Maandag 20/09/2021

GetuigenissenPesten op het werk

‘Vroeger dacht ik dat er altijd wel een reden was als mensen gepest werden. Maar iedereen kan een slachtoffer worden, ook al ben je nog zo sterk’

null Beeld Shutterstock
Beeld Shutterstock

Eén op de vijf Belgen wordt gepest op het werk, maar ambtenaren nog net iets meer dan de rest. En wie een voet in de leraarskamer zet, bukt zich maar beter voor overvliegende machetes: leerkrachten blijken uiterst bedreven in het pesten van collega’s. Ook onder zorgverleners wordt flink wat geruzied in de ziekenhuisgangen, en dat is er door de aanslepende coronastress niet minder op geworden. Slachtoffers getuigen over de verwoestende impact op hun leven.

Elke keer als Freddy (44) het popnummer ‘Euphoria’ van Loreen op de radio hoort, draait zijn maag zich om. Het hitje uit 2012 flitst hem terug naar het donkerste jaar van zijn leven, toen hij als manusje-van-alles werkte in een kleine dorpsbakkerij. Die zomer kreeg hij na vijftien jaar een nieuwe baas, een echte bullebak.

Freddy: “Ik kende hem: hij woonde een dorp verder en ik had als kind met hem in de klas gezeten. Hij mocht me toen al niet, zeker niet toen bleek dat ik veel betere punten haalde dan hij en hij zijn jaar niet kon afmaken. In de bakkerij maakte hij me meteen duidelijk wie de baas was: ‘Freddy, de vakbond en de ziekenkas, dat bestaat hier niet.’ Ik geloof niet dat hij ooit één woord op een normale toon tegen mij heeft gezegd. Het was altijd roepen en tieren. En hij maakte me uit voor debiel en mongool.

“Toen hij merkte dat ik goed kon opschieten met de andere bakkersgast, begon hij die tegen me op te zetten. Hij maakte altijd grapjes met hem over mij, en die lafaard deed gewoon mee. Eerst heeft hij het winkelmeisje weggepest. Dat arme kind werkte daar al jaren, maar ze kon plots niks meer goed doen. Zodra er geen klanten in de winkel waren, stond hij haar af te katten. Toen ze ontslag nam, juichte hij. ‘Die dikke pad is al weg, nu die andere kerel nog’, zei hij in mijn bijzijn tegen mijn collega.

Wat was zijn favoriete pesttactiek?

Freddy: “Hij kafferde me voor het minste uit. Toen ik hem eens zei dat ik geen beest was, maar een mens, lachte hij luid. ‘Wat voor mens? Een achterlijke!’ Hij zei dat ik geen vent was, maar een vod. Dat ik uit een familie van schrikschijters kwam. Toen mijn nonkel stierf, een bekende dorpsfiguur, mocht de rouwbrief niet in de winkel hangen. Eén keer heeft hij me fysiek bedreigd, toen ik hem durfde tegen te spreken over een bestelling van een kruimeltaart: ‘Nu ga je zwijgen of ik sla op je gezicht.’

“Hij gaf me nutteloze klussen. Zo moest ik eens om zes uur ’s ochtends het plafond wassen. Hij dwong me om tijdens mijn vakantie te komen schoonmaken. Zelfs toen ik trouwde, eiste hij van mij dat ik om 23 uur kwam werken, anders zou hij mij persoonlijk van het feest komen halen. Dat heeft hij niet gedaan, maar het wierp wel een schaduw op wat de mooiste dag van mijn leven had moeten worden. En de dag erna moest ik weer aan de slag.

“Ik ging elke dag met de daver op het lijf werken. Ik twijfelde aan alles wat ik deed. Ik was bang om fouten te maken, maar omdat ik zo verkrampt was, maakte ik er natuurlijk net méér. Dan vergat ik een bakvorm in te vetten of jam op de koffiekoeken te doen. Of er brandde iets aan in de oven omdat ik het klokje vergat te zetten. Uit pure stress. En de tirades bleven komen, dag in, dag uit.”

