Woensdag 30/09/2020

'Vroeger probeerde je carrière te maken met wat de natuur je had gegeven'

'Mijn tijd was nog de biefstukkentijd.' Aan het woord: Roger Decock (88), de oudste nog levende winnaar van de Ronde van Vlaanderen. Om hem en zijn zege in 1952 te eren rijden de renners dit jaar door zijn woonplaats Aarsele. Flashback naar een andere tijd.

Halverwege het gesprek staat Roger Decock op. De West-Vlaming stapt op me toe terwijl hij de bovenste knopen van zijn zorgvuldig gestreken hemd opendoet. "Hier, voel eens!", zegt hij, en hij begeleidt mijn hand naar zijn bijna 90-jarige sleutelbeen. Mijn vingertoppen glijden over een richel, een onnatuurlijke bobbel die als een vreemd lichaam in hem huist. Ik huiver. "Er zit hier letterlijk iets scheef. Dat zei een kleermaker me jaren na de valpartij. Ik had me daar nooit iets van aangetrokken. Een renner was een plantrekker. We moesten alles zelf uitvogelen. Het was ieder voor zich, en God tegen allen.''

Decock was gevallen tijdens een wedstrijd in Waregem. De hinder aan zijn sleutelbeen viel in het niets tegenover de helse pijn die hij voelde aan de elleboog. Die laatste werd verzorgd, aan zijn sleutelbeen werd geen aandacht besteed, ook niet door Decock. Tot hij een nieuw pak ging passen.

Plots zie ik zijn hand in mijn gezichtsveld verschijnen, vlak voor mijn neus. De top van de pink zwaait naar buiten, op zijn duim zit een knuist zo dik als een knikker. "Nog een valpartij, slecht neergekomen'', zegt hij. "Heb ik zelf verzorgd, met plakband. Dat had beter gekund, zo te zien."

Decock spreekt over een tijd die prehistorisch in de oren klinkt. Zijn taal loopt daarmee parallel. 'Bijaldien' is een woord dat hij geregeld gebruikt. Of de uitdrukking 'in mijne nu'. Als hij het woord neemt, begint hij in de helft van de gevallen met de staande uitdrukking: "Ik ga ne keer zeggen..."

"Ik ga ne keer zeggen: bij de start van de Ronde van Vlaanderen van 1952, die ik won, botste ik in Hotel Metropole aan het station van Gent op apotheker Cardoen, die ik kende uit Menen. Hij was naar mij op zoek, zei hij. Want hij had een middeltje meegebracht dat me zou beschermen tegen de regen en de kou die voor die zondag werden voorspeld. (In 'Sportwereld' van de dag nadien was te lezen: 'Het regende oude wijven en de wind sloeg alles kapot, koude smeltende sneeuw teisterde mens en dier, geen weer om buiten te komen.') Cardoen nam me mee naar een kamertje en vroeg me al mijn kleren uit te doen. En daar stond ik dan te blinken, in mijne nu. Cardoen toverde een flesje tevoorschijn met zalf die hij zelf had gemaakt. Een melkachtig, vettig goedje waarmee hij me van kop tot teen zorgvuldig insmeerde. 'Van de kou en de regen ga je niks meer voelen', zei hij me, terwijl ik me weer aankleedde. En inderdaad, het was gelijk dat ik heel de dag heb rondgereden in een Leuvense stoof.''

Een vaste soigneur, laat staan een vaste dokter, dat bestond in jouw tijd niet?

"Toet. (Dat wil zoveel zeggen als 'toch wel') Ik had vrij vroeg een soigneur, Odiel Vandoorne. Die wreef voor en na de koers mijn benen in, droeg mijn materiaal, stopte mijn kapotte tubes. En hij stond onderweg klaar met de bevoorrading. Van medische assistentie was echter geen sprake. Een paar keer per jaar ging ik naar mijn huisdokter voor een routineonderzoek. De dag voor die Ronde van 1952 had ik dat trouwens ook gedaan. Hij verschoot zich een bult toen hij mijn polsslag in rust mat: 36 tikken in een minuut. Je weet, zoiets is ofwel heel goed, ofwel heel slecht nieuws.

"Hij gaf me voor de Ronde nog wat raad mee: 'Vergeet vooral niet te eten.' In die tijd moest ge gezondheid hebben uit uw eigen. Je probeerde carrière te maken met wat de natuur je had gegeven. Als er iets fout liep, was er nauwelijks begeleiding om je machien weer in gang te krijgen. Je at, dronk, trainde, leefde zoals je dacht dat goed was, je pikte links en rechts wat mee uit het milieu, iemand gaf je wat raad.

