Donderdag 09/12/2021

Vrijen en schrijven in de natuur

Vandaag is het precies honderd jaar geleden dat George Orwell werd geboren. Van de Britse academicus Peter Davison verschijnt een herziene versie van The Complete Works of George Orwell; zijn weduwe schreef een biografie en speciaal voor dit eeuwfeest worden van Orwell zelf de vierde en vijfde levensbeschrijving aangekondigd. Auteur Marco Daane trok naar de plekken in Engeland waar Orwell een deel van zijn leven doorbracht.

Henley-on-Thames is het spoor van George Orwell bijster. De wereldberoemde auteur heeft er tijdens zijn jeugd gewoond, maar niemand weet meer precies waar. 'Ermadale', het huis aan Vicarage Road, waar het gezin in 1904 vanuit India neerstreek, is letterlijk zoek. Nieuwe eigenaren gaven het een andere naam, en de juiste archivalia ontbreken om het te traceren, vertelt een medewerker van de plaatselijke toeristische dienst me. Hetzelfde geldt voor 'The Nutshell', Orwells tweede huis aan Western Road. En aan 36 St. Mark's Road staat ook de derde woning er zonder de minste verwijzing bij.

Het is een uitzonderlijke toestand. Orwells verblijfplaatsen op het platteland staan er nog bijna allemaal, vaak gemarkeerd. Zijn kostschool St. Cyprian's in Eastbourne brandde in 1939 af, alleen de bijgebouwen bleven over. Toch hangt er aan Summerdown Road een gedenkplaat. "Such, such were the joys" was Orwells eigen gedenkschrift voor de lijfstraffen en intimidaties die hij op St. Cyprian's onderging: "Jarenlang verafschuwde ik de naam alleen al zo intens, dat ik er onvoldoende afstand van kon nemen om zo de betekenis te zien van de dingen die me daar overkwamen." St. Cyprian's bevatte de kiem voor het gedachtegoed dat de wereldliteratuur Animal Farm en 1984 zou opleveren. Tijdens Orwells Birmaanse diensttijd (1922-1927) deed het brute Britse kolonialisme daar nog een schepje bovenop.

Zijn familie verhuisde in 1922 naar Southwold, aan de oostkust van Suffolk. Daar gedenken ze hun voormalige ingezetene met een gevelsteen in Montague House aan High Street. Orwell schreef er in het begin van de jaren dertig Down and out in Paris and London en A Clergyman's Daughter. Verderop herinnert ook de naam van de Orwell Bookshop aan hem. De lokale kledingwinkel, Denny's, bewaart zorgvuldig de archiefboeken met Orwells bestellingen en maten.

Alleen de dames van de Tourist Information zijn niet helemaal 'bij'. Op mijn vraag naar een publicatie over Orwell in Southwold beweren ze even vriendelijk als glashard dat die niet bestaat. Hun eigen glossy toeristenmagazine bevat echter een fraai geïllustreerd artikel. Daarin staat niet hoe Orwell over het stadje dacht. "Eric verafschuwde Southwold", verklaarde zijn zuster Avril later. De dorpse badplaats herbergde veel gepensioneerde oud-Indiagangers en Orwell gruwde sinds Birma van koloniale vooroordelen. Hij zocht zijn heil buiten Southwold, aan zee of in de marslanden en heidegebieden. Met domineesdochter en lerares Brenda Salkeld ging hij er paardrijden. Tegen de avond stopten ze bij de Harbour Inn, een maritieme kroeg aan de rivier de Blyth. "We organiseerden het altijd zo dat we een kleine ruimte voor onszelf alleen hadden waar we rustig konden praten", getuigde zij later.

Er was nog een andere jonge vrouw met wie Orwell daar ronddwaalde: zijn buurmeisje Eleanor Jaques. Met haar had hij een méér dan vriendschappelijke omgang. Eleanor moet een van de eersten zijn geweest die hem in de liefde inwijdde. Dat gebeurde in de open lucht, in het nabijgelegen natuurgebied. "Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo heb genoten van expedities als van die met jou", schreef Orwell haar op 19 september 1932. "Vooral die dag in het bos voorbij Blythburg Lodge - weet je nog, die plek met die dikke lagen mos. Ik zal me dat altijd herinneren, met jouw mooie blanke lichaam in het donkergroene mos."