Dat klinkt als pure terreur. Kon je nergens je beklag doen?

Freddy: “We werkten daar maar met drie, dus veel sociale controle was er niet. Ten einde raad heb ik de bazin erover aangesproken. Maar zij heeft alles gewoon doorverteld aan de gerant. Daar was ik kapot van. Vijftien jaar had ik voor haar gewerkt als een trouwe hond, en toen liet ze me vallen als een baksteen. De gerant zei dat ik tot maandag had om mijn ontslagbrief te schrijven. ‘Anders zal ik u eens laten zien wat pesten is.’ Ik wilde geen ontslag nemen, want dan kun je niet gaan stempelen. ‘Ontsla mij maar zelf’, zei ik. Maar dat weigerde hij, omdat dat te veel zou kosten.

“Ik heb heel diep gezeten, op het randje van zelfmoord. ’s Morgens op weg naar het werk reed ik met mijn brommer langs de steenweg. Als ik in het donker de lichten van de vrachtwagens uit de andere richting zag komen, zag ik mezelf al onder de wielen liggen. Ik heb eraan gedacht om van een brug te springen. Zo ellendig voelde ik me. Je denkt niet meer helder op zulke momenten. Ik sprak er met niemand over, ook niet met mijn vrouw of mijn ouders. Mijn broer stuurde me naar een dokter. En die schreef me onmiddellijk ziekteverlof voor. De vakbond heeft ervoor gezorgd dat ik uiteindelijk toch mijn ontslag heb gekregen.

“Ik heb drie jaar met een depressie thuisgezeten. Het eerste jaar heb ik geen voet buiten de deur gezet. Als ik op straat nog maar in de buurt van de winkel kwam, blokkeerde ik helemaal. Ik zat altijd thuis, ik had nergens zin in, bewoog niet meer. Als een nachtkaars die uitdooft. Toen ik zelfs niet meer naar voetbalwedstrijden keek, wist mijn vrouw dat het echt slecht met me ging.

“Heel moeizaam ben ik uit die put gekropen, met medicatie en de hulp van een psycholoog. Ik ben opnieuw aan het werk, maar niet meer in een bakkerij. Nooit meer. Dat laatste jaar heeft te diepe littekens nagelaten. Ik ben een muziekfreak, maar ik kan nog altijd niet luisteren naar muziek uit die periode, want dan komen al die zwarte gedachten naar boven. Ik haat die gerant voor de rest van mijn dagen. Hij heeft mijn leven bijna kapotgemaakt. Had mijn broer me niet naar de dokter gestuurd, dan was ik er waarschijnlijk niet meer geweest.”

LOOD IN SCHOENEN

Het verhaal van Freddy is geen uitzondering, zegt Chahida Azzarouali van de KU Leuven, die onderzoek doet naar pesterijen op het werk.

Azzarouali: “Werknemers in de industriële en de voedingssector lopen het meest risico om gepest te worden. Ook bij de ambtenaren in de openbare sector zien we hoge cijfers. Veel hangt af van de werkomstandigheden in een bedrijf en de manier waarop het wordt geleid.”

Pestcoach Michel Lamine, die slachtoffers van pesterijen begeleidt, krijgt opvallend veel vragen van mensen uit het onderwijs en overheidsinstellingen.

Lamine: “Niet toevallig zijn dat twee sectoren met vaste benoemingen. In de ambtenarij zijn er logge procedures en is er helaas ook een relatief groot aandeel ongemotiveerde werknemers. Wie vastbenoemd is, krijg je niet zomaar weg, en dan is treiteren hét middel om een uitgebluste collega te doen vertrekken. Omgekeerd kunnen pesters daardoor ook moeilijker gestraft worden. Ze worden bijvoorbeeld overgeplaatst naar een andere dienst, waar ze meteen een nieuw slachtoffer kiezen.”

