Vrijdag 03/02/2023

'Vroeger waren de films beter'

Peter Bogdanovich is even terug in Hollywood. De regisseur van klassiekers als The Last Picture Show en What's Up Doc woont tegenwoordig in New York, maar reist de laatste weken het land af ter promotie van zijn nieuwe bundel: Who the Hell's In It? Het boek is een verzameling persoonlijke portretten van de grote sterren van het witte doek: Charlie Chaplin, Humphrey Bogart, Henry Fonda, Marlene Dietrich, Marlon Brando en nog een hele rits anderen.

Peter Bogdanovich

Who the Hell's In It?

Knopf, 544 p., 35 dollar.

Bogdanovich - op en top de dandy in een sportjasje, corduroy broek en een zijden sjaaltje - maakt er een heuse stand-upvoorstelling van in de boekhandel aan de Sunset Strip. Anekdotes wisselt hij af met imitaties van John Wayne, James Stewart en Cary Grant. Met de laatste stond hij eens in de rij bij het American Film Institute. Grant was zijn kaartje vergeten en vroeg beleefd of hij toch naar binnen mocht. "Naam", informeerde de vrouw bij de kassa. "Ca-ry Grant." Waarop de vrouw opkeek en zei: "U lijkt niet op Cary Grant." "Ik weet het", antwoordde Grant. "Dat doet niemand." Het publiek smult.

Eenenveertig jaar geleden kwam Bogdanovich voor het eerst vanuit New York naar LA. Hij had een acteursopleiding gevolgd bij de legendarische Stella Adler, en schreef portretten van acteurs en regisseurs voor bladen als Esquire. Samen met zijn eerste vrouw Polly Platt reed hij de hele afstand in een oude Ford. Hij had geen cent op zak toen hij aankwam, maar dat gaf niet. Hollywood was nog niet het ondoordringbare bolwerk van nu, en hij werd overal met open armen ontvangen. Regisseurs Howard Hawks en John Ford lieten hem toe op de set. Bij Cary Grant was hij kind aan huis. En komiek Jerry Lewis kreeg zo genoeg van de aanblik van Bogdanovich' afgeragde wagen dat hij hem een van zijn tien auto's cadeau gaf. De relaties en vriendschappen die Bogdanovich in deze periode opbouwde, zouden de basis worden voor de portretten in Who the Hell's in It en het eerder verschenen Who the Devil Made It (een vergelijkbaar boek over regisseurs).

Bogdanovich arriveerde op een bijzonder moment in Hollywood, want de industrie stond op een tweesprong. Het oude studiosysteem was op sterven na dood. Acteurs lieten zich niet langer contracten opdringen, maar verkochten zichzelf per film aan de hoogste bieder. En tegelijk was er met Marlon Brando een nieuw type acteur opgestaan, die weigerde om steeds dezelfde rollen te spelen. "Brando wilde in elke film anders zijn", zegt Bogdanovich. "En omdat hij de grootste acteur was van zijn generatie, wilde plotseling iedereen dat." Daarmee, zegt hij, verdween eigenlijk de klassieke Hollywood-ster.

Het studiosysteem was immers grotendeels gebaseerd op het creëren van persoonlijkheden, schrijft hij in zijn boek. Humphrey Bogart, James Stewart, Cary Grant en John Wayne vertolkten in elke film gelijksoortige karakters. Films werden hen op het lijf geschreven, en het publiek ging naar de bioscoop om de nieuwe 'John Wayne' te zien. Hun filmpersonages werden mythische karakters, waaraan hele generaties Amerikanen zich spiegelden. En die zo groot waren dat het voor de acteurs onmogelijk was om in de realiteit aan het geschapen beeld te beantwoorden. "Cary Grant zei dat zelfs hij graag Cary Grant zou willen zijn", zegt Bogdanovich. "En dat was een hele wijze opmerking van hem."

Deels is Who the Hell's In It dus te lezen als een persoonlijke hommage aan de gouden jaren van Hollywood. Maar ook de periode na Brando komt aan bod. Naast portretten van eigentijdse acteurs als Ben Gazzara en River Phoenix, weeft Bogdanovich namelijk ook zijn eigen loopbaan door het boek. En die leest als een Griekse tragedie.

Bogdanovich' echte ambitie toen hij in Hollywood aankwam, was niet om te blijven schrijven. Hij wilde zelf gaan regisseren. En in die opzet slaagde hij heel snel. Precies zeven jaar later, 32 jaar oud, brak hij in een klap door met The Last Picture Show (1971). De film, een portret van kleinsteeds Amerika met een broeierige rol van debutante Cybill Shepherd, kreeg acht Oscarnominaties en won er twee - beide in de categorie supporting actors.

In de twee jaar daarop leek Bogdanovich een mooie toekomst tegemoet te gaan. Met de komedies What's Up Doc en Paper Moon produceerde hij twee succesvolle opvolgers. Plotseling behoorde hij met William Friedkin en Francis Ford Coppola tot de belangrijkste nieuwe regisseurs in Hollywood.

Bogdanovich vierde zijn succes in Hollywood-stijl. Hij verliet Polly Platt - met wie hij intussen twee kinderen had - voor de negentienjarige Shepherd, en kocht een villa in Bel Air met drieëntwintig man personeel. Televisiekijkers leerden hem kennen als gastpresentator van The Tonight Show.