Vanuit Southwold zwierf Orwell langs diverse verblijfplaatsen in Londen en omgeving. Trouw- en andere plannen noopten hem in 1936 een vaste woonplaats te zoeken. Terwijl hij in Noord-Engeland The road to Wigan Pier voorbereidde, kreeg hij een huurhuisje aangeboden in Wallington, zuidwestelijk van Cambridge. Begin april streek hij neer in dat dorpje: een kerk en "twee pubs voor ongeveer 75 inwoners!"

Wallington ligt vijf kilometer van het station van Baldock. De weg erheen slingert tussen golvende akkers, slechts zelden onderbroken door grasland, bomen of een houtwal. Op de kruin van een helling liggen enkele onder bomen genestelde huizen. Honderd meter verder staan het kerkje en een zwarte houten boerenschuur met een naambordje, 'Manor Farm'. Wallington is een intiem, groen gehucht.

Naar verluidt komen hier busladingen Japanse toeristen naar Orwells fraai gerestaureerde cottage staren. Er hangt een herdenkingsplaquette. Ze zijn er in Wallington dan ook van overtuigd dat de schuur van Manor Farm model stond voor die van Animal Farm. In de brochure van St. Mary's Church lees ik over een charitatieve Animal Farm barn dance. De kerk schakelt Orwell überhaupt graag postuum in bij fondsenwerving. Binnen koop ik voor £2 een kopie van het huwelijkscertificaat van Eric Arthur Blair, 'Author', en Eileen Maud O'Shaughnessy. De opbrengst gaat naar restauratie van de kerk. Het muurtje rond het kerkhof, waar Orwell in een romantische opwelling overheen sprong om zijn bruid bij de poort te kunnen opvangen en naar de kerkdeur te dragen, staat er nog steeds getuige van te zijn. Orwell vond in Wallington vastigheid en rust. Zijn bestaan leek op dat van een keuterboer. Hij kocht kippen, eenden en een melkgeit, Muriel, die later in Animal Farm figureerde. De tuin, 'in een onbeschrijflijke staat', transformeerde hij in een bloeiende moestuin. Hij plantte ook fruitbomen, seringen en in de voortuin een Albertine-roos, die er nog steeds groeit. Orwell had iets met die bloem; op zijn graf wenste hij een Engelse roos, liefst een die wild mocht groeien. Dit alles was een soort roeping voor hem. "Ik haat stervende aarde", schreef hij zijn vriend Jack Common destijds. Er bestaat weinig twijfel over de oprechtheid van die gevoelens, die ook het gemak verklaart waarmee Orwell een primitief zelfvoorzienend bestaan aanvaardde, opzocht zelfs. In The Road to Wigan Pier noteerde hij bovendien dat je "voor het schrijven van boeken comfort en afzondering nodig hebt [...] maar ook gemoedsrust". Ook Homage to Catalonia ontstond er, evenals de ideeën voor het landelijke Coming up for Air en voor Animal Farm.

Na het begin van de oorlog verhuisde Orwell naar Londen. Soms vluchtte hij voor even naar Wallington. In zijn dagboeknotitie van augustus 1940 is de melancholie niet mis te verstaan: "Had dinsdag en woensdag twee schitterende dagen in Wallington. Geen kranten en geen woord over de oorlog. De haveroogst was gaande en we namen Marx [de hond] beide dagen mee uit om op konijnen te jagen, waarbij hij een onverwachte snelheid aan de dag legde. Het voerde me allemaal rechtstreeks terug naar mijn jeugd. Misschien was het wel voor het laatst dat ik iets van dat soort leven ervoer."

Grote drukte zou Orwell nochtans wederom naar 'buiten' drijven. Na het enorme succes van Animal Farm (1945) werd hij een veelgevraagd publicist. Zelf wilde hij rustig aan een volgend boek werken. Hij snakte naar een nieuwe retraite, en vond die in Barnhill, een boerenhuis op Jura, een afgelegen, onherbergzaam Schots eiland. Alle bewoners (ongeveer tweehonderd) leven aan de oostzijde. De hoofdplaats Craighouse ligt aan een oogverblindende baai met palmen.

Op 22 mei 1946 arriveerde Orwell in Barnhill - alleen, Eileen was een jaar eerder overleden. Onmiddellijk begon hij een nieuwe thuis op te bouwen. De sobere inrichting breidde hij uit met zelfgetimmerde meubelen. Hij ging turfsteken, vissen, schoot herten en konijnen en legde een moestuin aan.

Zijn verblijf was bedoeld te duren tot de herfst. Gedurende die maanden krabbelde Orwell slechts zo'n vijftig pagina's van zijn nieuwe boek bijeen. Het jaar daarop keerde hij echter terug, inmiddels vastbesloten zich er permanent te vestigen. Er kwam wat kleinvee en met een buurman startte hij zelfs een landbouwproject. In juni 1947 liet hij briefpapier vervaardigen met het briefhoofd 'Barnhill, Isle of Jura, Argyllshire'.

