Zaterdag 19/10/2019

Interview

VUB-rector Caroline Pauwels: “Ik zwijg maar beter even over genderquota”

Caroline Pauwels: ‘Ik wil veranderen wat er structureel fout zit.’ Beeld Tine Schoemaker

Caroline Pauwels (54) behoort tot drie minderheden: die van vrouwelijke proffen, die van vrouwelijke rectoren en die van alleenstaande moeders met een academische carrière. Geen wonder dat ze deze week het genderonevenwicht in onze universiteiten aanklaagde. ‘Te radicaal zijn werkt niet.’

Laten we afspreken in een ruimte die niet ‘meeting room’ heet”, had ik Caroline Pauwels voorgesteld. “Kom maar naar mijn kantoor”, had ze geantwoord. “Daar hangen geen vergaderzaalvibes in de lucht.”

Een paar dagen later moet ik haar gelijk geven: haar bureau op de vijfde verdieping van het Braemgebouw – het ellipsvormige hoofdkwartier van de VUB – lijkt even hard op een kantoor als Dries Van Langenhove op een Australische backpacker. Het licht dat door de vele ramen naar binnen gutst, maakt winterse antidepressiva overbodig. De bureaumeubelen zijn een en al vintage strakheid. En in de nonchalante salonhoek hoef je tijdens het sfeervol bullshitten vast niet je sneakers van de bank te halen. Serveer hier veganistische croissants en frappuccino’s gemaakt van koffiebonen uit Ethiopië en je hebt een coworking space waar heel hipsterend Brussel op afkomt.

• geboren in Sint-Niklaas, op 23 juni 1964

• studeerde filosofie aan de UFSIA en communicatie-wetenschappen aan de VUB

• hoogleraar communicatiewetenschappen, gespecialiseerd in mediabeleid

• sinds september 2016 VUB-rector

• woont in Watermaal-Bosvoorde

• heeft twee kinderen: Emil en Anna Violette

Bij wijze van verwelkoming doet de VUB-rector me een boekje cadeau: We moeten allemaal feminist zijn van Chimamanda Ngozi Adichie. Dat ik al lang een feminist bén, of toch pretendeer te zijn, verzwijg ik maar. Ik wil niet ondankbaar lijken.

Wél navigeer ik ons gesprek onverwijld naar het ook voor mannelijke feministen droeve nieuws dat maandag op de voorpagina van deze krant stond: anno 2019 is nog altijd maar een kwart van de Vlaamse professoren een vrouw. Hun aantal stijgt, dat wel. Maar dan met de snelheid van een chronisch vermoeide slak met motivatie-issues: vorig jaar was 26 procent van de proffen een vrouw, dit jaar 27 procent.

“Als we niks ondernemen, bereiken we pas in 2052 een universitair genderevenwicht”, zei Caroline Pauwels. En dus steunde ze met al haar rectorale power ‘Wetenschap = m + v + x’, een campagne die wijst op de vele gendervooroordelen die nog in academische hoofden woekeren.

“Als een vrouw met kinderen kandidaat is voor de job van prof, vraagt iedereen zich af hoe ze buitenlandse congressen zal combineren met haar gezin”, zegt Pauwels. “En als ze tenger is, wordt er luidop betwijfeld of ze zich wel staande zal kunnen houden in een grote aula. Mannen hebben geen last van dat soort vooroordelen. Maar voor vrouwen die prof willen worden – zo blijkt uit onderzoek - zijn genderstereotypen de moeilijkst te overkomen hindernis.”

Wat is het percentage vrouwelijke professoren aan de VUB?

Caroline Pauwels: “29 procent. We scoren dus beter dan het gemiddelde. Al hoeven we ons zeker niet op de borst te kloppen: in de hoogste proffencategorie – die van gewoon hoogleraar – is nauwelijks 10 procent van onze professoren vrouwelijk. Ook onze cijfers zijn dus slecht. Zeg maar gerust: onaanvaardbaar.”

En daar moet de zoveelste sensibiliseringscampagne dus verandering in brengen. Heeft de feministe in uzelf langzamerhand geen zin in wat dwingender genderinitiatieven?

“Ik pleit aan de VUB voor het invoeren van genderquota. Wat mij betreft, moet een derde van onze professoren verplicht vrouwelijk zijn. Maar voor de invoering van zo’n quotum heb je als rector een draagvlak nodig. En dat is er vandaag niet.”

