Vrijdag 15/11/2019

VOORPUBLICATIE

George Duncan vindt een gewonde kraanvogel in zijn tuin. Niet veel later zoekt een mysterieuze vrouw hem op. Zijn hele leven wankelt.

Tot de dag waarop Kumiko was gekomen. En alles veranderde. Ze had een koffertje bij zich, een kleintje, dat je zou kunnen zien - het beeld kwam zo snel in zijn hoofd op dat het hem afleidde - aan de arm van een filmheldin uit de jaren veertig op een treinstation: het koffertje nauwelijks meer dan een kleine doos, overduidelijk leeg, zodat de actrice er niet vermoeid door zou raken, hangend aan een hand met smetteloos witte handschoenen. Maar toch duidelijk een koffer en geen aktentas of handtas.

Ze was kleiner dan gemiddeld zonder echt klein te zijn, had lang, donker haar dat golvend tot op haar schouders hing, en lichtbruine ogen die hem zonder te knipperen aanstaarden. Als je het hem op dat moment zou hebben gevraagd, had hij niet kunnen raden waar ze vandaan kwam. Ze droeg een eenvoudige witte jurk in dezelfde tint als de jas die ze over haar vrije arm had, ook net als een filmheldin uit de jaren veertig die op de trein wacht. Ten slotte droeg ze een rood dophoedje, een anachronisme dat op de een of andere manier bij de rest paste.

Haar leeftijd was al net zo moeilijk te schatten als haar afkomst. Ze zag er jonger uit dan hij, vijfendertig misschien? Maar terwijl hij haar stond aan te gapen omdat zijn spraakvermogen het even liet afweten, deed iets in haar houding, iets aan de precieze eenvoud van haar jurk, aan de vaste blik waarmee ze hem nog steeds aankeek, ineens denken aan een figuur uit het verleden: een dame met uitgestrekte landgoederen en aanzien tijdens een oude Schotse oorlog, een Franse edelvrouwe die was weggezonden om een huwelijk aan te gaan in de wildernis van Zuid-Amerika, de geduldige dienares van een bijzonder lastige godin...

Hij knipperde en ze werd weer een vrouw. Een vrouw in een eenvoudige witte jurk. Met een hoed die zowel negentig jaar uit de mode leek als een voorbode van het allernieuwste.

'Kan ik u ...?' wist hij eindelijk uit te brengen.

'Ik heet Kumiko', zei ze.

In het eenentwintigjarige bestaan van de kleine drukkerij was nog nooit iemand een bestelling op deze manier begonnen.

George zei: 'Ik ben George.'

'George', zei ze. 'Ja. George.'

'Kunnen we je ergens mee helpen?' vroeg George, die heel, heel graag wilde dat ze niet weg zou gaan.

'Ik vroeg me af', zei ze en ze zette het koffertje op de toonbank, 'of je me zou kunnen adviseren hoe ik hier het beste een kopie van kan maken.'

Bij nadere inspectie zag het koffertje eruit alsof het van bordkarton was, maar ook als het kostbaarste soort bagage dat George ooit had gezien. Ze maakte het open, gespte leren riempjes los en haalde een stapeltje grote kaarten tevoorschijn, allemaal ongeveer van a5-formaat en allemaal zwart, vergelijkbaar met sommige die George voor zijn eigen boekcollages had gebruikt.

Ze legde er vijf voor George neer, een voor een.

Het waren prenten, duidelijk eigen werk, te oordelen naar de manier waarop ze ernaar keek, met die merkwaardige combinatie van verlegenheid en moed van een kunstenaar die uit is op een reactie, positief of negatief. Op het ene niveau waren het niets meer dan prenten van mooie dingen, geplaatst tegen de achtergrond van een stevig karton. Maar bij nadere beschouwing, als je beter keek...

Allemachtig.

Een ervan was een watermolen, maar bij lange na niet zo zoetelijk als 'watermolen' doet vermoeden. Een watermolen die bijna leek te draaien door de beek die erdoorheen stroomde, een watermolen die niet in de verbeelding bestond, maar ergens op een specifieke plek in de wereld, een echte watermolen, een ware watermolen, in de nabijheid waarvan zich de grote en vreselijke tragedies van het leven konden hebben afgespeeld. En toch ook gewoon een watermolen, en mooi bovendien.

De volgende was een draak, deels Chinees van stijl, maar met vleugels zoals in Europese mythen, vastgelegd in volle vlucht - zijn oog keek de beschouwer met boosaardige onheilsblik aan. Net als de watermolen was het op de rand van kitsch, het soort toeristenrommel die je voor een habbekrats bij een kraampje op straat kon kopen. Maar het overschreed die grens niet. Dit was de draak waar die nepdraken van droomden, het lijvige, zware, levende, ademende dier achter de mythe. Deze draak kon je bijten. Deze draak kon je verslinden.

De andere waren hetzelfde, op de rand van goedkope vulgariteit, maar ook heel duidelijk niet. Een feniks die oprijst uit een bloemknop. Op hol geslagen paarden die een heuvel af denderen. De wang en de nek van een vrouw die wegkijkt van de kunstenaar.

Ze hadden er goedkoop uit moeten zien. Ze hadden er smakeloos en als huisvlijt uit moeten zien. Ze hadden er moeten uitzien als de ergste rotzooi die je op een kofferbakmarkt kunt kopen, het werk van een dikke, moedeloze vrouw met geen andere opties dan een vroege dood door alcohol.

Maar deze. Deze waren adembenemend.

En wat Georges hart sneller deed slaan, wat zijn buik het gevoel gaf of hij een fladderende ballon had ingeslikt, was dat het geen tekeningen of houtsnijwerk of schilderijen of aquarellen waren.

Het waren collages. Elk gemaakt van wat flintertjes van een ongelofelijk scala aan veren leken.

'Dit zijn ...' zei George, die niet kon bedenken wat hij precies wilde zeggen, daarom herhaalde hij het gewoon nog maar een keer. 'Dit zijn ...'

'Ze zijn nog niet helemaal zoals ik wil', zei Kumiko. 'Ze missen iets. Maar ze zijn van mij.'

Ze leek te aarzelen nu ze zag hoe aandachtig George de voorstellingen bestudeerde. Hij keek ernaar alsof hij het slachtoffer van een ontvoering was en zij het langverwachte losgeld. Hij had het gevoel dat hij zijn evenwicht verloor, alsof hij een duizelingwekkende klap tegen zijn oren had gekregen, en om steun te vinden legde hij zijn handen op de toonbank.

'O!' zei Kumiko, en hij zag haar glimlachend naar zijn linkerhand kijken.

Daarin hield hij zijn eigen collage die hij voor Mehmet had proberen te verbergen, erg onvakkundig, pijnlijk amateuristisch in vergelijking. Hij wilde hem weer wegstoppen, maar haar ogen rustten er al op, en zonder minachting of spot.

Haar ogen keken verrukt.

'Je hebt een kraanvogel gemaakt', zei ze.

Patrick Ness (1971) is een Amerikaans-Britse bestsellerauteur en recensent voor onder meer The Guardian. Vorig jaar verscheen bij De Geus Zeven minuten na middernacht.

Patrick Ness, De kraanvogelvrouw, De Geus, 313 p., 19,95 euro.

Vertaling: Anneke Bok.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234