"Maar voor de rest: natte vinger en een stalen gestel. En plantrekkerij. Tijdens rittenkoersen kwamen we na de wedstrijd aan in ons hotel, waar aan de receptie onze valies stond te wachten. Dan mochten we die zelf via de trap naar boven sleuren, naar een kamer die 's zomers dikwijls was herschapen in een oven en waar de muggen ronddansten tot je er zot van werd. Ik goot mijn bed dan vol met eau de cologne. In die hotels at je wat je werd voorgeschoteld. Die haricots verts die ze ons in Frankrijk dagelijks op het bord gooiden: vreselijk.

"Alleen op het einde van mijn carrière, bij Flandria-Guerra, kreeg ik meer professioneel advies, vooral vanuit Italiaanse hoek. De extrasportieve merken deden hun intrede - Nivea, Elvéa, Maes Pils, Tigra - en daarmee begon het moderne tijdperk. Training, voeding: het bleek plots specialistenwerk. Ik heb zelfs nog een stage meegemaakt met het Guerra-team."

Heb je nog altijd een goeie gezondheid?

"Ik ga zeker niet klagen. De carrosserie piept en kraakt een beetje, maar het binnenwerk functioneert naar behoren. Ik ga maandelijks naar de dokter, neem als medicatie alleen een bloedverdunner. En ik begin mijn dag telkens met een half uur fitness: luchtfietsen, buikspieroefening, trekken aan zo'n spiraal. Ik rook niet en ik drink geen bier. Witte wijn daarentegen: daar zeg ik geen neen tegen. Gaan we een flesje kraken?" (Decock opent met onachtzame routine een fles Chablis)

Wat at je tijdens een wedstrijd als de Ronde?

"Ik pakte een viertal rijsttaartjes mee en een kwart kilo vijgen. Plus een twintigtal suikertjes die ik in zilverpapier draaide, zodat ze in mijn achterzak niet zouden smelten van de nattigheid. Misschien had ik ook nog een boterham of twee met confituur mee, en wat pennepisse (pain d'épisse of peperkoek, red.). Ik nam geregeld ook een reep fondantchocolade mee, maar niet in die Ronde."

Wat at je vóór een wedstrijd?

"Mijn tijd was nog de biefstukkentijd. Naar een wedstrijd nam ik zelf een lap vlees en wat boter mee. We kleedden ons meestal om in een zaaltje van een café of bij particulieren, in de achterkeuken.

"Een uur voor de wedstrijd bakten we daar onze biefstuk. Ik herinner me een criterium in Deinze, in afwachting van den arrivée van een profwedstrijd. Ik reed nog bij de jeugd toen. Mijn vader Antoine had me naar café De Rotonde gevoerd, waar de waardin zo vriendelijk was mijn biefstuk te bakken terwijl ik me omkleedde. Toen ik in de keuken terugkwam was de tafel gedekt voor vier. Mijn vader vroeg waarom er vier borden stonden. 'Zo'n stuk vlees', zei ze. Toen ze hoorde dat ik dat alleen ging binnenspelen, schudde ze haar hoofd. 'Het kan nooit goed zijn om zoveel vlees te eten voor een zware inspanning', zei ze. Ze klonk zo overtuigend dat ik van dan af minder vlees ben beginnen te eten voor een wedstrijd."

Wat dronken jullie tijdens een wedstrijd?

"Water. Thee met citroen. Ons werd wijsgemaakt dat we zo weinig mogelijk moesten drinken. Dat was niet goed voor de maag, was de algemene overtuiging. In tropische Tour-ritten kregen we niet meer dan vier of vijf bidons. We werden rozijnen, schreeuwden om water. We plunderden dan ook geregeld een café onderweg, of we stortten ons op een waterfontein op een of ander dorpsplein.

"Ook in zesdaagsen kregen we weinig drank. Let wel, we reden toen nog dag en nacht. Er moest altijd een renner van de ploeg op de baan zijn. Dan zweet je wat weg. Er viel geregeld een renner uit met uitdrogingsverschijnselen. Dat gebeurde onder meer met mijn ploegmaat André Rosseel in de Zesdaagse van Gent in 1953."

Hoe brachten jullie de winter door?

"Ik? Tijdens mijn eerste profjaren werkte ik 's winters voor een beenhouwer. We sloten het seizoen af midden oktober, met de Sluitingsprijs in Putte-Kapellen. En pas met de Omloop Het Volk begin maart begon het circus weer. Dat was meer dan vier maanden congé.

