Woensdag 23/06/2021

Vreemde tijden in de paskamer

Zonder hen waren Belgische ontwerpers als Dirk Bikkembergs en Ann Demeulemeester nooit zo goed gelanceerd geraakt bij binnen- en buitenlandse klanten. Drie pioniers-boetiekhouders blikken terug op 30 jaar avant-gardekleding verkopen. En denken vooruit, want het zijn vreemde tijden.

Het is een hartelijke ontmoeting, rond de tafel bij Gerda van Ravenstein. Alle drie voelden ze zich in het prille begin aangetrokken tot de eigenzinnige mode van de Belgische ontwerpers. Ze hebben ze mee op de kaart gezet, hebben sommigen wereldwijd beroemd zien worden, anderen in alle stilte van het toneel verdwijnen. Ze hebben zwarte sneeuw gezien en gouden tijden gekend. En nu, daarover zijn ze het eens, staan ze op een keerpunt. Hebben winkels - wat men in het Engels zo mooi de brick and mortar stores noemt - nog een toekomst?

"Laat dit geen doemverhaal worden", had Geert Bruloot (Coccodrillo, Antwerpen) van tevoren gesteld. Ook Sonja Noël (Stijl, Brussel) en Gerda van Ravenstein (Van Ravenstein, Amsterdam) zijn beducht voor negativisme. Maar alle drie moeten zij vaststellen dat het internet, grote ketens en de macht van de grote luxegroepen hun vak er niet gemakkelijker op hebben gemaakt. "Er is te veel, en de mensen zijn de weg kwijt."

"Ik liep onlangs door de Rue Saint-Honoré in Parijs," steekt Bruloot van wal, "dat is een aaneenschakeling van modezaken. Stel je voor dat dit allemaal slagers zouden zijn, of groentewinkels, dan zou iedereen zeggen: dit kan toch niet, dit is te veel. Maar bij mode vindt men dat blijkbaar normaal. Dat kan niet blijven duren."

Hetzelfde met ontwerpers, valt Sonja Noël hem bij. "Hoeveel defilés waren er in Parijs toen wij begonnen, nog geen derde van wat er nu is."

Toen, dat waren de jaren 80, met de eerste voorzichtige stappen van de Belgische ontwerpers in het buitenland. Sonja Noël opende haar eerste 'Stijl'-winkel in Brussel in september 1984. Geert Bruloot, die werkte als etalagist, begon dezelfde maand samen met zijn kompaan Eddy een kleine schoenenwinkel in Antwerpen, Coccodrillo. "Dat was in de Gaanderij, wat toen het mekka van de mode was in Antwerpen. Dirk Van Saene had er al een winkeltje, Beauties and Heroes. Zo leerden we snel Dirk en Walter (Van Beirendonck) kennen. Na zes maanden stapt Martin Margiela de winkel binnen en zegt: 'Ik maak schoenen, zijn jullie geïnteresseerd om ze te verkopen?' Een van de eerste klanten voor die schoenen is Ann Demeulemeester. Zo leren we Ann kennen. Dries (Van Noten) komt ook de winkel binnen en zegt dat hij op zoek is naar een stylist om de coördinatie en de decors te doen van zijn defilé, of ik dat wil doen. Dan leer ik (Dirk) Bikkembergs kennen, en wil zijn schoenen verkopen. Bij ons vliegen ze de winkel uit, maar elders moet niemand ze hebben.

"Het was toen de tijd van fijne, Italiaanse herenschoenen, en die van Bikkembergs waren zwaar en plomp. Alleen Shoebaloo in Amsterdam kocht ze aan. Ik stelde Dirk voor om ermee naar Londen te trekken, naar de British Designer Show. Die was toen hot, met ontwerpers als Katharine Hamnett, BodyMap, Culture Shock, Patrick Cox. Ik vroeg Walter om mee te gaan met wat kleren en toen Dries dat hoorde, wilde hij ook mee. En zo is het verhaal van De Zes beginnen te rollen.