Barnhill ligt in het noordoosten van Jura. Vanaf de aanlegsteiger kronkelt de slagader van het eiland daarheen: een twee, drie meter brede B-weg. Hij is ruim veertig kilometer lang, maar zijn karakter - dat van een smalle, slecht onderhouden, scheefgebouwde achtbaan - verdriedubbelt hier alle afstanden. Uiteraard wordt hij amper gebruikt. Van Ardlussa tot Lealt loopt een dikke strook gras en onkruid over het wegdek, een natuurlijke middenberm.

Even voorbij Lealt - één bewoond huis - eindigt de weg. Een steeds slechter wordend spoor komt ervoor in de plaats. Auto's moet je achterlaten, meldt een bord ten overvloede. Wie zou zijn voertuig willen uitleveren aan de gaten in dit 'wegdek'?

Lopen dus, door een onbarmhartig, heuvelend toendralandschap. "Het is geen onaangename wandeling als het niet echt giet", schreef Orwell eufemistisch aan een vriend. Na twee uur wordt de omgeving vriendelijker, uitbundig zelfs. Een lager gelegen, witgekalkt huis komt in zicht.

Barnhill ligt bijna vijfendertig kilometer van Craighouse, met de enige winkel van het eiland; Ardlussa, waar de eigenaars woonden en Orwells post werd besteld, is twaalf kilometer. Boodschappen ophalen was een halve dagtaak; de arts deed er uren over om bij Orwell te geraken toen hij tuberculose onder de leden had. Orwell verdrong dit isolementsprobleem. "Vanochtend naar Ardlussa gelopen. Precies twee uur en een kwartier", noteerde hij schouderophalend in zijn dagboek. Er kwamen bovendien graag vrienden op bezoek, aangetrokken door Orwells brieven die gewaagden van "volstrekt onbewoonde baaien met schitterend wit zand en helder water waar zeehonden in rondzwemmen". Het probleem was dat dit allemaal waar was. Jura was Orwells toevluchtsoord. Hij voelde zich hier veilig en gelukkig - en bagatelliseerde ondertussen zijn ziekte. Vanaf eind 1947 was hij een halfjaar weg voor een tbc-behandeling.

Najaar 1948 voltooide hij 1984. Het was een tour de force. De tuberculose nam ernstiger vormen aan. Zittend in bed beëindigde Orwell zijn manuscript. Toen vervolgens geen typiste bereid bleek tot de tweedaagse reis naar Jura, tikte hij het zelf uit aan een tafel in de klamme, slecht geventileerde keuken. Met smerige tabak rookte hij zijn uitgewrongen lichaam nog verder de afgrond in.

Begin 1949 werd Orwell naar een sanatorium in de Cotswolds gestuurd. Een jaar later bezegelde een longbloeding zijn lot. Zijn testament bleek te openen met "I, Eric Arthur Blair, of Barnhill, Isle of Jura, Argyllshire".

In de toekomstroman die Orwell daar schiep, herschrijft hoofdfiguur Winston Smith in opdracht van de Partij voortdurend de geschiedenis. Thuis graaft Winston in zijn vervaagde geheugen naar het werkelijke verleden van voor Big Brother. Daarbij ziet hij steeds een bucolisch landschap voor zich. Op wanhopig bezwerende wijze geeft hij het een naam: het Gouden Land.

Onverwacht wordt dat werkelijkheid. Winston rebelleert samen met Julia, "the girl from the Fiction Department", tegen de Partij. Als verzetsdaad bedrijven ze heimelijk de liefde. Julia leidt Winston daarvoor naar een eenzaam plattelandsgebied.

Dit Gouden Land is Orwells oer-countryside: een gebied waarin je zou kunnen vissen, wandelen, tuinieren, met weilanden en beken als in Henley en bomen en hagen à la Wallington. Sommige bestanddelen plukte Orwell zelfs zeer letterlijk uit zijn biotopen. Zo figureert in Julia's routebeschrijving naar het Gouden Land de weg over Jura, met de natuurlijke 'middenberm'. Orwell droeg daar soms een zeis mee, om die biezen te snoeien als ze te hoog opschoten. Julia's wegwijzer voor Winston leest als een hommage aan die tijd: "Een half uur met de trein; bij het station linksaf; twee kilometer doorlopen; een hek waar de bovenste lat van af was; een voetpad door een weiland; een weggetje dat met gras begroeid was; een zandpad tussen struiken; een dode boom met mos erop."