"Enfin, congé... we zaten niet stil, hè. We gingen geregeld in groep trainen, met een bende coureurs uit de streek. Juniors - zo noemden ze amateurs toen nog - onafhankelijken, profs. Ik was, zeker de eerste jaren, bijna altijd de jongste van de bende. We maakten tochten van een 200 kilometer, meestal tot aan de kust. Acht uur op de fiets, een gemiddelde van 25 per uur of daaromtrent. Er werd nooit gekoerst. We reden trouwens met een vaste pion, we moesten blijven doortrappen. Ons versnellingsapparaat installeerden we pas een paar weken voor het begin van het seizoen."

25 per uur, dat is niet indrukwekkend?

"Ge moet weten, er lagen overal kasseiwegen toen. Soms lag daarnaast een fietspaadje met grind of asse. Daarop reden we gewoon ons tempo. Kilometers afmalen, beetje tetteren met elkaar. Niks interval of hoe heet dat? 's Winters had ik ook mijn haringweken.

Iedere ochtend at ik op mijn nuchtere maag een pekelharing. Daarna at ik een boterham met koffie, en ik vertrok naar de training. Met enkele wortels op zak. Heb ik veel deugd van gehad.

"Soms ging ik nog alleen bijtrainen, als het werk in de beenhouwerij van Briek Roose dat toeliet. Ik verdiende daar een cent bij als uitdrager van vlees.

"Ik heb altijd graag veel kilometers gemaakt. In 1946 had mijn vader last van een pijnlijke huidziekte. Hij stuurde mij naar Dudzele, omdat daar een dokter woonde die een eigen zalf had die hem moest genezen. Ik was 17 en fietste van Menen naar Dudzele (in vogelvlucht een 75-tal kilometer). En omdat ik nog nooit de zee had gezien, besloot ik een omweg te maken en tot aan de zeedijk te rijden. Dat was een ongelooflijke ervaring. Het strand lag nog vol met oorlogsafval. Er hadden toen nog niet veel mensen uit Menen de zee gezien. Er bestonden nog afstanden, toen."

Hoe beschermden jullie je 's winters, tijdens die trainingen, tegen de kou?

"We trokken een gebreide, wollen trui aan en een golf- of pofbroek zonder zeemvel. We trokken lange kousen over de broek. En als het te koud was, trokken we getten (slobkousen; RvW.) over onze schoenen. Borst en rug beschermden we met bruin inpakpapier, ingestreken met roetkaars. Het papier slorpte het vet van de kaars op en werd waterdicht. Het zweet kon ook niet weg: na enige tijd zwom je in je eigen zweet."

Hoeveel wedstrijddagen telde een seizoen?

"Ik ga ne keer zeggen... 80, 90 misschien. A peu près. Dat viel wel mee. In het voorjaar was er iedere week een wedstrijd. De drukste periode kwam met de Tour. In 1954 zat ik in een periode van 51 dagen 49 daarvan in het zadel: dik drie weken Tour en daarna 25 criteriums op rij. De wedstrijden en etappes waren toen wel gemiddeld 30 tot 50 kilometer langer dan nu.

"En we gingen geregeld met de fiets naar een koers. Bij de jeugd reed ik geregeld 100 à 150 kilometer heen en terug naar een wedstrijd. In 1950, toen ik prof werd, kocht ik mijn eerste wagen, een DKW-tweetakt. Heb ik heel België mee afgereden."

Je reed je eerste koers in augustus 1943, in volle oorlogstijd. Je was net 16. Met welk materiaal trok je ten strijde?

"De oorlog had tenminste nog het voordeel dat er geld te verdienen was met de smokkel, zeker in Menen vlakbij de Franse grens. Als knaap reed ik met de fiets geregeld tot in het Franse Steenvoorde, waar ik dan 50 kilogram tarwe kocht, die ik verdeelde over mijn bagagedrager en mijn stuur. Via sluipwegen fietste ik door het Heuvelland terug naar Menen, met het risico dat gendarmes of douaniers mij zouden onderscheppen.

"Maar het was de moeite waard. We verkochten de tarwe op de zwarte markt en maakten op één lading 800 frank winst. Je moet weten dat een werkman toen geen duizend frank per maand verdiende. Op die manier legden we thuis een spaarpotje aan waarmee we onder meer mijn eerste fiets betaalden."

Welk merk?

