Maandag 30/01/2023

Vooraan in de verdediging van het Achterhuis

Kun je een meer Hollandse naam dan Miep Gies bedenken? Ze zou een verzinsel kunnen zijn van Annie M.G. Schmidt, een jeugdvriendinnetje van Mies Bouwman. En toch was Miep Gies geen meisje uit Amsterdam, Leiden of de Achterhoek. Haar wortels lagen in Centraal-Europa, in Wenen bovendien, ten tijde van haar geboorte (15 februari 1909) nog de walsende hoofdstad van de machtigste monarchie die Europa tot dan had gekend, de Habsburgers. Vijf jaar later bestond Oostenrijk-Hongarije niet meer, was de keizer stilaan een complotteur tegen zijn eigen voormalige rijk, en werd de piepjonge Hermine Santrouschitz, zo luidt haar echte naam, met andere Oostenrijkse kinderen op de trein gezet naar Nederland, ‘om aan te sterken’. Om haar te redden van een gewisse hongerdood, vooral.Als Miep Gies - zo zou ze later genoemd worden en wereldwijde bekendheid krijgen, na haar huwelijk met Jan Gies in juli 1941 - een symbool van iets was, dan in de eerste plaats van de vluchtelingen. Vluchtelingen - politiek of economisch - die in die jaren nog relatief gemakkelijk hun plaats vonden in een vreemde gastsamenleving, in casu de Nederlandse. Dat zou trouwens ook zo zijn bij driekwart van de mensen die later bij Het Achterhuis betrokken raakten. De familie Frank: vader Otto, moeder Edith, dochters Margot en Anne in de eerste plaats. Joden, jazeker, maar bovenal Duitsers. Vader Otto Frank was een flink gedecoreerde oud-strijder uit de Eerste Wereldoorlog, een officier die met een beruchte pinhelm op zijn hoofd gevochten had.Maar vanaf de jaren dertig maakte het al snel niets meer uit of Otto Frank al dan niet een goede en zelfs dappere Duitser was, of hij bijdroeg in de rijkdom van zijn land als internationaal georiënteerde zakenman. Dat deed er allemaal niet langer toe: Otto Frank was Joods, alsook zijn echtgenote en dus volautomatisch ook zijn twee dochters Margot en Anne. De familie van Otto Frank was zowel in betere economische als culturele kringen ingeburgerd. Een neef, Jean-Michel Frank, was een interieur-designer die zich in de jaren twintig eerst ophield in de Parijse avant-garde voor hij een van de bekendste minimalistische ontwerpers van zijn tijd werd. Jean-Michel Frank tekende voor het New Yorkse appartement van Nelson Rockefeller, voor eerstgenoemde in 1941 zelfmoord pleegde.Het is maar de vraag of Otto Frank daar in die jaren op de hoogte van was, want Nederland was toen al door de nazi’s onder de voet gelopen. Frank was niet onverstandig, hij begreep dat hij kost wat kost uit hun klauwen moest blijven. Eerst emigreerde zijn familie naar Amsterdam, waar hij zaakvoerder werd van de Nederlandse tak van Opekta, een Duitse firma die gelatine en pectine maakte voor confituur en gebak, en ook specerijen en dergelijke. Het was een solide firma, zonder daarom een multinational te zijn. De bedrijfsvoering, opslag incluis, geschiedde vanaf een pand aan de Amsterdamse Prinsengracht, een paar minuten te voet van de Dam en de Kalverstraat. Hollandser kon niet, zo leek het wel.Na de Duitse inval probeerde Otto Frank met zijn familie naar het toen zeer Amerikaansgezinde Cuba te emigreren. Hij had zijn visa voor elkaar, tot Cuba ze introk omdat Duitsland - de Franks waren nog altijd Duitse staatsburgers - in 1941 ineens de oorlog verklaarde aan de Verenigde Staten, een week na de Japanse aanval op Pearl Harbor. Voor Duitsland zelf was dat desastreus, want op termijn was de oorlog nu zeker verloren.Voor families als de Franks was het rampzalig, want ze zaten als ratten in de val op het Europese continent. En ineens moest het snel gaan, want de nazi’s waren ook in bezette landen als Nederland volop werk aan het maken van hun anti-Joodse wetten. Maar Otto Frank was een ondernemer, every inch of the word. Hij en de zijnen zouden alles doen om te ontvluchten. En hij werkte een gedurfd, eenvoudig en daarom geniaal plan uit. Opekta, vanaf 1938 met het zusterbedrijf Pectacon, was gevestigd in het bedrijfspand aan de Amsterdamse Prinsengracht, en zoals zoveel huizen bestond dat uit een wirwar van voor- en achtergebouwen. Otto Frank en de zijnen namen hun intrek in een afgesloten deel van dat ‘achterhuis’ van zijn bedrijfsruimte. Om de ingang te maskeren werd dat al snel afgesloten met een draaibare kast. Hij nodigde vrienden en kennissen uit: één familie van drie, één alleenstaande tandarts. Met zijn achten zouden ze zich verstoppen zolang als dat nodig was - als het moest: járen. Zaten mee in het complot en hadden zich geëngageerd om in te staan voor de (hoogst illegale bevoorrading): de niet-Joodse werknemers van Opekta.