Ook de liefdesscène zelf komt bekend voor. Orwells tweede vrouw Sonia Brownell zou met haar daadkracht en intelligentie model hebben gestaan voor Julia, The Girl from the Fiction Department, aldus Hilary Spurlings gelijknamige biografie. Hier frappeert de overeenkomst met Orwells eigen openluchtervaringen, met Eleanor Jaques in Southwold.

Eleanor had haar "blanke lichaam" met Julia gemeen, evenals haar donkere haar. Sonia, de Euston Road Venus, was blond en waarschijnlijk te knap als voorbeeld voor Julia; haar immers kon je "afgezien van haar mond niet mooi noemen". En net als Julia en Winston bedreven Orwell en Eleanor de liefde in een afgelegen bos. Het is vanuit Southwold bereikbaar via de oude spoorbrug over de Blyth, nabij de Harbour Inn. Talloze paden lopen daarvandaan naar de heidevelden en het westelijker gelegen bos; een Gouden Land an sich.

Het Gouden Land is George Orwells metafoor voor het Engeland dat hij sinds zijn jeugd koesterde. Al in de jaren dertig zag hij de Britse waarden bedreigd worden. In Coming up for Air was George Bowling zijn spreekbuis ter zake: "Is het voorgoed voorbij? Ik ben er niet zeker van. Maar laat me u één ding zeggen: het was een fijne wereld om in te leven. Ik hoor erbij. En u niet minder."

Dit bescheiden patriottisme weerklonk later scherper in Orwells politieke literatuur. In The Lion and the Unicorn (1941) schilderde hij bevlogen het Groot-Brittannië van na de oorlog. Hij bepleitte in dat essay "de verrijzenis van een specifiek Engelse socialistische beweging", die, mits juist aangepakt, een democratisch-socialistische staat zou invoeren: "Hij zal bedrijven hebben genationaliseerd, inkomens evenredig verlaagd, een klassenloos onderwijsstelsel opgezet." Orwell stelde zelf een zespuntig actieprogramma op. En herhaalde George Bowlings statement in een dwingende oproep tot saamhorigheid: "[...] het is jouw beschaving, het is jou." Zijn slotwoorden hadden zelfs Churchilliaanse allures: "I believe in England, and I believe that we shall go forward."

Het bleek na de oorlog een utopie. Orwell was diep ontgoocheld. 1984 was zijn bittere evocatie van dit failliet: een samenleving beheerst door Ingsoc, een gecorrumpeerde nepsocialistische tegenhanger van zijn English Revolution. Met als laatste restje beschaving het prototype van zijn Engeland: het Gouden Land.

Tegenwoordig heerst de opvatting dat Orwells angstbeeld allang niet meer actueel is. 1984? Ingehaald door de loop dan wel het einde van de geschiedenis. Een aardig verhaal, maar mag ik nu de afstandsbediening weer even?

Tijdens en na Thatcher heeft zich in Groot-Brittannië niettemin een ontwikkeling voltrokken die eveneens haaks staat op Orwells English Revolution. De tegenstellingen tussen noord en zuid en de inkomensverschillen zijn soms onthutsend. Openbare bedrijven zijn geprivatiseerd, met dramatische gevolgen; de National Health Service verkeert in een diepe crisis. En Labour doet alsof het beter gaat sinds het zelf regeert.

Op mijn tweede dag in Southwold word ik bij het ontbijt onweerstaanbaar The Guardian ingetrokken door de kop "Labour website spin like Orwell's 1984". Volgens een groep wetenschappers zou de Labour-website huisvestings-, misdaad- en werkgelegenheidscijfers "systematisch manipuleren". Wie lokale gegevens daarover opvraagt en negatieve tendensen mag verwachten, krijgt positievere regionale of landelijke cijfers te zien - zonder dat het ergens wordt vermeld. De woedende geografen trekken een vergelijking tussen de "statistische utopie" van de Labour-webmasters en Winston Smith, die op het ministerie van Waarheid de geschiedenis herschreef, eveneens in opdracht van 'de Partij'. Indeed, Orwell ís nog actueel; zeker in dit informatietijdperk.

Ook het landschap van Orwells natie heeft tegenwoordig een januskop. Ik zie hem als ik van Appleford naar Sutton Courtenay wandel, bezuiden Oxford. In dat Theemsdorp ligt Orwell begraven.

