Woensdag 24/02/2021

Vrouwendemonen

Intelligent en ontroerend: Fadia Faqir. 'Zoutpilaren'

Griet Boddez

Chadije, dochter van Syrische immigranten in de Jordaanse hoofdstad Amman, en Maha, afkomstig uit het bedoeïenendorpje Chamia, zijn kamergenotes in een psychiatrische instelling. Bruusk gedwongen tot een versteend bestaan, soms zelfs letterlijk vastgebonden, kunnen beide vrouwen alleen nog terugkijken op hun leven, van hun toekomst zijn ze afgesneden. Ze raken bevriend en vullen de avonden met elkaar hun geschiedenis te vertellen. Die levensberichten vormen het hart van Fadia Faqirs roman Zoutpilaren, waarin de schrijfster, in een melodieuze, poëtisch taal die rijk is aan frisse en erg zinnelijke beeldspraak, Chadije en Maha liefdevol gestalte geeft. Deze personages vragen geen medelijden, maar respect.

Fadia Faqir (°1956) werd in Amman, Jordanië, geboren, in het jaar waarin haar land onafhankelijk werd van Groot-Brittannië, en groeide op in een zeer conservatief moslimgezin. Na Engelse literatuur gestudeerd te hebben werkte ze een tijdje voor The Jerusalem Star, een Engelstalig Jordaans weekblad, waar ze geacht werd 'vrouwenzaken' te verslaan, zoals recepties op ambassades. Maar al vlug begon ze te schrijven over de stille meerderheid van de vrouwen ("those who matter") en ging ze naar kleine dorpjes om er de vrouwen te interviewen. Ze werd getroffen door de anonimiteit waarin de dorpsvrouwen leefden - en leven; voor de internationale gemeenschap lijken ze niet te bestaan. (Weg van haar dorp zegt Maha: "Je identiteit, wat is dat? Ik denk dat ik er geen heb." Zoals de vrouwen van Qasiem "(m)ieren zonder naam, zonder verleden of toekomst" zijn.)

De censuur en het gebrek aan persoonlijke vrijheid zat, vertrok Faqir in 1984 naar Groot-Brittannië en werkte er voort aan haar eerste roman, Nisanit. Aan haar tweede, Pillars of Salt, begon ze zelfs meteen in het Engels - voor sommigen het ultieme verraad van haar moedertaal. Ze werkte aan de universiteit van Exeter en doceerde er creatief schrijven en islamitische literatuur. Later gaf ze ook les over Arabische taal en literatuur in het Centrum voor Studies van het Midden-Oosten in Oxford, en zette ze een project voor Studies over vrouwen uit het Midden-Oosten op. Zoutpilaren valt op door zijn zorgvuldige, effectieve opbouw, die de dramatiek kracht bijzet en de grote poëtische en emotionele geladenheid van het verhaal kracht accentueert. In vijftig hoofdstukjes met een verschillende sfeer en vertelstijl lossen drie vertellers elkaar af: Maha, het hoofdpersonage, Chanije, die ook wel Oem Saad wordt genoemd, naar haar oudste zoon, en een zekere Sami el-Adjnabi, een half-Arabische reiziger die met zijn aap Meimaan en zijn ezelin Aziza rondtrekt en de mensen begluurt.

Het verhaal van Oem Saad speelt zich in het heden af, in de kliniek. Chanije (wat 'gebroken nek' betekent: haar moeder had haar bij de geboorte het liefst omgebracht, omdat ze een meisje was), heeft een ellendig leven achter de rug. Door haar gewelddadige vader is ze zonder enige voorbereiding aan een oude man uitgehuwelijkt. Nadat ze zich jarenlang heeft uitgesloofd en acht zonen grootgebracht, wordt ze plots naar de keuken verbannen, want haar man heeft een jongere vrouw genomen. Na wekenlange slapeloosheid raakt ze buiten zichzelf. In die toestand wordt ze Maha's ziekenhuiskamer binnengebracht. In Chanije's beschrijvingen krijg je een beperkt, vanuit vrouwelijk perspectief erg negatief beeld van het stadsleven, en vang je een glimp op van het culturele leven in die tijd, de periode tijdens en na het Britse mandaat in Jordanië (1920-1956).