Hoe komt dat?

“Over het einddoel – meer vrouwelijke proffen –is iedereen het eens. Maar over de middelen om dat doel te bereiken, lopen de meningen nogal uiteen. Sommigen vinden het invoeren van quota te drastisch. Ze zeggen: ‘Caroline, als je 33 procent vrouwelijke professoren wilt, werf dan gewoon vrouwen aan tot je dat cijfer bereikt hebt. Dan zijn we meteen van die quota-discussie verlost.’ Maar dat wil ik niet. Een eenmalige inhaaloperatie interesseert mij niet. Ik wil veranderen wat er structureel fout zit. En dat kan volgens mij alleen met een allesomvattend beleid, gestut door quota. Al denk ik soms dat ik over die quota maar beter even zwijg.”

Hoezo?

“Sommige mensen zijn echt nog niet rijp voor het idee van genderquota. Als je er dan toch over blijft doormekkeren, maak je die mensen zenuwachtig. En duw je hen opnieuw in hun loopgraven. Dat is niet zo slim, en misschien ook niet respectvol. Albert Camus zei: ‘Il faut mettre ses principes dans les grandes choses.’ Ik denk dat daar een grond van waarheid in zit. En parafraserend zou je ook kunnen zeggen: ‘Il faut garder ses principes pour les grands jours.’ Het denken heeft soms tijd nodig. Je moet mensen op hun eigen tempo aan veranderingen laten wennen. Te radicaal zijn werkt niet.”

Nu doet u me denken aan wat uw collega-feministe Paula Sémer me vorig jaar zei. Toen ik haar vroeg wie in haar ogen een geschikt vrouwelijk rolmodel is, antwoordde ze: ‘Ik heb een boontje voor Caroline Pauwels. Ze is eigenzinnig en daar hou ik van. Maar een echte voorvechter is ze niet. Als rector moet ze haar woorden te veel wikken en wegen. En dat is onverenigbaar met het heldinnendom.’ Waarop ze alsnog voor Jeanne d’Arc koos.

(lacht) “Ook geen slechte keuze, natuurlijk.”

Maar heeft ze een punt? Wordt de Jeanne d’Arc in uzelf platgewalst door uw functie? Of bent u meer een consensuszoeker dan een revolutionair?

“Ik ben inderdaad meer van het verbindende dan van het opzwepende type. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet vastberaden ben. Ik loop hier niet rond met een megafoon in de hand, maar ik doe wel nadrukkelijk aan agendasetting. Over het genderthema, bijvoorbeeld, is er aan de VUB nog nooit zoveel gesproken als vandaag. Alleen moet je op een gegeven moment ook kunnen zeggen: ‘Even afremmen, Pauwels. You’re pushing too hard.’ Je kunt mensen wel proberen te dwingen om van alles te denken, maar als je hen zélf tot conclusies laat komen, bereik je tien keer meer. We moeten op de lange termijn werken. Niet voor de kortstondige verzetsdaad kiezen. Echt vooruitgaan, doe je in consensus.”

Maak een Caroline Pauwels-woordwolk en de woorden ‘samen’ en ‘consensus’ springen er meteen uit. Collectieve prestaties zijn haar dierbaarder dan individuele; aan egotripperij heeft ze een bloedhekel. “Mensen die zeggen dat ze het in hun eentje beter kunnen, geloof ik niet. Een individu is nooit sterker dan een groep. Tenzij je een kunstenaar bent misschien. En dan nog. Daarom maakt die hele brexit mij ook zo triest. De Britten gaan zich echt niet beter voelen door zich op hun eiland terug te trekken. Ik zie in dat verhaal alleen maar verliezers.”

Beeld Tine Schoemaker

Ook in de wetenschap mag het er wat haar betreft minder individualistisch aan toegaan. “Veel mensen gaan ervan uit dat competitie altijd tot de beste resultaten leidt. Maar ik ben er zeker van dat samenwerking nog veel meer oplevert. Zeker als je tijdens het samenwerken over de muren van je eigen wetenschappelijke discipline durft te klimmen.

“Het opdelen van een universiteit in verschillende departementen heeft stilaan zijn beste tijd gehad. Er moeten veel meer gemengde opleidingen komen. De universiteit van de 21ste eeuw hoort een multiversiteit te zijn: meertalig, multicultureel en interdisciplinair. Over een thema als het klimaat bijvoorbeeld kun je nauwelijks iets zinnigs zeggen als je het niet vanuit een internationaal en interdisciplinair perspectief benadert.”