"Toen ik de collectie van Ann voor de Gouden Spoelwedstrijd zag, was ik zo onder de indruk dat ik ze meteen wilde aankopen. Maar ik had niet eens een winkel. Ik ben dan met de kledingzaak Louis begonnen. De eerste seizoenen waren echt moeilijk. We hadden al zwarte sneeuw gezien met de schoenen, en met de kleren ging het niet veel beter. Men is hier pas de Belgen beginnen te kopen nadat men ze had ontdekt in Parijs bij L'Eclaireur of bij Barneys in New York."

Voor zonderlingen

Sonja Noël is er al even impulsief aan begonnen. "Ik was piepjong, zat in het laatste jaar Kunstgeschiedenis en woonde nog maar net in Brussel. Door een Zwitsers meisje dat bij ons kwam logeren en dat een boetiek had in Lausanne, leerde ik de Zwitserse ontwerpers kennen. Ik raakte gefascineerd door haar verhalen, haar manier van leven, en ik dacht: dat is iets voor mij. Zo'n winkel met onbekende ontwerpers openen, dat is artistiek, zoiets als een kunstgalerie. In Brussel lagen de bekende Franse en Italiaanse modehuizen in de bovenstad. In de Dansaertwijk was niets. Je had er de restaurants van de Vismarkt en één boetiek, Crea. Maar er waren wél grote panden voor weinig geld, daar hebben wij gebruik van gemaakt.

"Belgische mode was toen iets voor zonderlingen, zo helemaal anders dan het beeld dat men kende. Maar ik was radicaal, ook voor de inrichting van de winkel, met beton en staal. Via Marina Yee die in Brussel woonde, ben ik met de ontwerpers in contact gekomen. Ik wist van niks, moest van nul beginnen. Van mijn Zwitserse vriendin leerde ik dat ik naar Parijs moest om te gaan aankopen. Toen de Gouden Spoelwedstrijd werd georganiseerd, wilde ik alles aankopen wat ik daar zag. Maar het was nog niet eens geproduceerd, ook iets wat ik nog niet begreep. Stel je voor, het woord 'ontwerper' bestond zelfs niet. Men sprak nog van couturiers, of van stylisten. Ik ben begonnen met de collectiestukken van Marina Yee en Dirk Van Saene te verkopen."

Gerda van Ravenstein wilde zelfs helemaal geen winkel. "Ze hebben het mij opgedrongen", zegt ze lachend.

Haar ouders hadden een schoenenwinkel, waar ze werkte tot haar 20ste, en ze ging pas laat studeren, rechten. Op een advocatenkantoor werken, bleek haar snel te saai. "Ik wist niet goed wat ik verder zou doen, een vriend had een winkel gekocht bij mij om de hoek, in de Negen Straatjes, en dan ben ik toch die kant uit gaan denken. Samen met Hillebrand (van Kampen, haar man/kunstenaar; AG) zijn we overal in Europa winkels gaan bekijken. In Amsterdam had je weinig op modegebied, een enkele boetiek, De Bijenkorf, een chique winkelstraat en veel tweedehands. Ik heb me eindeloos verdiept in modetijdschriften, heb het echt op een studieuze manier aangepakt.

"Ik wou graag Dries Van Noten verkopen, maar toen wij begonnen in maart '91, kreeg je die kleren niet zomaar. Je moest er een soort examen voor doen. Christine (Mathys, Dries' toenmalige zakenpartner) en Linda (Loppa) kwamen samen naar Amsterdam om de winkel te zien en te kijken welke andere merken ik zou verkopen. Daarna mochten we naar de showroom in Parijs komen, en moesten we tonen welke keuze we eventueel uit de collectie zouden maken. Die kleren moesten we op een rekje hangen. Maar we mochten ze nog niet aankopen, dat was dan pas het volgend seizoen.