Uit onderzoek blijkt dat arbeiders meer pesten dan bedienden, maar pesten ze op een andere manier?

Lamine: “Bij hooggeschoolden gaat het er iets subtieler aan toe en duurt het soms langer voor mensen beseffen dat ze het mikpunt zijn. In bijna 70 procent van de gevallen gaat het over een leidinggevende die een ondergeschikte pest. In de andere gevallen zijn het de collega’s die je het leven zuur maken.”

Hoe begint dat?

Lamine: “Het zijn altijd dezelfde mechanismen. Eerst stellen ze je competentie ter discussie. Doe jij je werk wel goed? Ben je wel betrokken? Een collega maakt een scheve opmerking over het verslag dat je hebt geschreven. Of een leidinggevende is hyperkritisch en wijst je steeds op zogenaamde fouten. Niet één keer, maar elke dag, meermaals. Collega’s gaan over je klagen. In het begin weet je niet goed wat je overkomt. Het maakt je heel onzeker.

“Dan merk je dat mensen niet meer met je praten. Ze negeren je of sluiten je uit. Ik heb eens een ambtenaar begeleid die als enige van zijn dienst in een ander gebouw moest gaan zitten, weg van alle collega’s, zonder wc. Om naar het toilet te gaan moest hij telkens de straat oversteken. Het kan ook subtieler: vier collega’s gaan ’s middags altijd samen eten. Jij zit erbij als vijfde, maar je wordt nooit meegevraagd.

“Je wordt niet uitgenodigd op vergaderingen, waar afspraken worden gemaakt die jij dan natuurlijk niet opvolgt. En vervolgens word je met de vinger gewezen: ‘Dit hadden we toch anders afgesproken? Ben je dan niet op die vergadering geweest? Ah, nee? Hoe komt dat? Kun je je job wel aan?’ Je moet al sterk in je schoenen staan om dan niet aan jezelf te beginnen twijfelen. En soms ga je daardoor ook meer fouten maken.

“Collega’s kijken je voortdurend op de vingers en verbeteren je. Informatie wordt achtergehouden, deadlines worden verschoven, afspraken gewijzigd. Je verliest je autonomie, je kunt je werk niet meer doen zoals je het zelf wilt. Niet toevallig zijn dat net de drie dingen die je als werknemer gemotiveerd houden: het gevoel dat je je werk goed doet, de verbondenheid met collega’s en je autonomie. Mensen die gepest worden, verliezen hun drive en gaan op den duur met lood in de schoenen werken.

“Dat kan maanden of jaren aanslepen. Ik heb één geval gehad, van een mecanicien in een bekend transportbedrijf, die al 25 jaar gepest werd voor hij stappen durfde te ondernemen. En zodra je als slachtoffer reageert, escaleert het meestal. De dader zal altijd ontkennen of minimaliseren, en dan is het heel moeilijk om te bewijzen dat je gepest wordt. Veel verhalen eindigen er helaas mee dat het slachtoffer uit de organisatie vertrekt.”

KIBBELKIPPEN

Sarah is pas 23, maar ze kwam al in haar allereerste job in een cultuurcentrum in het vizier van een oudere, twistzieke collega.

Sarah: “Ik was pas afgestudeerd en droomde van een job in de cultuursector. Maar we zaten net in de eerste coronagolf, en veel jobs werden geschrapt. Toen ik een administratief baantje in een cultuurcentrum kon krijgen, wist ik dat dat geen grote uitdaging zou zijn, maar ik was blij dat ik ervaring kon opdoen. De baas ontving me als een golden child en zei dat ik met mijn profiel zeker kon doorgroeien. Maar voorlopig werkte ik bij het balieteam met drie andere vrouwen in een glazen hok. Eerst waren ze heel vriendelijk, maar al snel voelde ik dat er iets goed scheef zat tussen de dames. Echte kibbelkippen, allemaal een stuk ouder dan ik. Ze klaagden over de werkdruk en vonden dat het creatieve team en de leidinggevenden op hen neerkeken: ‘Wij zijn alleen goed voor het vuile werk.’ Dat vond ik niet altijd terecht, maar ik probeerde me erbuiten te houden.