Uitzonderlijk doodnormaal

Wat Miep Gies en haar collega’s-vrienden deden, was het uitzonderlijke van het doodnormale. Lees het dagboek van Anne Frank erop na. Daarin is geen sprake van geheime radio’s, wapenleveringen of executies. Wel integendeel. Neem de notitie van 27 december 1943: “Vrijdagavond heb ik voor het eerst in mijn leven iets voor Kerstmis gekregen (de Franks waren joods, Gies en co. christelijk, wp). Miep heeft een heerlijke kerstkoek gebakken, waar ‘Vrede 1944’ opstond. Een pond boterkoekjes van vooroorlogse kwaliteit verzorgde Bep. Voor Peter, Margot en mij was er een flesje yoghurt en voor de volwassenen elk een bier.” Gewoon menselijk, leek het. Zij het dat je daarvoor in die tijd en voor ‘die mensen’ (Joden dus) gedeporteerd kon worden, gemarteld, terechtgesteld. Miep Gies deed het.En dat was meer een ethische lijn dan een daad van oorlogsverzet. Het was immers niet Nederlanders tegen Duitsers. Het was: mensen tegen zelfverklaarde übermenschen. Hoewel Gies als geboren Oostenrijkse eigenlijk automatisch tot de tweede groep had kunnen/moeten behoren, koos ze voor het andere kamp. Het verdrukte. Het levensgevaarlijke vooral. Ze weigerde bijvoorbeeld het lidmaatschap van de Nederlanse vrouwenafdeling van de nazi’s, wat haar erg kwalijk genomen werd.Wie de lijst bekijkt van zowel verstoppers als helpers van het Achterhuis krijgt een staalkaart van het vluchtelingenmilieu dat toen in Amsterdam aanspoelde, en zich binnen de korste tijd integreerde. Miep Gies was een geboren Oostenrijkse, zij het dat ze getrouwd was met Jan Gies, die actief was in het antinazistische verzet. Victor Kugler (later bekend als mijnheer Kraler) was afkomstig van Oost-Bohemen, vandaag Tsjechië. De onderduikersfamilie Van Pels stamde uit een geslacht van Joodse slagers uit Osnabrück, Pfeffer was oorspronkelijk een tandarts uit Berlijn. Het is een essentieel stukje geschiedenis dat wel geweten is, maar amper opgepikt wordt: dat Anne Frank geen Joods-Nederlands meisje was dat door de nazi’s werd opgejaagd, maar dat de Franks Duitsers waren die door Oostenrijkers en Tsjechen werden geholpen, en in augustus 1944 niet door een Duitse maar een Oostenrijkse SS’er (Karl Silberbauer, opgespoord door de hardnekkige nazi-jager Simon Wiesenthal) werden gearresteerd.Wie de onderduikers verklikte, blijft tot vandaag een mysterie. Daardoor werd in de loop der jaren iedereen verdacht. Zelfs Miep Gies moest zich in haar memoires verdedigen - je onschuld bewijzen, het is altijd een heikele klus. Vooral omdat men geen idee heeft van de ware schuldige, ondanks de vele mogelijke verdachten. Was het een handelsagent? Een personeelslid uit het magazijn? Een wantrouwige buur uit de omgeving van de Prinsengracht? Toch iemand van de vaste helpers, in al zijn wanhoop? Dat laatste is minder waarschijnlijk, daar ook de aanwezige helpers-personeelsleden Victor Kugler en Johannes Kleiman werden opgepakt. Miep Gies was op dat moment niet ter plaatse. Als ze aankomt, aanschouwt ze volgend tafereel: “Een donkergroene vrachtauto van de Grüne Polizei stond voor nummer 263. (...) Plotseling ging de voordeur open en zag ik onze vrienden als een opeengepakt groepje, elk met wat spulletjes in zijn hand, in de vrachtauto stappen. In de rommel die achtergelaten werd na de arrestatie en de huiszoeking, zocht en vond Gies het dagboek van Anne Frank. Miep Gies hield het bij - en door die actie is Anne Frank niet alleen een symbool geworden van raciale verdrukking, maar zijn de Holocaust en de Jodenvervolging ook levensecht tot ons gekomen: via de wat naïeve maar juist zo eerlijke getuigenis van een bakvis in Amsterdam.