"Het was een JAM, die mijn vader kocht bij een fietshandelaar in Kortrijk. Ik kreeg een mooi blauw truitje met de merknaam erop cadeau. Een koersbroek kon ik me niet meteen veroorloven, ik reed mijn eerste koersen met de voetbalbroek waarmee ik bij de jeugd van RFC Menin had gespeeld. Die JAM had ons 8.000 frank (200 euro) gekost. Dat was veel geld toen. Vleugelmoeren, geen derailleur. Er zat een versnelling op van 50x17. Die was een beetje te groot voor mij, bergop was het lastig. Maar het ging wel. De Ronde van 1952 won ik met een verzetje van 47x14. Dat is dik 7 meter. Daar lachen ze nu mee.

"Bij Lucien Vlaemynck kochten we twee tuben, voor 1.500 frank per stuk. Geen reservetuben, want het geld was op. Plat vallen betekende dat de wedstrijd gedaan was. Later, bij de profs, verscheen ik aan de start met twee reservetuben: een rond mijn nek en schouders, en een onder het zadel. Soms nam ik nog een derde tube mee, voor ambetante ritten zoals in de Ronde van Marokko waar de wegen zeer slecht waren, of in de Tour, bij bergritten, omdat de wegen van het hooggebergte vol steenslag en grind lagen. Als je plat viel of mechanische problemen had, moest je de boel toen nog zelf herstellen. Om een tube van een achterwiel te vervangen had ik ongeveer drie minuten nodig: vleugelmoeren losdraaien, wiel uitnemen, de tube die op de velg vastzat met een plaklint lostrekken, een nieuwe tube over het wiel trekken, oppompen.

"Later werd de pomp vervangen door een gonfleur(handpomp) met samengeperste lucht. Daarmee kon je twee tuben opblazen. Dat ging veel sneller dan met een gewone handpomp.''

Kreeg je een fiets van je ploeg, toen je in 1950 prof werd?

"Jawel, bij het Franse Alcyon was dat: een fiets, een ketting, enkele tuben van het merk d'Alessandro, een Simplex-versnellingsapparaat. Mijn maandgeld bedroeg nog geen 200 frank. Dat viel wat tegen. Ook over de fiets was ik niet zo content: er zat geen snelheid in, het was een strijkijzer. Ik ben het jaar erop meteen overgestapt naar een Bertin-fiets, waar ook Berten Sercu, de vader van Patrick, mee reed. Ik heb nog andere merken gehad: Van Hauwaert, Thompson, Guerra, Flandria. Vooral die Thompson was een aangename, vinnige fiets. Ik won er in 1954 een rit mee in de Ronde van België met aankomst in het Heizel-stadion. Daar zaten 50.000 mensen opeengepakt, in afwachting van de voetbalinterland tegen Frankrijk. Die draaide uit op een gelijkspel, 2-2. Rik Coppens maakte de twee Belgische doelpunten."

Maar voor het meeste koersmateriaal moesten jullie zelf zorgen?

"Mijn koershandschoenen waren lederen mannenhandschoenen waarvan ik de vingertoppen had weggeknipt. Mijn koersschoenen werden met de hand gemaakt door een schoenmaker. Daar moest je eerst een tijdje mee rondrijden, tot je de afdruk van de pedalen op de zool goed kon zien. De schoenmaker nagelde op die plaats dan twee schuine stukken leer, de voorlopers van de metalen schoenplaatjes, want die kwamen pas vanaf 1954 op de markt.

"Ik had vooral veel aandacht voor mijn zadel. Ik reed met een Brooks, model 17. Een beauté, dat zadel. Dat moest wekenlang ingereden worden, eerst door mijn soigneur die er zijn postronde mee deed, daarna door mezelf. Een zadel werd gesneden op maat van een coureur, een specialiteit die al lang niet meer bestaat. Als het zadel nat was geworden, werd het in model gehouden door het vol te proppen met papier. Als het droog was, werd er paardenvet op gesmeerd om het tegen de nattigheid te beschermen."

Was er nog geen helmplicht? In het boek dat uw kleindochter schreef, 'Roger Decock - Sluw en slim', staan hooguit een vijftal foto's waarop je een worstenhelm draagt.

"Ik ga ne keer zeggen... De veiligheid toen!? Er waren toen ook nog geen veiligheidsgordels in de auto's. Op de piste droeg ik altijd een worstenhelm. Maar op de weg slechts nu en dan.

"Het had ook met geld te maken. Wat niet noodzakelijk was, kocht je niet. Wij waren een soort zelfstandigen, die ook en vooral op de kosten moesten letten. Een koerstruitje droegen we tot het uit elkaar viel. Met dat JAM-truitje heb ik gereden tot ik prof werd. Een kapotte broek werd door moeder genaaid. We kloegen niet. We wisten van niet beter."

Eens je prof was, begon je toch geld te verdienen?