“Nancy was de luidruchtigste van de drie, een theatraal type dat bij het binnenkomen haar handtas op tafel gooide en onmiddellijk een verhaal afstak over de problemen met haar puberdochter. Ze probeerde me eerst aan te halen als vriendin, maar ik bewaarde wat afstand. Dat nam ze me kwalijk, denk ik. En zo begon ze stilaan mij te viseren.

“Ik moest me nog inwerken, maar bij de kleinste fout riep ze me ter verantwoording in het bijzijn van iedereen. ‘Dit heb je echt niet goed gedaan, Sarah, herbegin maar.’ Als ik een kastdeur vergat te sluiten: gedoe. Ik wist niet goed wat ik ervan moest denken. Een collega zei me dat ik moest uitkijken: ‘Als Nancy je in het vizier krijgt, kraakt ze je af. Op den duur gaan mensen geloven dat je je werk niet goed doet.’

“Ik hoorde dat ze een reputatie meesleepte en al op twee stadsdiensten overgeplaatst was omdat ze collega’s had gepest. Blijkbaar is dat moeilijk te bestraffen in de publieke sector. Je kunt iemand op het matje roepen, maar verder heeft het geen gevolgen. Nancy was vastbenoemd. Als de collega’s het niet met haar uithielden, werd ze gewoon overgeplaatst. Ik denk dat haar gedrag daardoor met de jaren erger werd.

“Ze begon me met mails te bombarderen, met de baas in cc, over allerlei fouten die ik in haar ogen had gemaakt. Vaak onbenulligheden, maar ze maakte er een drama van. De baas had waarschijnlijk geen tijd om al die mails te lezen, maar het maakte mij heel zenuwachtig. De berichten werden steeds vijandiger. Ze belde en mailde me ook boos over één of ander detail als ik een vrije dag had – omgekeerd mochten wij haar dan nooit bellen of mailen. Mijn dag was meteen vergald.

“Ik heb me lang afgevraagd of dat nu pestgedrag was. Het was allemaal zo subtiel, en bovendien zat ze voortdurend te klagen dat ze het zo moeilijk had. Ze hing echt het slachtoffer uit. Tegen mij was ze almaar kribbiger, zeker toen ze merkte dat de baas mijn werk waardeerde – ik leerde snel, en het was geen rocket science. Ze schoof zonder uitleg taken naar mij door en had achteraf altijd vernietigende commentaar. Ze nam onaangekondigd een week vrij – ‘want dat heb ik echt nodig’ – en liet stapels werk op mijn bureau achter. Dan kreeg ik de vervelende telefoontjes over deadlines die zij had afgesproken, terwijl ik van niks wist. Ik hoorde dat ze dat wel vaker flikte met collega’s die ze niet mocht. Maar blijkbaar sprak niemand haar daarop aan, en ik moest het wel oplossen.

“Ik ging me steeds slechter voelen en ging met een klem om mijn hart werken, bang voor mijn mails en voor haar scherpe tong. Wat zal het vandaag weer zijn? Ga ik weer een mail krijgen met de baas in cc? Een andere collega sprong soms op de kar en heeft me zelfs een keer uitgescholden omdat ik op een verkeerde knop had gedrukt. Daar sta je dan, als nieuwbakken afgestudeerde. Was dit hoe het er normaal op een werkvloer aan toegaat?

“Maandenlang had ik het gevoel dat mijn werk me overal achtervolgde. Het bezorgde me mateloze stress. In het weekend flipte ik over de kleinste dingen die thuis niet goed gingen, of ik viel uit tegen mijn vriend. Op de hevigste momenten heb ik ook angstaanvallen gehad. Ik sliep echt heel slecht. Mijn psychologe zei dat ik moest stoppen met dat werk, want ik had het over niks anders meer: ‘Desnoods ga je aan de kassa van een warenhuis werken.’ Als er een vacature was, zou ik het ook gedaan hebben. Het kon mij niks schelen, als ik me maar niet constant bekeken voelde en op eieren moest lopen.