"We hebben onze zaak heel langzaam moeten opbouwen, en als je eenmaal enkele namen had, ging het makkelijker. Ik had al Béatrice Cousin ontdekt, en later Lieve Van Gorp, die ik bijzonder sterk vond, en Jurgi Persoons. Die jongeren wilden er graag bij, natuurlijk. Wij hebben op die manier echt een reputatie opgebouwd. Nu zeggen andere winkels: als het bij Van Ravenstein hangt, zal het wel goed zijn."

Een nieuwe wind

Ze zijn het erover eens, ze hebben de gouden tijden meegemaakt, en die komen niet terug. De klant is veranderd.
Bruloot: "We zijn gestart in een tijd dat er zeer weinig was en mode plots iets werd dat de mensen bij hun stijl­beleving wilden voegen. Je moest met mode bezig zijn."
Noël: "Er was een categorie van mensen die wel met mode wilde bezig zijn, maar zich niet thuis voelde bij Versace of Armani."
Bruloot: "Er waaide een totaal nieuwe wind door de mode. Het was begonnen met de Japanners, gevolgd door de Belgen, de Britten. Voor dat soort kleren kiezen was een vorm van rebellie, fashion had a meaning."
Van Ravenstein: "De mensen hadden een voorkeur voor één bepaalde ontwerper. Ze kleedden zich in Yamamoto, en dan kochten ze de hele outfit, aan het begin van het ­seizoen, want ze wilden het niet mislopen. En ze kochten ­specifiek bij jou, omdat ze ­wisten dat je hun smaak in voorraad had. Nu zijn de mensen eigenwijzer geworden, ze gaan van alles mixen. Ze laten zich ook niet meer ­vertellen wat ze moeten kopen."
Bruloot: "Augustus was een topmaand voor Louis, wij moesten openblijven tot acht, negen uur 's avonds als de wintercollecties binnenkwamen. In de schoenwinkel idem. Het mocht 30 graden zijn buiten in juli, de mensen trokken de winterlaarzen uit elkaars handen om ze toch maar te hebben. Het was als met een nieuwe plaat van The Rolling Stones, je moest dat hebben en je wilde er als de eerste bij zijn. Nu denkt men: heb ik het vandaag niet, dan wel morgen. Is het er niet meer? Dan kijk ik op mijn iPhone in welke webshop ik het nog kan vinden."
Noël: "De jonge generatie kijkt anders naar mode. De ­ontwerper is niet langer de kunstenaar op een ­piëdestal van wie je ­absoluut ieder seizoen een stuk moet ­hebben. Dat is ook gezond. Ik stel wel vast dat vooral grote namen het nu goed doen, dat de mensen niet openstaan voor iets dat ze niet kennen. Als ik een nieuwe ontwerper in huis haal, verkoopt dat heel ­moeilijk, maar je blijft het doen omdat het een deel van je identiteit is."