"Prijzengeld en premies vooral. Al ging mijn loon er jaar na jaar wel op vooruit. In 1956 had ik al een maandloon van 7.000 frank, en dat gedurende tien maanden per jaar. In 1960 kreeg ik bij Mann 8.000 per maand, voor twaalf maanden.

"Maar inderdaad, het waren vooral de prijzen die onze beurs spekten. Bij de onafhankelijken leverde een overwinning 900 tot 1.200 frank op. Bij de profs ging dat in de kermiskoers al over 3.500 tot 4.000 frank. In grotere koersen en klassiekers kon je veel rapen. In mijn eerste profjaar won ik de Vijfbergenprijs Kortrijk-Moeskroen, na een solo van meer dan 100 kilometer. Ik stak de ene premie na de andere op zak, voor in totaal 6.000 frank. Als winnaar kreeg ik dat bedrag nóg eens. Voor een pas getrouwde man was dat mooi meegenomen.

"Als winnaar van de Ronde van Vlaanderen in 1952 kreeg ik 6.000 frank. Ik was ook als tweede over de top van de Muur van Geraardsbergen gefietst: nog eens 3.000 frank erbij. Louison Bobet was daar als eerste gepasseerd en kreeg 10.000 frank, méér dus dan de winstpremie. Mijn ploegleider Bertin gaf me daarbovenop een premie van 20.000 frank. In totaal heb ik die dag dus 29.000 frank (725 euro) verdiend. Een jaar eerder had de overwinning in Parijs-Nice me 43.000 frank (1.075 euro) opgebracht. Daarmee kon ik een nieuw huis kopen in Menen."

Reed iedereen voor eigen rekening?

"Zekerlijk. Binnen een merken- of landenploeg waren er nauwelijks afspraken. Er was geen sprake van elkaar uit de wind te zetten of spurten aan te trekken. Er werd van bij het begin geschift. Het kaf vloog meteen van het koren. Je kon je niet zoals nu 150 of 200 kilometer lang schuil houden in de buik van het peloton.

"In de finale maakte je wel eens bij gelegenheid een afspraak met een concurrent, maar alleen als je er zeker van was dat je geen winstkans meer had. Dat gebeurde over de ploeggrenzen heen. In de Ronde van 1952 was ik voorop met Schotte en Petrucci. Je zou denken dat we als Belgen een afspraak zouden maken om die spaghettivreter te kloppen. Maar Briek en ik hebben geen woord gewisseld. We wilden allebei winnen, zo simpel was het."

Maar solidariteit was er wel. Zoals toen je in 1951 vlak achter Wim van Est stopte nadat hij bij de afdaling van de Aubisque een ravijn indook?

"Ik zag het voor mijn ogen gebeuren. Was ik toen niet gestopt, dan had wellicht niemand gemerkt dat er iets met de geletruidrager was gebeurd. Dan lag hij er misschien nog. Maar ik vond het normaal dat ik halt hield en enkele volgers deed stoppen om hen op het incident te wijzen. Dat oponthoud heeft me minuten gekost en dus wellicht ook een plaats bij de top 5 van die Tour."

Het heeft wel bijgedragen tot je populariteit, die altijd erg groot is geweest.

"Ik heb altijd veel supporters gehad. Na mijn eerste profseizoen in 1950 telde de club in café De Sportclub meer dan vierhonderd leden. Zij organiseerden een bal en kaartingen om met de opbrengsten materiaal voor mij te kunnen kopen."

De wielersport is de jongste halve eeuw drastisch veranderd. Boeit het je nog?

"Ik ga ne keer zeggen... de koers is nog altijd hetzelfde. Op het eerste gezicht zou je denken dat er veel is veranderd, maar dat is niet zo. De koers is nog altijd even lastig, nog altijd even mooi. Er zijn nog altijd flandriens, er zijn nog altijd loodzware koersen. Kijk naar Gent-Wevelgem van vorig jaar: iedereen die daar het einde haalde, is een flandrien. Trouwens, in mijn tijd bestond die naam niet, de pers heeft dat pas later uitgevonden.

"Maar de essentie is gebleven: om vooruit te geraken, moet je op de pedalen duwen. En heb je een frisse kop nodig. Het hoofd en de benen. Om te slagen, heb je gezondheid, discipline, sluwheid en doorzettingsvermogen nodig. Dat was vroeger zo, en dat is nog altijd zo. Het is daarom dat ik nog altijd zot ben, zot van de koers."

Dit interview met Roger Decock komt uit wielertijdschrift Bahamontes nummer 13 en ligt nu in de winkel bahamontes.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234