“Na lang twijfelen sprak ik er toch de baas over aan. Hij gaf mijn collega’s een halfslachtig standje, maar greep niet in. ‘Jullie moeten het onder elkaar oplossen’, zei hij. Dat vond ik stuitend. Van in het begin voelde ik dat er een veel dieper ongenoegen in het team leefde, dat niets met mij te maken had. Veel frustraties kwamen voort uit de manier waarop het werk was geregeld, de inefficiëntie, de baas die zijn mails niet beantwoordde. Ik was gewoon de bliksemafleider. Maar ik leed er wel enorm onder.

“Uiteindelijk heeft de baas toch een gesprek georganiseerd tussen Nancy en mij, na het zoveelste incident. Dat verliep via Teams, en misschien maar goed ook, want ze begon te schreeuwen. Dat ik op haar neerkeek en daar toch maar zat te wachten tot er een betere job passeerde. Dat ik genoot van haar verdriet. De baas kreeg er geen woord tussen, en ik kreeg het allemaal over me heen. Ik was sprakeloos. Ik ben een monster, dacht ik, terwijl ze maar doorraasde. Ik barstte in tranen uit en durfde de rest van de dag niet meer naar mijn computer te kijken.

“’s Avonds ben ik naar de dokter gegaan, die zei dat ik op een burn-out afstevende en me een maand rust voorschreef. Toen ik terugkwam, heb ik ontslag genomen. Het werk maakte me doodongelukkig.

“Vandaag werk ik voor een theatergezelschap. Ik verdien veel minder, ik moet veel harder werken, heb late uren en zit ook langer op de trein, maar ik ben nu veel gelukkiger. Het heeft me doen beseffen wat voor schade pesterijen kunnen aanrichten. Ik heb er maar negen maanden gewerkt, waarvan ik één maand ziek ben geweest door die pesterijen. Het had veel erger kunnen worden, en ik ben immens opgelucht.”

Michel Lamine. Beeld HUMO
Michel Lamine.Beeld HUMO

FLAUWE TREES

Twee sectoren waar tijdens de coronacrisis meer klachten waren over pesterijen, stress en burn-out, zijn de zorg en het onderwijs. Dat blijkt uit de meldingen bij de externe preventiedienst IDEWE, waar werknemers ondersteuning kunnen krijgen. ‘In die sectoren stonden de mensen ook het meest onder druk’, zegt Hilde De Man, verantwoordelijke voor het psychosociaal welbevinden.

Merkwaardig dat er ook gepest wordt in de zorg, waar je net verwacht dat mensen meer respect voor elkaar hebben.

De Man: “Nergens stond het personeel meer onder druk dan in de ziekenhuizen en de rusthuizen. Door de voortdurende reorganisatie met covid-afdelingen werden zorgverleners uitgestuurd om andere afdelingen te depanneren, zonder de gepaste opleiding. De inhoud van hun job veranderde, zodat ze zich minder zeker gingen voelen. Ze moesten werken met andere patiënten en ander materiaal. Bovendien hadden ze hun vertrouwde team niet meer rond zich. En de regels veranderden voortdurend, golf na golf. Dat gaf meer stress, en dus meer prikkelbaarheid.”

Kortom, een ideale voedingsbodem voor pesterijen.