U stapte zelf mee in een aantal klimaat-marsen. Vergezeld van de slogan ‘De aarde onderwerpt zich niet’.

“Dat was een verwijzing naar ‘Het denken onderwerpt zich niet’’, het van Henri Poincaré (Frans wiskundige en wetenschapsfilosoof, red.) geleende VUB-motto. Poincaré zegt eigenlijk: ‘Het denken mág zich niet onderwerpen.’ Maar dat hebben wij een beetje ingekort. Wij zijn tegen dogma’s, en dan moet je consequent zijn. (lacht) Om op de klimaatmarsen terug te komen: ik heb eraan deelgenomen om aan te geven dat wij, wetenschappers, bij het ontwikkelen van een klimaatbeleid nuttig kunnen zijn. Om te zeggen: ‘Zet ons niet buitenspel, gebruik ons. We hebben een rol te spelen.’”

Academici mengen zich de laatste tijd wel vaker in het maatschappelijk debat. Nu eens om te pleiten voor een ambitieuzer klimaatbeleid, dan weer om te zeggen dat onze migratiepolitiek een tikje humaner mag. Hebben jullie geen vertrouwen meer in politici?

“Toch wel. Maar dat neemt niet weg dat we ons willen engageren. Academici mogen niet enkel bekommerd zijn om het aantal publicaties dat hun naam draagt. Of om de plaats die hun universiteit in internationale rankings bekleedt. Als je alleen daarop focust, laat je de wereld rondom jou verdwijnen. En dat is niet goed. We moeten ons nuttig maken voor de samenleving. Van bij mijn aantreden als rector heb ik tegen onze wetenschappers gezegd: ‘Wees relevant.
Engagez-vous.’ Ik ben een groot voorstander van een civil society waarin academici, beleidsmakers en bedrijfsleiders constructief met elkaar samenwerken.”

Sommige opiniemakers vinden dat de universiteiten de laatste tijd meer aan politieke indoctrinatie doen dan aan academische vorming.

“Ik ben het daar niet mee eens. Ook in het genderdebat wordt ons soms activisme verweten. Maar wij doen in wezen niks anders dan feiten aandragen: we bewijzen met cijfers dat er nog altijd veel gendervooroordelen bestaan. Dat niet iedereen klaar is om die cijfers ook als feiten te erkennen, wil nog niet zeggen dat onze onderzoeken ideologisch gekleurd zijn.”

Zeggen dat het klimaatbeleid beter kan, lijkt wél een op een politiek statement.

“En toch vind ik niet dat we daarmee ons boekje te buiten gaan. Ik vind het een beetje lullig dat sommige mensen er tegenwoordig een sport van maken om meningen die hen niet bevallen te diskwalificeren met allerlei dooddoeners: rechters zijn activistisch, journalisten brengen fake news, academici proberen mensen te indoctrineren...

...en klimaatbetogers zijn marionetten van extreemlinks.

“Die complotten smeden om ideologische rekeningen uit het verleden te vereffenen. Pff. Het is niet te geloven hoe ver sommige mensen gaan om een oprechte vorm van engagement verdacht te maken. Het enige complot dat ik zie, is het complot dat wordt opgezet om te kunnen beweren dat het klimaatprotest een complot is. Het is verdorie toch niet belangrijk uit welke hoek het protest komt? De enige vraag die telt is: wat gaan we doen om ons klimaat te redden? Maar blijkbaar is het gemakkelijker om complottheorieën te verzinnen dan om een ernstig klimaatbeleid te voeren.

“De pers – waar ik overigens een hartstochtelijk verdediger van ben – draagt daar ook toe bij. Journalisten maken de inhoud van een debat te vaak ondergeschikt aan de politieke strijd, de oorlogjes, de strategieën. In tegenstelling tot de rest van de wereld vond ik het interview van Kathleen Cools met Dries Van Langenhove in Terzake heel slecht. Ik heb daar niks van geleerd. Niet over de standpunten van Van Langenhove en niet over de oorsprong van zijn overtuigingen. Een gemiste kans vond ik dat, hoezeer ik Kathleen Cools verder ook respecteer.”

‘Ik kan niet negatief naar de jeugd kijken’, zei u onlangs in deze krant. Maar wat als de jeugd morgen niet op straat komt om het klimaat te redden maar om moslims het land uit te joelen?