De Grote Huizen

Niet alleen de klanten veranderden, ook het ­mode­systeem zelf. Bijna dagelijks zijn er berichten over ­winkels die moeten sluiten. In de Verenigde Staten lopen de winkelcentra leeg, en je kunt met eigen ogen ­vaststellen dat er in luxewinkels vaak meer personeel staat dan klanten.
Bruloot: "De voorbije 15, 20 jaar hebben de grote ­huizen het moeilijk gemaakt om de ontwerpers waar wij voor staan, aan de man te brengen. Ze zijn zo agressief met hun ­campagnes begonnen dat de doorsneeklant erin is meegegaan. Azië gaat open en veel van de grote huizen hebben zich op die markt gegooid en Europa en de Verenigde Staten wat aan de kant geschoven. Hierdoor is ook de smaak veranderd. De nieuwe markten ­kicken op namen en logo's. Als je in Sjanghai een ­winkel van Chanel binnengaat, staan de ­tassen daar op rekken zoals bij ons broden bij de bakker. Totaal crazy. Als ik naar Parijs ga (om de shows te zien, AG), word ik op geen enkel moment nog beroerd. Er is geen emotie meer, het gaat alleen nog over budgetten.
"Bij de shows van Gaultier werd er ­destijds gejoeld op de tribunes, bij Comme des Garçons sprongen de tranen in je ogen. Weet je nog, de eerste show van Martin Margiela? Dat was a kick in your balls, dat was zo nieuw, zo anders dan wat we ooit ­hadden gezien. Zijn eerste ­collectie is zelfs nooit geproduceerd. De fabrikant die dat zou doen, dacht dat hij goed geld ging verdienen, maar toen hij het defilé had gezien, zaten hij en zijn vrouw erbij als door de bliksem getroffen." (algemeen gelach)
Noël: "Ik had toen ook besteld, en ­uiteindelijk enkele ­stukken van het defilé ­verkocht, in een soort tent in mijn winkel.
Van Ravenstein: "Het waren feestelijke ­tijden. Er ­werden ons geen budgetten ­opgelegd, en de klanten ­hadden zelf ook wat meer budget. Hoe gezellig was het, toen we met het busje (van het Flanders Fashion Institute, red.) van de ene showroom van een Belgische ontwerper naar de andere werden gereden. Zingend!"
Bruloot: "De grote omslag is er volgens mij gekomen met de eerste collecties van Tom Ford voor Gucci. Ik dacht: hemeltje, dat is zoals wij ons in de jaren 70 kleedden, met ­olifantenpijpen en brede riemen, het zal dát toch niet worden? Maar je voelde dat het dat wél zou ­worden, en dat wij ons daar niet in thuis voelden. Ze ­leggen je een minimum aantal stukken op en een te besteden budget, en ze komen zelfs in mijn winkel zeggen waar ik hun schoenen moet plaatsen."
Noël: "In het begin stonden Prada en Gucci bij mij te ­dringen om te kunnen verkopen, wat ik niet begreep, want het was een totaal andere stijl. Ik heb me laten ompraten en ben één keer gaan bestellen bij Prada, omdat ik daar nog een echte ontwerper in voel. Maar ik voelde onmiddellijk de druk en de hele machinerie die er achter zat. Thuisgekomen heb ik een brief geschreven dat ik mijn bestelling annuleerde."
Van Ravenstein: "De eerste keer dat je er binnenkomt doen ze dat niet, maar van seizoen tot seizoen drijven ze de budgetten op."
Noël: "De Belgen waar wij van in den beginne mee werkten, zijn ook groot geworden. maar die hebben nooit of te nimmer eisen gesteld, wat budget of keuze betreft. Wat ik ook logisch vind. Als ze mij vertrouwen, weten ze dat ik goed zal aankopen, en als ik 10 procent minder ­aankoop dan vorig jaar, is het omdat ik denk dat ik het niet zal kunnen verkopen. Wat is dat voor een onnozele ­strategie van die Italianen, die er elk jaar 20 procent ­bij zetten. Mocht ik dat ­kunnen omzetten, dan zou ik het toch doen?"
Van Ravenstein: "Bij de grote huizen wisselt men om de haverklap van ontwerper. Hoe wil je nu dat de ­mensen zich daar nog in ­herkennen? Dat ze nog trouw blijven?"

