Zaterdag 24/08/2019

Voorpublicatie uit Het Hout

Zo'n anderhalf jaar terug was er een concert in de gymzaal. Tussen de klimrekken en naar het plafond opgehesen ringen musiceerde een gezelschap uit Rodakerken ter gelegenheid van het zestigjarige professiefeest van Lambertus, die vooraan mocht zitten.

Lambertus bespeelde het orgel in de kapel, onderwijl het zangkoor van leerlingen en medebroeders dirigerend. Tot zijn handen, hoofd en denkwereld zo beefden dat het niet meer ging en Eduardus zijn taken overnam. Altijd de vrome zangwerken van don Lorenzo Perosi, de hofcomponist van de Piussen. Altijd het bezwerende gregoriaanse gegons. Ikzelf kan geen wijs houden, zing dus niet mee, maar ben ontvankelijk voor muziek. Die hier niet klinkt. Alleen Sneef beschikt over een radio en op de kamer van Benedictus staat er ook een, die is verbonden met een luidspreker in de recreatiezaal van de broeders. Wij krijgen het katholiek nieuws te horen en zondags een apologetische cursus door een geleerde pater, waar niemand naar luistert, ingeleid door het Ave verum van Mozart. Op pasen de paus met zijn urbi et orbi, dat wij geknield beluisteren. De rest is buitenwerelds en gaat ons niet aan. Ik ben niet geschikt voor het kloosterleven. Te laat beseft. Soms denk ik voor geen enkel leven.

Tijdens het concert klonk gewonemensenmuziek. Humoresque van Dvořák, De Moldau van Smetana, een polka van Johann Strauß, een lied van Franz Lehár, vertolkt door een tenor met artistiek haar, die aan het eind terugkwam met Wie sjoen os Limburg is. Ik verlangde naar Dizzy Gillespie en Louis Armstrong met zijn All Stars. Lambertus werd in zijn wielstoel naar voren gereden voor een gemummeld dankwoord. Met de strijkstok van een van de cellisten begon hij zielig de maat scheef te slaan bij het door publiek en muzikanten staande gezongen Aan u o koning der eeuwen. Deze hymne geldt als het Wilhelmus van de roomse kerkgemeenschap. Alleen Lambertus kwam niet tussen zijn houten wielen overeind, hoe hij het spartelend ook probeerde, bij het meezingen vertrok zijn mond en bracht hij geluiden voort als het huilende kind dat hij weer was geworden. De strijkstok wilde hij niet aan het orkestlid teruggeven en hij bleef ermee zwaaien terwijl hij over de speelplaats werd teruggeschoven achter het slot. Later die dag had Mansuetus er zich meester van gemaakt. Op weg naar zijn eigen optrek in het schoolgebouw gaf hij er zichzelf tikjes mee in zijn handpalm, dan snellere tegen de zijkant van zijn been, de stok lag prettig in zijn vuist.

Het hout.

Dit was het definitieve hout, door de schoolbevolking nog meer gevreesd dan het hout dat het schoolhoofd tot gisteren nog hanteerde.

Zo'n strijkstok is van pernambukhout. Zo'n stok is licht elastisch, je kan ermee zwiepen. Als je ermee door de lucht slaat veroorzaakt het een zoefgeluid.

Dit is mij door Mansuetus, naamdag 19 februari, voorgedaan. Zoef. Klap. Schreeuw. De jongen voorover, de hand van Mansuetus als een bankschroef rond de nek van de gestrafte of rond diens tegen de schouderbladen gedraaide arm om hem tegen het bureaublad onder bedwang te houden, zijn andere hand omhoog om het hout met opperste kracht op het zitvlak te laten neerkomen. Daar trok hij, tanden ontbloot op elkaar, een grimas bij, die nog grotere afkeer in mij opriep, ik keek weg van wat er gebeurde, mijn keel verstopt omdat ik tegelijk in- en uitademde en slikte of zoiets.

Het gebeurt zo: De jongen schreeuwt en blijft schreeuwen naarmate de medebroeder, volgeling van onze stichter, de zachtmoedige Franciscus, blijft slaan, hard, nog harder, de voorflap van zijn scapulier over de schouder gegooid om er niet door te worden gehinderd bij zijn inspanning en bewegingen. Hij schreeuwt ertegenin. Meer geluid dan de ruimte in het dode licht lijkt te kunnen bevatten. Gehoorzaamheid en tucht! Jij hebt geen wil! Ik heb een wil! Jij doet mijn wil! Bij ieder woord een steeds fellere klap met het venijnige hout. Hoe de jongen ook kronkelt, de opvoeder blijft met bestudeerde precisie op dezelfde plek van het achterwerk slaan, twintig keer, meer dan twintig keer. Toen ik er getuige van moest zijn bracht ik ertegen in, zonder mijn eigen stem in het geschreeuw te horen: Het is genoeg, broeder. De jongen jankte als een hond, water, snot, speeksel waar zijn hoofd tegen het meubeloppervlak geduwd bleef, schoppend met zijn benen als een kikker.