“Hoe confronterend dat ook zou zijn, dan nog zou ik me niet negatief over hen uitlaten. Jongeren zijn nog under construction: ze zijn volop aan het leren. En het is onze taak om hen daarin te begeleiden. Zelfs studenten die deel uitmaken van Schild & Vrienden – en die zijn er ook op de VUB – mogen we niet veroordelen. We kunnen ons beter afvragen: waar is onze dialoog met hen foutgelopen? Een jongere die ontspoort, dat is de mensheid die faalt.”

Hoe gedroeg ú zich op pukkelleeftijd?

“Ik was behoorlijk opstandig, ik heb met deuren geslagen. (lacht) Vooral met mijn vader ben ik het dikwijls gloeiend oneens geweest. Zo had hij het er ooit heel moeilijk mee om met gescheiden mensen te praten. Dat was voor mij totaal onaanvaardbaar. Ik ben dan wel een consensuszoeker, maar ik kan niet tegen onrechtvaardigheid. Voor de rest vond ik jong zijn vooral moeilijk omwille van het koortsige zoeken dat ermee gepaard ging. Als ze mij op mijn 18de vroegen wat ik ging studeren, vond ik dat een behoorlijk existentiële kwestie. Op suggestie van mijn ouders besloot ik rechten te studeren. Maar toen ze mij aan het inschrijvingsloket van de UFSIA vroegen voor welke opleiding ik kwam, hoorde ik mezelf plots ‘filosofie’ zeggen. Ik heb dat thuis niet onmiddellijk gezegd, nee. (lacht) Maar ik heb me mijn keuze nooit beklaagd.”

Het is middag, we eten kervelsoep uit de VUB-keuken en praten al lepelend verder. Over de levenspaden die ze níét insloeg en die met het verglijden van de jaren steeds vaker aanleiding geven tot ‘Wat als?’-gedachten. Over haar kinderen – Emil (21) en Anna Violette (19) – die ze ondanks haar onverbiddelijke academische carrière in haar eentje opvoedde. En over de Franse EU-ambtenaar die ze een tijdlang haar echtgenoot noemde, tot hij zijn nomadische zelf niet langer kon bedwingen.

“Ik wist dat de vader van mijn kinderen vaak de hort op zou zijn. Dat de wereldreiziger in hem regelmatig zou bezwijken voor de lokroep van het verre. Hij heeft het heel moeilijk om zich te schikken naar het hier en nu, verlangt altijd naar het ‘daar en straks’.

“Maar toch heeft het nog een tijdje geduurd voor ik begreep dat ik hem helemaal moest laten gaan. Dat besef drong pas door toen een vriend mij zei: ‘Caroline, zelfs als hij er is, is hij er niet.’ Die observatie klopte: zelfs als hij zich ergens goed voelt, kan hij niet weerstaan aan de drang om weer verder te reizen. Dat nomadische zit gewoon in zijn bloed. Hij kan zich vestigen noch binden. Kinderen of geen kinderen.

“Op een gegeven moment heb ik besloten: ‘Bon, ik pas mij aan. Ik laat hem los, breng de kinderen in mijn eentje groot en probeer op een niet-traditionele manier gelukkig te zijn.’ Het alternatief was: met zijn vieren de wereld rondreizen en ‘Thuis is waar mijn koffer staat’ tot levensfilosofie verheffen. Maar dat wilde ik niet. Thuis ís niet waar je koffer staat. Thuis is waar de mensen zijn die je graag ziet. Waar een lange tafel staat die plaats biedt aan al je vrienden en geliefden. Waar je tot diep in de nacht kunt praten en lachen. Ik wilde mijn kinderen heel graag zo’n thuis geven. En dat kon alleen door hen ergens wortel te laten schieten.

“Emil en Anna Violette hebben een tijdlang niet goed geweten wie hun vader eigenlijk was. Maar naarmate ze ouder werden, zijn ze hem steeds vaker achternagereisd. Ze zijn dus zeker niet zonder vader opgegroeid. En vandaag hebben ze een ongelooflijk goeie band met hem. Ze weten precies wat ze wel en niet van hem kunnen verwachten.”