Liever een citytrip

Was mode in de jaren 80 een belangrijk onderdeel van je levensstijl, dan is dat ­inmiddels reizen geworden. De goedkope vluchten hebben een boost gegeven aan korte stedentrips.
Van Ravenstein: "Amsterdam is een echte ­bestemming voor stedentrips, zowel voor jonge mensen, voor het nachtleven, maar ook voor mensen die komen voor kunst. Als je een weekendje weg bent, heb je meer tijd, je gaat lekker eten, drinkt een glaasje en gaat dan winkelen. Mensen die in ons soort kleren geïnteresseerd zijn, kopen dan ook. Wij ­moeten het voor een groot deel daarvan hebben, meer dan van Nederlandse klanten."
Bruloot: "Antwerpen heeft geen toeristen, of toch niet de juiste. De stad positioneert zich nog altijd met diamant en chocolade, terwijl wij fantastische musea hebben. Wie kent er het Mayer van den Berg-museum? De mensen komen niet meer speciaal naar Antwerpen om te ­winkelen. Vroeger liepen hier Japanners, die zelfs geen woord Engels ­spraken, speciaal om de Belgische ­ontwerpers te komen ontdekken. Dat is niet meer, dat is voorbij. En van het eigen cliënteel is een groot deel ­weggevallen uit de Joodse gemeenschap. Velen zijn naar Tel Aviv ­verhuisd, terwijl dat destijds goed was voor de helft van de omzet van luxewinkels."
Noël: "In Brussel hebben wij dit seizoen behalve met het zachte weer moeten ­afrekenen met de specifieke ­situatie. Door het verkeersvrij maken van de grote lanen, leek het of het ­centrum niet meer bereikbaar was. Wij hebben een mooi cliënteel van de rand, maar die dachten dat ze niet tot bij ons geraakten.
"En dan de hele heisa rond Molenbeek, wij zitten net op de grens. De mensen denken dat de benedenstad Syrië is. Nochtans is de buurt aangenamer dan ooit. Er komen nieuwe restaurants, een librairie-winebar, ­sympathieke winkeltjes, mooie etalages. Ik zou willen zeggen tegen iedereen: kom terug naar de benedenstad, want het is er tof. Ik ben een dure winkel, maar om mij heen zijn zo veel kleine zaakjes, echt leuke dingen."
Noël: "Wij kopen in januari aan voor volgende ­winter. Vroeger waren de shows alleen voor professionelen, maar nu kan het publiek wereldwijd in real time ook die collecties zien, en bij sommige merken kunnen ze zelfs meteen bestellen. Op die manier kun je je klanten nog moeilijk verrassen.
"Soms zijn ze de stukken al beu gezien als ze in de winkel komen. Of ze zeggen, o Veronique Branquinho, ik heb de foto's gezien, daar zit niks tussen voor mij. Wat zij niet weten, is dat wij anders naar die shows kijken, dat wij de sfeer mee hebben en er de stukken uithalen die het wél zullen doen."
Bruloot: "Internet heeft alles veranderd. Vroeger kwam iemand de winkel binnen en vroeg: 'Heb je dat model in bruin in mijn maat?' Had je het niet, kon je ­zeggen: kijk eens, wel in het blauw, of met korte mouwen. Nu grijpen ze naar hun iPhone en zoeken waar ze het wél hebben.
"Vroeger had je ook de kranten die ­verslag maakten van de tendensen van het seizoen. Dat werd door ­redactrices in ­thema's gegoten op het moment dat het in de winkels kwam. Nu gaat dezelfde klant op internet ­kijken en wordt overdonderd door een gigantische ­hoeveelheid informatie.
"Wij voelen vaak dat klanten binnen­komen en zeggen: we weten het niet meer. En wat doen ze dan? Teruggrijpen naar de vaste waarden, naar de merken die het vaakst ­voorkomen in ­webshops, of de naam, of wat Kanye West draagt, of de rode zool. Als je iets speciaals laat zien, halen ze hun ­schouders op en ­zeggen, ik weet het toch niet..."
Van Ravenstein: "Mensen zijn ook echt niet meer zo trouw als vroeger, winkelen is een ­vrijblijvende vrijetijdsbesteding geworden. Ze maken meer ­stedentrips, het is ook leuk om iets te kopen in het buitenland. Onze vaste klanten komen niet meer graag op zaterdag, dan zijn er te veel toeristen die de ­winkels in- en uitsjokken. Ze komen wel vaker, vroeger werd er veel meer in één keer in het begin van het seizoen gekocht, nu komen de collecties meer gespreid binnen.
"Ik sta zelf niet veel meer in de winkel. Wat ik nog altijd heel graag doe, is de winkel ­inrichten, buiten de openingsuren, kijken hoe het erbij hangt, herschikken, een andere aanblik geven. En aankopen, daar kan ik echt enthousiast van worden, dat geeft energie."

Geen slavernij

En dan zijn er, wat Bruloot 'de Ikea's van de mode' noemt: "Ik vind de democratisering van de mode fantastisch, maar we mogen niet vergeten dat we de slavernij ­steunen. Wie is de rijkste man van de modewereld? Niet meneer Arnault (LVMH), maar de baas van Inditex (Zara)."
Noël: "En dan Primark! Wat een schande. En zeg me niet dat ze de jeugd de kans geven om goed gekleed te gaan voor weinig geld, want de jeugd was nooit zo slecht gekleed als vandaag. Zij die een beetje persoonlijkheid hebben, die kopen daar niet. Die geven liever 5 euro aan een tweedehandsstuk.
"Het is zo oneerlijk, want uiteindelijk ­vallen daardoor bij ons de eerlijke jobs weg. Het enige wat hier nog gebeurt, is de ­kartonnen dozen openscheuren. Niet alleen wordt er geen kleding meer gemaakt, maar ook de jobs eromheen, zoals ontwerpers, fotografen, stylisten, dat ­verdwijnt allemaal. (Verontwaardigd roepen ze alle drie door elkaar) We moeten het blijven zeggen. De macht ligt bij de consument. Als de klant zegt: bewijs me dat dit koosjer is gemaakt, dan koop ik het, anders niet, dan zal het wel stoppen."
Noël: "De mensen begrijpen niet waarom de dingen bij ons zo duur moeten zijn. Er is zelfs ongeloof: waarom zou ik 1.000 euro geven voor een mantel als ik er elders een voor 100 kan kopen?"
Bruloot: "Daar komt nog eens de dumpmarkt bij, de ­outlets. Er is een groot Italiaans merk dat ik niet zal ­noemen, met 500 eigen winkels, dat zijn grootste verkoop genereert in zijn outlet in Toscane. Ik had klanten die vroeger bij ons schoenen van Prada kochten, en nu niet meer, want tijdens hun vakantie in Italië kunnen ze ze goedkoper in de outlet gaan halen. Op die manier nekt zo'n merk toch zichzelf? Ik voel dat het systeem zoals het nu is, gaat instorten."
Van Ravenstein: "Zullen wij de kost er nog mee ­kunnen ­verdienen, vraag ik me soms af. Maar je zult zien, als we stoppen zullen de mensen zeggen, o wat jammer."
Noël: "De vraag is zullen wij in de huidige vorm nog bestaan? Ik heb twee ­resoluties genomen. Ik doe geen eigen webshop. Dat helpt de creativiteit niet, want men koopt toch alleen wat men kent. En twee: ik ­respecteer de seizoenen. Ik begin met de zomercollectie eind februari, en de winter in augustus. Geen ­precollecties. Ik hou niet van het gedoe dat er eind ­oktober al zomerkleren binnenkomen."
Van Ravenstein: "Bij ons gaat wat nog over is van de ­opruiming de kelder in, daar hebben we iedere zaterdag een outlet open, en we ­sluiten de winkel drie dagen om schoon te maken en in te richten met de nieuwe ­collectie. De winkel is als nieuw in februari, met nieuwe schilderijen, nieuwe schikking, en dan hangt alles mooi. We ­sturen een kaart naar de klanten voor de opening op zaterdag, en dat is altijd een van onze beste dagen."

Vastgoedmaffia

De 'bakstenenwinkels' hebben met nog een andere vijand af te rekenen: de huurprijzen.
Bruloot: "De grote merken die nu zo hoog van de toren roepen dat ze aan sustainable fashion doen met ­duurzaam katoen en zo, die nemen met de macht van hun geld in een stad als Antwerpen alle panden in de winkelstraten in. Voor een kleine ontwerper is het on-mo-ge-lijk geworden om er een winkel te openen. Alles is te duur. Eddy en ik, wij ­werken met Coccodrillo voor onze ­huisbaas. Wij draaien goed, maar de huren zijn zo ­astronomisch hoog dat we binnenkort eens goed ­zullen nadenken of we er wel blijven."
Noël: "En niet alleen door de mode­huizen, de ­makelaars spelen ook een vuile rol. In de Dansaertstraat kopen grote ­makelaars huizen op en halen op die manier merken naar hier die er eigenlijk niet passen. Wij hebben COS kunnen tegenhouden, maar niet definitief. Als die er komt, zullen andere ketenwinkels volgen, en dan kunnen die leuke tweedehandswinkeltjes de huur niet meer ophoesten en verandert heel de sfeer."
Van Ravenstein: "Ik had in de Negen Straatjes een ­bakker als buur die het heel goed deed, maar hij kon met zijn brood nooit zo veel verdienen als wat hem werd geboden door een makelaar. Er wonen ook geen gewone mensen meer, het is allemaal Airbnb geworden. Dat hou je niet tegen, dat gebeurt in elke stad."

