven." Kladboek bevat polemieken, opstellen en herinneringen. Het polemisch gedeelte, 'Amsterdams peil', begint met een brief aan de redactie van De Revisor ("Het Nieuwe Mandarinaat. De VormMakers. Het Piefschap van de Anti-Anekdote.") Redacteur Dirk Ayelt Kooiman wordt door Brouwers "een per fietspomp tot paradijsvogel opgeblazen mus" genoemd die helemaal niet kan schrijven. Ontluisterend ontrafelt Brouwers een verhaal van Kooiman zin na zin. In een brief aan Tom van Deel had hij het aangekondigd: "Ik lees De schrijver droomt van die Kooiman. Ik zou zo zielsgaarne het titelverhaal van dit imposante werk als een lijk willen ontleden, aantonende dat het uit niets bestaat, tenzij uit fratsenmakerij en interessantdoenerij."

De stukken in Kladboek vormden slechts een inleiding op een algemene aanval op de "klootloosheid" van de literaire kritiek, met het pamflet 'De Nieuwe Revisor' (gebundeld in De bierkaai) als sluitstuk. Zoals Brouwers in 'Mijn Vlaamse jaren' "de kloontjes en maffia's" in Vlaanderen hekelde, had hij het in de 'kladboeken' over de Nederlandse kongsies in Het Parool, de Volkskrant en NRC Handelsblad. "Toen ik alles had afgewerkt heb ik 'De Nieuwe Revisor' geschreven als een groot overkoepelend paskwil waarin ik da capo zeg dat het allemaal niet deugt." Met de criticus Guus Luijters als voorbeeld liet Brouwers zien hoezeer de literatuur van de jaren zeventig verziekt was door vriendjeswebben en verkleutering. "In de Nederlandse literatuur was dit het decennium van duisternis en druil, - schijntalenten, roestigheid, verval, verrotting, schimmelziekte, dodelijke vermoeidheid". Polemisch vuurwerk met brille en humor, maar tegelijk bloedserieus en gedreven: "Ik bepleit het nieuwe ventschap, dat bestaat uit onbevooroordeeldheid, openheid, eerlijkheid, gestrengheid, durf, hartstocht voor de literatuur, strijdvaardigheid, - ik bepleit vooral: volwassenheid." "Schoonheid wil ik, vooral geestelijke schoonheid, schoonheid van denken, schoonheid van mentaliteit."

De bijval die Brouwers kreeg was groot - velen had hij blijkbaar de ogen geopend. Tegenstanders reageerden met verdachtmakingen en laster, en beweerden dat hij met een kanon op een mus schoot. Soortgelijke opmerkingen kreeg hij na het recente schotschrift tegen Ronald Dietz van De Arbeiderspers. In Satans potlood (1997) herinnert Brouwers zelf aan de polemiek van toen: "Thans heet mijn eertijds zo verketterde strijdschrift De Nieuwe Revisor 'een weergaloze en nog altijd onovertroffen polemiek'."

Behalve polemiek bevatten Brouwers' kladboeken ook herinneringen en levensberichten. In Kladboek staan twee onvervalste meesterwerken waarin Brouwers zich bewijst als de "In Memoriam-schrijver van deze tijd". Het ontroerende herinneringsstuk over Jan Emiel Daele en 'De Exelse testamenten', een scharnierverhaal over de zelfmoord van een geliefde vriendin: "Ik en mijn doden. Ik heb ze beschreven." "Ik wil het wel op mij nemen, de geschiedenissen van al dezen te schrijven, mijn toon is die van solidariteit," - in 1983 was dit ook het autobiografische begin van De laatste deur, de essaybundel over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren. Ook in 'De Exelse testamenten': "Ik zou van al mijn geschriften te zamen, ook de mislukte, waarvoor ik mij schaam, een papieren gedenkteken willen maken, dat nog, ergens, in een landschap waar het altijd herfst is en alle dingen zijn omhangen met rag, te bezichtigen is als ik al lang ben begraven. Van dat gedenkteken zal men moeten kunnen zeggen: dit is het leven van Jeroen Brouwers."

De meeste boeken van Jeroen Brouwers werden uitgegeven door De Arbeiderspers. Sinds 1996 verschijnt zijn werk bij uitgeverij Atlas.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234