“Mijn huwelijk heeft de nomadische levensstijl van mijn man níét overleefd: we zijn nog wel getrouwd, maar van een liefdesrelatie is geen sprake meer. Dat kan ook niet als je zo ver uit elkaar woont. Hij woont momenteel in Guinee-Bissau, naast Senegal. We zouden eens moeten afspreken om de echtscheidingspapieren te ondertekenen, maar het lukt ons maar niet om allebei op hetzelfde moment in België te zijn. (lacht) Gelukkig is de romantische liefde lang niet de enige vorm van liefde. De liefde die ik van mijn kinderen, vrienden en familie krijg, is minstens even waardevol. En dat ik de kinderen in mijn eentje moest opvoeden, was behalve moeilijk ook makkelijk: in tegenstelling tot de koppels om me heen, hoefde ik niet telkens te overleggen wanneer er iets beslist moest worden.”

U zult ongetwijfeld weleens al telefonerend door het huis hebben gedenderd terwijl de aardappelen overkookten en uw kinderen elkaar met een skateboard het hoofd insloegen. Heeft u uw man op zulke momenten een egoïstische klootzak genoemd?

(lacht) “Nee. Echt niet. Hij is een nomade in hart en nieren, daar is niks aan te doen. Hij heeft gewoon geen andere keuze dan de wereld rondreizen: als hij zich ergens zou vestigen, zou hij veel te onrustig en ongelukkig zijn. Ik verwijt hem dus niks. We zien elkaar ook graag: hij is nog altijd heel belangrijk in mijn leven. En ik in het zijne.”

Ondertussen wonen uw kinderen zelf in het buitenland.

(knikt) “Emil studeert in Canada, Anna Violette in Japan. Ik denk dat hun vader het cool vindt dat ze hun vleugels hebben uitgeslagen. Hij was bang dat ze voor altijd in België zouden blijven.” (lacht)

Zelf kreeg u ook ooit de kans om in Amerika te gaan werken.

“Ik kon gaan lesgeven aan de Colombia University in New York. Dat heb ik niet gedaan en daar heb ik nu wel spijt van. Maar de kinderen waren nog klein – Anna Violette was 1 – en ik zag het niet zitten om met twee peuters naar New York te trekken en daar een heel nieuw leven op te bouwen. Ik was net vastbenoemd aan de VUB en dat was op dat moment een vorm van zekerheid die ik wel kon gebruiken. Maar ik had ontzettend graag eens in het buitenland gewerkt, ja. En zeker in Amerika. Ik vraag me nog altijd af welke interessante wendingen mijn leven in New York had kunnen nemen.”

U noemt uw grootste verwezenlijking: ‘Dit leven overleven.’ Dat klinkt alsof u de voorbije 54 jaar niet echt als a walk in the park hebt ervaren.

“Dat is ook zo. Het leven kan ontzettend veel van een mens vergen. Ik heb een geliefde moeten loslaten, mijn kinderen alleen moeten opvoeden, vrienden en studenten moeten begraven, verdriet moeten aanschouwen dat mij enorm geraakt heeft ... Als ik op al die vormen van tumult terugblik, denk ik vaak: hoe heb ik dat in godsnaam toch allemaal overleefd? (lacht) Frida Kahlo zei ooit: ‘I hope the leaving is joyful and I hope never to return.’ Dat vat het voor mij wel zo’n beetje samen,eigenlijk. Maar voor alle duidelijkheid: ik leef heel graag. Ik ben niet ziek, mijn kinderen stellen het goed, ik heb een geweldige job, ik heb niks te klagen.”

Voor iemand die vaak waarschuwt voor de emocratie, komt u me voor als een behoorlijk emotionele vrouw.

“Ik ben een rationeel denker, ik wik en weeg. Maar ik kan wel heel hard geraakt worden. Het ene sluit het andere niet uit. Waar ik beducht voor ben, is de impulsieve variant van emoties. Mensen die met overslaande stem om vergelding roepen, kunnen me echt bang maken. Tijdens een uitvoering van De Stomme Van Portici in 1830 waren sommige toeschouwers zo geëmotioneerd dat ze de Belgische revolutie uitriepen. Ik zit daar vaak over te reflecteren als ik zelf naar de opera ga. ‘Zo meteen brult iemand iets over een of andere revolutie die we nog moeten voeren en trekken we allemaal met gebalde vuisten de straat op’, denk ik soms. Hopelijk gaat het dan over het klimaat. Of over de noodzaak van genderquota aan de VUB.” (lacht)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234