Maha's verhaal vormt de hoofdintrige, en geeft een bijna tijdloos beeld van het leven in een afgelegen dorpje, waar de moderniteit maar langzaam binnensijpelt. Maha, "Indische vijg, sterk maar bitter als kwintappel", zegt men in het dorp, is een moedige, trotse, ongebonden jonge vrouw. Ze is er aanvankelijk heel wat beter aan toe dan haar vriendin. Ze heeft een uitstekende relatie met haar vader, "een parel tussen valse kralen", en later trouwt ze met haar geliefde, Charb. Ze gaan, zoals Maha's ouders, teder en respectueus met elkaar om, noemen elkaar "wederhelft van mijn ziel".

Maha is bevoorrecht en staat, net als haar vader, kritisch tegenover een aantal gebruiken in het dorp, waar de vrouw duidelijk minder wordt geacht dan de man, waar een meisje dat het slachtoffer wordt van verkrachting uitgesloten en getreiterd wordt, maar de verkrachter ongestraft blijft. In haar huwelijksnacht, wanneer Charb het moeilijk heeft door het gebrek aan intimiteit (zijn moeder bonst om de paar minuten op de deur om hem te doen opschieten met het bewijzen van zijn mannelijkheid en de maagdelijkheid van zijn vrouw), besmeurt ze de bewijslap met bloed uit haar vinger, waarna ze samen romantisch gaan stoeien in de Dode Zee.

Toch is de druk soms te sterk. Als ze niet al snel zwanger blijkt, laat ze zich op aanraden van haar schoonmoeder "uitbranden". Deze barbaarse 'vruchtbaarheidsbehandeling', maakt haar, vreemd genoeg, niet onvruchtbaar. En als Charb, die verzetsstrijder was, door de Engelsen wordt gedood, en zeker nadat haar vader is overleden, is ze overgeleverd aan de willekeur van haar oneerlijke en gewelddadige broer. Hij vernedert haar diep, mishandelt haar en neemt haar alles af. Omdat ze weigert zich te schikken, laat hij haar ten slotte in de inrichting opsluiten.

Zoals al vanaf het begin werd gesuggereerd zal Maha, net zomin als haar moeder en grootmoeder, het vloerkleed waarin ze haar eigen patronen weefde, in kleuren die afweken van de gebruikelijke, kunnen afmaken. Ze voegt zich bij de schare geknakte vrouwen wier leven plots wordt stilgezet.

Sami el-Adjnabi, de derde verteller, een halfgare "spinner van verhalen", situeert Maha's verhaal in de geschiedenis en licht de politieke gebeurtenissen toe, maar laat ook zijn fantasie de vrije loop en blaast haar geschiedenis hier en daar op tot mythische dimensies.

In zijn antiverhaal, een gruwelsprookje, wordt Maha een hebzuchtige feeks met magische krachten. Zijn versie van de huwelijksnacht is als volgt: "Een hevig gevecht vond tussen hen plaats (...). Hij weerstond haar betovering door zijn hoofd boven het water uit te duwen. Zij probeerde zijn ziel te grijpen door hem in die door demonen beheerste zee onder te dompelen. Een doordringende schreeuw weerklonk, toen zij er uiteindelijk in slaagde om van zijn lichaam bezit te nemen." Hij neemt het uiteraard op voor de verkeerde partij: Daffasj, Maha's broer, de ongehoorzame zoon, de gewetenloze verkrachter, die als een hondje achter de Engelsen aanloopt en liever in de stad rondhangt dan wat te helpen op de boerderij.

Sami's stukjes zijn geschreven in de oude Arabische vertelstijl: beginnend met een aanroeping van Allah, verwijzingen naar de Koran en een oproep tot godsvrucht, en doorspekt met moraliserende uitspraken - typisch voor de hypocrisie van deze schijngelovige, die Faqir doorprikt door hem het er af en toe iets te dik bovenop te laten leggen. Dat hij wat minder vaak aan het woord is dan de vrouwen, getuigt van een goede zin voor dosering. Zo blijven zijn fantasierijke verhalen verteerbaar, zijn monologen met zijn aap en zijn ezel, zijn gedachtensprongen en zijn humoristische opmerkingen vermakelijk.

Faqir schrijft 'Arabische literatuur in het Engels'. Ze tracht de twee talen en culturen te verzoenen. Zelf zegt ze dat haar oor is afgestemd op Arabische melodieën, terwijl haar ogen op een westerse, filmische manier kijken. In Zoutpilaren is het resultaat een intelligent en ontroerend boek.

Fadia Faqir (uit het Engels vertaald door Mark Benninga), Zoutpilaren, BZZTôH, 's-Gravenhage, 240 p., 690 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234