De Man: “(knikt) Je zag teams die hechter werden omdat ze samen heel emotionele situaties hebben beleefd en door een moeilijke periode moesten. Maar in de teams waar het al wat moeilijker ging, kwamen de spanningen nog meer tot uiting. Als dat uitmondt in pesterijen, zijn het meteen zwaardere dossiers. De meningen over het gevaar van het coronavirus liepen soms uiteen en er werd geruzied over het belang van de coronamaatregelen – niet iedereen volgde die in dezelfde mate op. Ook de quarantaine zorgde voor wrevel tussen collega’s die verplicht thuisbleven en niet wisten hoe zwaar het was, en de werknemers die alles draaiende moesten houden en foeterden op de afwezigen, ‘want die hadden het gemakkelijk’.”

Toen we een oproep aan slachtoffers deden, kwamen er opvallend veel reacties uit het onderwijs. Dat ging ver: leerkrachten maken elkaar zwart bij de ouders van hun leerlingen, één leerkracht kreeg zelfs een anonieme dreigbrief in de bus met de boodschap dat ze niet thuishoorde op de school.

Lamine: “Leerkrachten kunnen elkaar het bloed onder de nagels vandaan halen. Net als in de publieke sector heb je daar het systeem van de vaste benoemingen, een sluipend gif. Als er verhalen over pesterijen opduiken, kijken de directies vaak de andere kant op. Ze willen zich niet in dat wespennest begeven en schuiven het probleem van zich af: ‘Wat is dit voor een kleutertuin? Los dat eens onder elkaar op.’ Zo blijven onderhuidse conflicten etteren. Voor je het weet, is het oorlog in de leraarskamer.”

Wanneer kleuterjuf Anna (39) ons haar verhaal doet, is ze nog steeds met ziekteverlof. Ze kan zelf nog altijd niet geloven dat ze thuiszit door een depressie, nadat collega’s haar meer dan een jaar lang in het geniep hebben onderuitgehaald.

Anna: “Ik heb veel ergere dingen in mijn leven meegemaakt, en ik heb mij er altijd doorheen geslagen. Maar hier kan ik niet mee om. Ik kan nog altijd niet voorbij het schooltje wandelen zonder dat er tranen vloeien. ‘Flauwe trees,’ zeg ik dan tegen mezelf. Het voelt ook zo onrechtvaardig. Ik had niet thuis moeten zitten, ik had voor mijn kleuterklasje moeten staan. Vroeger dacht ik dat er altijd wel een reden was als mensen gepest werden. Dat ze het zelf een beetje hadden gezocht. Daar schaam ik mij nu voor. Ik had nooit gedacht dat het mij zou overkomen. Mijn man geloofde het eerst niet, omdat ik zo sterk ben. ‘Jij toch niet, Anna?’ zei hij. Jawel, hoor. En ik weet nog altijd niet waarom.”

Je stond al achttien jaar in de derde kleuterklas zonder dat er ooit problemen waren geweest.

Anna: “Ja, en ik doe mijn werk héél graag. Maar in 2019 had ik zin om eens iets anders te doen en naar de eerste kleuterklas te gaan. De juf en de directie gingen akkoord, en in september 2019 begon ik bij de allerkleinsten te werken. Het was aanpassen, maar het ging supergoed. Wel merkte ik dat vier collega’s het plots moeilijk met me hadden. Ze zeiden niks meer tegen mij en meden me. Soms zag ik ze in een groepje staan en naar me wijzen en lachen. Daar word je superonzeker van. Waarom kijken ze zo? Heb ik een vlek op mijn kleren? Als ik bij een groepje kwam staan, gaven ze elkaar een stomp of trokken ze ogen: ‘Ze is daar!’ Ik vroeg of er iets was, of ik iets verkeerds had gedaan, waarop er altijd een weinig overtuigende nee klonk.

“In de klas merkte ik dat er materiaal was verdwenen, speelgoedbakken en grote prenten die ik gebruikte om verhaaltjes te vertellen. Voor kleuters is dat erg belangrijk. Bij een verhuizing, maanden later, heb ik de spullen teruggevonden, weggestopt in een rommelhok waar ik geen sleutel van had. Juf Denise, die bij de 3-jarige kleuters stond, was de ergste. Ik stond bij de kinderen van 2,5 jaar, en onze klasjes lagen vlak naast elkaar. Was ze boos op mij omdat ik haar collega had vervangen? Ik weet het nog altijd niet, maar soms sprak ze drie weken niet tegen mij. Zelfs geen goeiemorgen, wat vreselijk is als je elkaar voortdurend in de gangen kruist. Eerst dacht ik nog dat ze zich misschien niet goed voelde, maar dan zag ik haar in de eetzaal wel met collega’s lachen. Dan besefte ik dat ze alleen tegen mij zo deed. Ze wilde nooit samenwerken. Stelde ik voor om met onze kleuters samen op kabouterwandeling te gaan, dan had zij al plannen met een andere juf. Hoedjes knutselen, een dansje oefenen voor het kerstfeest: dat waren dingen die de klasjes van de allerkleinsten normaal samen deden, maar zij had altijd al iets in haar eentje geregeld.

“Toen het schooljaar voorbij was, had ik een hele vakantie nodig om van dat heftige jaar te bekomen. Maar in september begon alles opnieuw. Stilaan kreeg ik vragen van collega’s uit de basisschool: ‘Wat hebben die andere kleuterjuffen tegen jou? Doen ze altijd zo?’ Dat was eerlijk gezegd een opluchting: ik beeldde me dus niks in. Op school toonde ik nooit hoe hard ik onder die plagerijen leed, maar vanbinnen vrat het me kapot. Ik slingerde tussen onzekerheid en boosheid. Ik ben helemaal niet gewelddadig, maar als juf Denise weer met de collega’s stond te lachen en te wijzen naar mij, had ik zin om ze te slaan.

“In februari van dit jaar keerde een kinderverzorgster na een jaar afwezigheid terug. Ze was goed bevriend met juf Denise. Zonder mij te zien is ze op haar eerste werkdag naar de directie gestapt om te zeggen dat ik haar pestte. Dat vond ik zó onwezenlijk en zo onrechtvaardig, dat ik naar de preventieadviseur ben gestapt om mijn beklag te doen over de pesterijen die al anderhalf jaar aan de gang waren.

“Er is één bemiddelingsgesprek geweest tussen juf Denise en mij. De lichaamstaal zei alles: zij leunde achterover in haar stoel, met de armen gekruist, ik zat voorovergebogen, het hoofd en de schouders omlaag. Ze ontkende alles. Op de concrete voorbeelden die ik aanhaalde, gaf ze geen antwoord, maar ze kroop zelf helemaal in de slachtofferrol. Zíj was diegene die het moeilijk had. Na dat gesprek was ik woedend en radeloos, en ben ik naar mijn huisarts gegaan. Daar heb ik mijn hart uitgestort. Hij schreef me meteen zes weken rust voor. Dat is niet nodig, dacht ik eerst, maar kijk, ik zit nog altijd thuis. Gelukkig heeft mijn familie me enorm gesteund. Als je er alleen voor staat, denk ik dat het veel moeilijker is om uit het dal te kruipen.

“Als kind of tiener ben ik nooit gepest. Ik kende dat gevoel niet. Ik dacht ook altijd dat pesterijen me niet zouden raken, dat ik daarboven zou staan. Nu denk ik daar heel anders over. Je wordt ontzettend onzeker over jezelf. Je weet dat je dat niet mag toelaten, maar toch gebeurt het. Ik heb me op geen enkel moment laten doen, maar toch ben ik eronderdoor gegaan.”

RODDELCAMPAGNE

Beseffen pestkoppen hoe zwaar de impact op hun slachtoffers is?

Lamine: “In veel gevallen niet. Pesten gebeurt vaak uit onzekerheid, omdat mensen zelf onder druk staan om te presteren en hun stress dan afwentelen op een zondebok of op de zwakste schakel in de groep. Je hebt daders die van nature asociaal en meedogenloos zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat ook normale mensen zich als pester kunnen gedragen, als ze zich in een hoek geduwd voelen en als de werkomgeving het toelaat of zelfs stimuleert.”

In iedere mens zit een pester?

Lamine: “Ja, daar ben ik inmiddels van overtuigd. Tijdens mijn lezingen leg ik daar altijd de nadruk op: een dader is niet noodzakelijk een schurk. Ik heb er eens over gepraat met een leerkracht die zelf een kwelduivel was geworden en haar collega probeerde weg te pesten. Ik was er op uitnodiging van de schooldirectie om een lezing te geven voor het lerarenkorps, omdat er inderdaad klachten waren over pesterijen onder het personeel. Op een bepaald moment toon ik een slide met de typische reacties van een pestkop die wordt ontmaskerd. Meestal ontkennen of minimaliseren ze alles, of ze gaan in de tegenaanval en spelen zelf het slachtoffer. Tijdens mijn uitleg staat plots een vrouw in het publiek op: ‘Ik kan dit niet meer horen.’ Die leerkracht is weggestapt, omdat ze zichzelf als dader herkende, en wist dat al haar collega’s dat ook deden.

“Achteraf heb ik met haar gepraat, en ze heeft me verteld waarom ze het deed. Alles ging terug op een incident van jaren geleden. In de leraarskamer was een conflict ontstaan door een amoureuze affaire tussen twee leerkrachten. Dat gaf zoveel spanningen, ook onder de andere collega’s, dat één van de twee besloot om over te stappen naar de privésector. Een andere leerkracht, de latere pestkop, heeft in diezelfde periode borstkanker gekregen. Ze herstelde en kwam weer lesgeven, maar ze was ervan overtuigd dat haar kanker was veroorzaakt door de spanningen op school.

“Toen de lerares die naar de privé was overgestapt, vier jaar later terugkeerde naar de school, schoot haar collega in paniek. Ze was doodsbang dat de nieuwe situatie zo stresserend zou worden dat ze opnieuw kanker zou krijgen. En dus probeerde ze alles om haar te overtuigen weer weg te gaan. Dat begon met kleine incidenten, maar toen de leerkracht niet vertrok, ging ze steeds verder: ze ging roddelen tegen de ouders van de leerlingen over haar zogenaamde losbandige levensstijl, ze verstopte haar post en heeft zelfs een keer een stapel proefwerken doen verdwijnen. Heel gemeen en onder de gordel, maar was die pestkop daarom een slechterik? Eigenlijk was het een heel normale vrouw, die door haar angst voor kanker wild om zich heen is beginnen te slaan.”

Valt zoiets nog op te lossen?

Lamine: “In dit geval is het geëindigd met een gesprek met de raad van bestuur van de scholengroep. Het slachtoffer heeft toen een andere plaats gekregen in een school in de buurt. Is dat een goed resultaat? Eigenlijk niet, hè.”

Hoe vaak zie je dat het toch nog goed afloopt voor het slachtoffer?

Lamine: “Heel zelden. Van de ongeveer zevenhonderd dossiers die ik heb behandeld, waren er welgeteld drie happy endings. Zo herinner ik me het verhaal van een leerkracht die op het punt stond ontslagen te worden op haar school, omdat een collega een roddelcampagne tegen haar had opgezet. Totaal uit de lucht gegrepen leugens, maar de directie geloofde ze. De ouders van de leerlingen hebben de leerkracht toen gered. Zij hadden een heel goede verstandhouding met de juf van hun kinderen en geloofden al die verhaaltjes niet. Ze zijn een petitie gestart en hebben ook handtekeningen verzameld van de ouders van de jaren voordien. Dat heeft de directie doen nadenken: klopten al die verhalen over de juf wel? Uiteindelijk is de situatie volledig gekeerd: de gepeste leerkracht mocht blijven en de pester werd weggestuurd. Maar dat zijn grote uitzonderingen. Als slachtoffer ben je eigenlijk weerloos, en de antipestwetgeving biedt weinig oplossingen.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234