Het was in deze periode dat hij het aanbod afsloeg om The Godfather te regisseren. "Er werd me een boek aangeboden", vertelt hij. "Ik had geen idee wat het was, ik wist alleen dat het een bestseller was over de maffia. Ik wees het af omdat ik geen belangstelling had voor de maffia. Stom, kun je zeggen, maar in datzelfde jaar maakte ik What's Up Doc en die film eindigde in de box office op de tweede plaats na The Godfather. Dus ik denk niet dat het zo'n vreselijke beslissing was. Bovendien: The Godfather is zo briljant geworden dat ik er niets aan had kunnen verbeteren."

Toch zal Bogdanovich nog weleens aan dat moment hebben teruggedacht, want een vingerknip later was het allemaal voorbij. Zijn volgende film Daisy Miller, met opnieuw Shepherd in de hoofdrol, flopte. En zijn verfilming van de Cole Porter-musical At Long Last Love (1975) werd door filmcritici omschreven als een van de slechtste films ooit. Saint Jack (1979), een verfilming van een boek van Paul Theroux die werd gemaakt voor de productiemaatschappij van Playboy-baas Hugh Heffner (die daartoe verplicht was omdat hij zonder toestemming naaktfoto's van Cybill Shepherd had gebruikt) deed het weer wat beter. Maar met de komedie They All Laughed (1980) was de carrière van Bogdanovich zogoed als voorbij.

De omstandigheden waarin de film tot stand kwam waren even bizar als tragisch. Bogdanovich' affaire met Shepherd was intussen verleden tijd en tijdens de opnames werd hij verliefd op de hoofdrolspeelster: playmate van het jaar Dorothy Stratten. Maar Stratten was al getrouwd, en toen ze haar echtgenoot vertelde dat ze bij hem wegging, vermoordde hij haar, had seks met haar lichaam en pleegde zelfmoord. Door alle publiciteit rond de moord was er vervolgens geen distributeur die de film wilde uitbrengen. Een gebroken Bogdanovich sloot zich tijdenlang op in zijn huis, maar besloot uiteindelijk de negatieven terug te kopen en de film zelf te distribueren. Er kwam echter zo weinig publiek op af dat hij er miljoenen aan verloor en failliet ging.

Daarna ging het alleen maar bergafwaarts. Halverwege de jaren tachtig boekte hij nog een succesje met Mask, maar hij kreeg meer aandacht vanwege zijn huwelijk met Louise Hoogstratten, de jongere zus van Dorothy Stratten die dertien was op het moment van de moord. Bogdanovich' naam was nu vaker in de tabloids te vinden dan op de filmpagina's. Films maakte hij bijna niet meer. Het vervolg op The Last Picture Show, Texasville (1990), scoorde matig, en ook The Cat's Meow (2001) was op zijn hoogst een bescheiden succesje.

Bogdanovich klinkt berustend als hij over de neergang van zijn carrière spreekt. Het was de gruwelijke moord op Dorothy Stratten die hem de das omdeed, zegt hij. "Als dat niet was gebeurd, was het allemaal anders gelopen. Daarvan ben ik overtuigd." Maar hij heeft zelf ook fouten gemaakt, geeft hij toe. Deel van het probleem was de onervarenheid, die hem, maar ook generatiegenoten als Coppola, Friedman, Bob Rafaelson en Hal Ashby, parten speelde. "In het oude studiosysteem zouden we een stuk meer ervaring hebben gehad. Zowel in het maken van films, als in het omgaan met succes. Wij wisten niet waar we aan begonnen. Toen ik The Last Picture Show maakte, had ik geen idee dat het zo'n succes zou worden. Ik wist dat het een goede film was, maar ik was blij geweest als hij zijn geld had terugverdiend en we een bescheiden winst hadden gemaakt. Het bleek anders te lopen, en daar ben ik blij om, maar ik was er niet klaar voor. Een tijdje ging het goed, en toen begon ik fouten te maken. En de ene fout leidde tot de andere."

De laatste paar jaar gaat het echter weer beter met Bogdanovich. Hij leeft gezond, is vegetariër geworden, en heeft twee van zijn oude liefdes weer opgepakt: de journalistiek en het acteren. Zijn boeken worden door vriend en vijand geprezen als verplichte kost voor elke filmliefhebber, en sinds een paar jaar speelt hij in de televisieserie The Soprano's met succes de rol van de psychiater van (Tony Soprano's psychiater) Dr. Melfi. Jongere kijkers kennen hem alleen in die rol, en dat bevalt hem prima.

Regisseren doet hij ook nog steeds, maar voornamelijk voor televisie. Een terugkeer in Hollywood lijkt niet erg waarschijnlijk, gezien zijn leeftijd en zijn recente uitlatingen over de filmindustrie. In een interview voor de BBC spuide hij scherpe kritiek op de huidige Hollywood-film. Natuurlijk is niet alles even slecht, zwakt hij zijn woorden wat af. "Er worden nog steeds goede films gemaakt, maar niet zo veel als in het verleden. Ik denk dat iedereen het erover eens is dat films vroeger beter waren. Films werden gemaakt voor de hele familie. Iedereen kon naar Casablanca gaan, en ik denk dat dat op de een of andere manier betere films opleverde." Toch sluit hij zelf een comeback niet uit. "Er speelt van alles", zegt hij. "En u weet wat ze in Hollywood zeggen: It ain't over till it's over."

Han Ceelen

Hollywood was nog niet het ondoordringbare bolwerk van nu, en Bogdanovich werd overal met open armen ontvangen. Regisseurs Howard Hawks en John Ford lieten hem toe op de set. Bij Cary Grant was hij kind aan huis

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234