Halverwege voert het pad langs de Appleford and Sutton Courtenay Millennium Common. Een klein natuurgebied, verduidelijkt een bord. Er zijn houtlanden, weilanden, een beekje en meertjes. Konijnen maken zich uit de voeten bij mijn nadering. Een miniatuur-Gouden Land.

Op het aanpalende terrein staat de Didcot Parkway Power Plant. Zes koeltorens à la Doel domineren de wijde omgeving. Trucks en graafmachines grommen en brengen schrille gsm-achtige pieptonen voort. De energiecentrale stuit zelf soms een huiveringwekkend gebrul uit, als van een prehistorisch monster. Hekken, waarschuwingsborden en waakhonden grendelen grote slibvijvers hermetisch af.

Een bizar decor - la belle et la bête werkelijkheid geworden.

Het pad eindigt ook nog eens in wat de Engelsen zo onvertaalbaar mooi een chocolate box village noemen: Agatha Christie-cottages, schilderachtige pubs en een kerkje rond een village green. Aan de overzijde van de weg die Sutton Courtenay doorsnijdt voert een paadje naar de Theems. Die is hier nog smal, met weelderig begroeide oevers en daarachter de Sutton Pools, grote hengelvijvers.

Dankzij David Astor, uitgever van The Observer die vlakbij woonde, kon Orwell hier worden begraven. Zelf had hij daarvoor niets geregeld. In zijn testament suggereerde hij slechts "het dichtstbijzijnde geschikte kerkhof". Met Sutton Courtenay zou hij vrede hebben gehad. Toen Astor hem in 1948 te logeren uitnodigde, vond Orwell dat voorstel niet te versmaden: "Ik zou graag een weekend naar je huis in Abingdon komen in de zomer. Het moet heerlijk zijn om de rivier voor de deur te hebben. In juni of juli zal het daar goed vissen zijn, serpeling & kopvoorn. Het kan vrij goed vissen zijn in de Theems."

Naast het kerkhof drink ik een pint in een pub met de ongelooflijke naam George & Dragon. Vroeger hadden ze hier ook twee katten, George en Orwell. Ze hebben reeds lang het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld, vertelt de kastelein.

Een mooi gebaar, katten vernoemen naar de beroemdste ziel van Sutton Courtenay. Het is van een tederheid die je wilt vasthouden als je de begraafplaats naast All Saints Church oploopt. Want de teloorgang van Orwells Engeland is zelfs daar fysiek aanwezig, in de geluiden van Didcot Parkway. Het gebrul en gepiep van de energiecentrale zijn onontkoombaar. Alsof de monsterlijke 'levende' gebouwen uit 1984 steeds dichterbij komen.

En alsof deze ommuurde groene plek een schuilplaats is in de gemechaniseerde eenentwintigste eeuw, een nutteloos maar welkom gouden land. Met als middelpunt, achteraan op het kerkhof, een grijze steen die de plaats markeert waar George Orwell op een ijskoude winterdag werd begraven.

Vrijwel onmiddellijk zie ik de rozenstruik die bezit heeft genomen van zijn graf. Stugge doorntakken groeien tot hoog boven de steen met het eenvoudige opschrift "Here lies/ Eric Arthur Blair/ Born June 25th 1903/ Died January 21st 1950". Geheel overeenkomstig Orwells wens schieten ze geestdriftig alle kanten op. En er is nog iets. De Engelse roos staat in volle bloei. Vooral bij de eerste aanblik doet het tafereel me even de adem inhouden: overal aan de takken zitten felrode bloemen. De draak is hier - maar Saint George ook.

Marco Daane

Geraadpleegde literatuur:

Audrey Coppard en Bernard Crick (red.), Orwell Remembered, Londen, 1984.

Bernard Crick, George Orwell. A life, Harmondsworth, 1982.

Miriam Gross (red.), The World of George Orwell, New York, 1971.

Jeffrey Meyers, A Reader's Guide to George Orwell, Totowa, 1977.

Peter Davison (red.), George Orwell. Complete works, Londen, 1998-2002.

Michael Shelden, Orwell. The Authorised Biography, Londen, 1991.

Hilary Spurling, The Girl from the Fiction Department. A Portrait of Sonia Orwell, Londen, 2002.

Stephen Wadhams (red.), Remembering Orwell, Markham, 1984.

Ze zijn er in Wallington van overtuigd dat de schuur van Manor Farm model stond voor die van 'Animal Farm'Boodschappen ophalen was een halve dagtaak; de arts deed er uren over om bij Orwell te geraken toen hij tuberculose onder de leden had. Orwell verdrong dit isolementsprobleem

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234