Menselijk dagboek, inhumaan einde

Al snel na de oorlog zou het boek een triomf beleven. Al in 1946 publiceert de befaamde historicus Jan Romein in de Amsterdamse krant Het Parool, niet toevallig een voormalig verzetsblad, een beroemd artikel, ‘Kinderstem’. Daarin maakt hij het bestaan van het dagboek van Anne Frank bekend: “Door een toeval heb ik een dagboek in handen gekregen, dat tijdens de oorlogsjaren geschreven is. Toen ik het uit had, was het nacht en het verwonderde mij, dat het licht nog brandde, dat er nog brood en thee te krijgen waren, dat ik geen vliegtuigen hoorde ronken en geen soldatenlaarzen klonken op straat. Zo had de lezing mij gevangen. Het is geschreven door een Joodsch meisje, dat dertien jaar was toen zij, en haar ouders en een ouder zusje, onderdook en dit dagboek begon en dat eindigt ruim twee jaar later, toen de Gestapo het gezin op een onzaligen dag ontdekte.”Onzalig was het zeker wel. Want wat voor Miep Gies jaren na de oorlog eeuwige roem betekende, met internationale onderscheidingen zoals die van Nederland en de Duitse republiek, en vooral Yad Vashem (als righteous among the nations), kwam er pas na de persoonlijke holocaust van de families die Gies de jaren voordien had gesteund en geholpen. Ze werden pas in de zomer van 1944 gearresteerd, toen de geallieerden al enige tijd in Normandië geland waren, maar voor de onderduikers werd het nog altijd een tocht naar de krochten van de menselijkheid. Op Otto Frank na kwamen ze allemaal om. En wie de vreselijke gang natrekt, kan zich enkel verwonderen over de Duitse bureaucratie, de organisatorische dwaasheid van ambtenaren zonder moraal. Met acht werden ze opgepakt, maar om één of andere reden stierven er zeven ver van elkaar: van Auschwitz tot Neuengamme, van Mauthausen tot Theresienstadt tot Bergen-Belsen. Concentratiekampen op honderden kilometers afstand. In Bergen-Belsen vonden Margot en Anne Frank de dood, uiterst kort voor de bevrijding. Beiden stierven aan de tyfusepidemie die toen de bevolking van dat concentratiekamp trof.Want ook al is het Achterhuis vandaag een van de bekendste memorials ter wereld, een van de drukst bezochte musea van Amsterdam en Europa, veel bezoekers beseffen de gruwel niet die zich daar toen afspeelde. Onder meer door opeenvolgende Hollywoodfilms meent nog altijd de meerderheid van het Angelsaksische publiek dat Anne Frank een moedig Joods meisje was dat zich verstopte voor de nazi’s. Dat klopt niet helemaal. Ze was vooral een meisje dat uiteindelijk nog gevonden werd en stierf in een concentratiekamp. Of - helaas - juister: daar crepeerde. Hoe menselijk haar dagboek ook was, haar einde was inhumaan.En precies daarom is het zo’n pakkende getuigenis. Juist daarom is het goed dat Miep Gies haar lange leven lang een voorbeeld bleef. Want ook al was haar hulp uiteindelijk nutteloos, haar daad was allesbehalve waardeloos. Ze is een voorbeeld van eenvoudig, dapper maar consequent verzet, in tijden waarin dat allesbehalve vanzelfsprekend maar wel nodig was.En ze redde het dagboek van Anne Frank. En hoewel ze daar alleen de overlevende familie - vader Otto dus - mee wilde ‘plezieren’, deed ze de wereld er een deugd mee. Want ondanks alle claims van valsheid en ‘overtrokken sentimentaliteit’ van haar schrijfsel (een kritiek die zéér populair is, hoe ongelooflijk ook, bij progressieve intelligentsia, zelfs tot vandaag), is en blijft het een van de waardevolste getuigenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Zoals de eminente Jan Romein het in zijn allereerste stuk over Anne Frank al héél terecht schreef: “Voor mij is dit schijnbaar onbetekenende dagboek van een kind, in dit door een kinderstem gestamelde ‘De profundis’ alle afzichtelijkheid van het fascisme belichaamd, méér dan in alle processtukken van Neurenberg bij elkaar.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234