Maar niet getreurd

Hoewel het gezelschap zich vast had ­voorgenomen geen klaagzang aan te heffen en niet nostalgisch te worden, klinkt de ­huidige toestand toch niet zo rooskleurig. Ze zijn realistisch, maar niet defaitistisch.
Bruloot: "Het wiel is aan het draaien, ik voel het. Ik ken mensen genoeg die het beu zijn om te kopen wat iedereen koopt. Men wil opnieuw een verhaal, een emotie."
Noël: "Het moet opnieuw over mensen gaan, niet over het product."
Van Ravenstein: "O, maar de mensen die je winkel ­bezoeken, komen niet voor de mensen die erachter zitten, maar voor het product."
Bruloot: "De jeugd denkt anders. Wij keken uit naar onze 18de verjaardag, wij wilden een auto. Dat interesseert de jongeren vandaag niet meer. Toen ik onlangs in San Francisco zat, was het zo duidelijk. We do it our way, en dat vind ik fantastisch. (instemmend ja­-geknik). Ze doen een garagedeur open en beginnen koekjes te bakken of mutsen te breien.
"De vraag is: passen wij daar nog in of ­liever, hoe ­passen wij daar in? Aankopen is veel moeilijker ­geworden. Vroeger had je een collectie die aansloeg, en dan liep die drie, vier seizoenen. Nu kun je een goeie ­collectie hebben, en volgend jaar moet ineens ­niemand ze nog hebben. Ik kan sneakers aankopen in vier kleuren, maar als Kanye West ze net in een andere kleur draagt, blijven we ermee zitten."
Noël: "Vroeger had ik echt een publiek dat je van verre kon herkennen. Die vrouwen hadden een look, een stijl. Nu komen er ­allerlei soorten mensen in de winkel, ik kan nooit voorspellen of ze gaan kopen. Op dat gebied heb ik soms het gevoel dat ik niet meer weet wat ik moet ­aan­kopen. Maar je hebt natuurlijk je ervaring, een basis waar je altijd op kunt terugvallen."
Van Ravenstein: "Bij ons in de winkel komt ook een heel gemêleerd publiek, wij moeten rekening houden met verschillende leeftijden, verschillende smaken. Ik kan niets inkopen wat ik lelijk vind, maar ik moet wel breder gaan."
Noël: "Omdat de grote huizen hoe langer hoe meer op elkaar gaan gelijken, overal ter wereld identiek zijn, zijn we op een punt gekomen, denk ik, dat precies winkels zoals de onze het verschil kunnen maken. Onze rol zal ­belangrijker worden omdat ze bij ons nog een identiteit vinden. Ik zorg toch nog altijd dat er bij ons jonge namen te ontdekken zijn, die nog niet bekend zijn."
Van Ravenstein: "Daar komt bij dat mensen een stijlvaste winkel waarderen. De klanten komen voor onze keuze; in alle rust passen en advies krijgen als ze dat ­willen, is een ­traditie bij ons. Maar ook alleen komen ­kijken als de ­prijzen - nog - te hoog zijn, met name voor jonge ­mensen, kan natuurlijk. Ik zorg dat er elk seizoen iets nieuws te ontdekken valt. We hebben zo veel buiten­landers, die zeggen: I love your choice, dat vind ik het mooiste compliment. Dat moet je echt ter harte nemen."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234