Jongetje op het prentje van Hans Holbein in Erasmus' Lof der zotheid. Krijgt met een takkenbos een aframmeling op zijn blote achterste. Een vergroting ervan hangt tussen twee kasten in Mansuetus' kantoor, die heeft hij recht voor ogen als hij opkijkt van zijn bureau.

Er gutste zuur en goorheid mijn mondholte binnen. Mansuetus reikte mij de stok. Noe jaai, Bonaventoera. Zijn vingers achter de broeksriem van het joch, gaf hij er een ruk aan omhoog en hoger, tot de korte broek strak over en tussen de frêle billen spande en de pijpen de achterkant van de dijen niet meer bedekten en inkijk boden. Dat deed hij nu voor de tweede keer, hij had hetzelfde al gedaan voor hij aan de tuchtiging begon.

Zoals men iemand een mes aanreikt met het heft naar voren, zo stak de ever mij het hout toe met het handvat op mijn borst gericht. Handvat is niet het juiste woord, had hij mij al eens didactisch voorgehouden, in de muziekspraak, zei hij, wordt een strijkstok gehanteerd bij de slof. Pack hem bij de slof en geef deze broetale batraaf op zijn eigenwaise hier, zijn blik op de geëtaleerde lichaamsdelen. Ik schudde resoluut mijn hoofd, de stok niet aannemend, waar het oudewijvenhaar in slierten van omlaag hing, en keek hem aan. Zei niets, al stond ik op het punt om veel te zeggen. Ik slikte het in als iets dat naar roest leek te smaken. Naar ijzer. Als onder Gestapolaarzen en trouwens onder de schoenen van iedereen om zolen en hakken te sparen. Met minachting in zijn stem, hij, snorkend: Allzu unmännlich weekhartig. Mijn minachting voor hem was groter. Ik zou mijn haat jegens deze medebroeder moeten biechten, maar wil er geen vergeving voor. Mij uitnodigend om de ranseling in zijn plaats voort te zetten, zag ik Mansuetus zijn hand op de gespannen broek leggen en met krimpende vingers bevoelen als vruchten. Dan een soort aai over de hoog ontblote dijen, zijn vingers langs het binnengebied van de broekspijpen, alles terwijl hij de slof naar mij uitstak. Alsof het niet om een stuiptrekkende leerling ging maar om een object. Zonder gêne voor een beschouwer als ik, die zich even vernederd voelde als de jongen, maar zonder diens lichamelijke pijn. Met zichzelf, dacht ik, waarbij hij zich verlustigt met een ander van hetzelfde geslacht, aanzienlijk jonger, zonder diens instemming. Sneef zal er wel van op de hoogte zijn, zoals veel anderen het weten die het aan den lijve hebben ondervonden of er zoals ik bij aanwezig moesten zijn om de pedagogische methode ter harte te nemen. Zo hou je ze in het gareel, onderwees Mansuetus. Hoe harder ze schreeuwen hoe beter ze het onthouden, Bonaventoera! Want gezegend is het hout door hetwelk gerechtigheid geschiedt. Boek der wijsheid, zei hij er achteraan. Dat boek kende ik niet.

Mijn medebroeder trok de jongen van achter bij overhemdboord en daaronder spannende stropdas overeind. Ga onder mijn ogen vandaan labberdoedas, voordat ik, voordat ik grômm! riep Mansuetus, zijn andere hand nog eens over de dijen en de broek, kwansuis zonder opzet of bedoeling, toch gericht, hoe kort en snel het ook gebeurde. Al wilde ik het niet zien, ik zag het en ik wist het voorgoed. Op een of andere manier medeplichtig. De jongen, hardop huilend, steunde tegen het bureau, waar de strijkstok onder handbereik was neergelegd, en bewoog trekkerig zijn benen opzij, achter zijn rug bezig de snijdende broeksnaad uit zijn kruis te verwijderen en het kledingstuk bij de korte pijpen weer op gangbare wijze omlaag te sjorren. Het schoolhoofd bracht zijn scapulier in orde. Stak zijn hand naar de leerling uit. Die moest zijn eigen hand daarin leggen en zeggen: Dank u voor deze tuchtiging die mij rechtvaardig werd toegediend tot eigen lering en inzicht. Dat heeft Mansuetus zo als regel gedecreteerd. Om zijn gewetensstormen te temperen, vermoed ik. De jongen negeerde de plichtpleging en glipte langs de kolos naar de deur, waar ik was blijven staan. Ik deed een stap voor de vluchteling opzij, had ook de deur, die openging naar de gang, al op een kier voor hem geopend. Verblind in paniek hoefde hij dus niet eerst een paar keer naast de klink te graaien, wat seconden zou vergen, maar meteen rechtdoor kon maken dat hij wegkwam. Wij hoorden hem rennen op zijn ijzertjes door de stenen gang. Mansuetus nog met de armen grijpgereed voor zich uit, de lippen weggetrokken van zijn tanden, rimpels in zijn neus. Ik zag zijn smalle enkeltjes in de sandalen, zoals ook een log everzwijn op slanke pootjes staat.

Het boek wordt voorgesteld bij Demian in Antwerpen op 9 oktober om 20 uur. www.demian.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden