Donderdag 24/10/2019

Voor oude vrouwtjes en bejaarde paters

Er wordt veel getoeterd over nieuwe Vlaamse schrijvers, en prijzen uitgedeeld. Maar is het sop de kool wel waard? Zijn die opkomende auteurs echt wel zo goed? De onbevangen Nederlander J. De Witte maakt de balans op. Wordt vandaag gewogen: Kris Van Steenberge.

Als er iémand de nieuwe generatie Vlaamse schrijvers kan vertegenwoordigen, moet het wel Kris Van Steenberge zijn, liep ik te denken. Tot hier in Den Haag hoorden wij het voorbije jaar de kurken knallen en de massa's in een euforisch gejuich uitbarsten omtrent zijn roman Woesten; prachtige titel, om te beginnen, en een rake onderwerpkeuze - de Eerste Wereldoorlog, hoewel wij er hier inmiddels wel al wat op uitgekeken zijn, en hij duurt nog drie lange jaren, als u begrijpt wat ik bedoel.

Woesten werd de afgelopen maanden beladen met prijzen, tot en met de Bronzen Uil en de Vlaamse Debuutprijs. Het kan dus niet anders, of er is in het braakland van de zuidelijke literatuur een nieuwe held opgestaan, een aanvoerder van de jonge garde, iemand die - eindelijk - de weg zal wijzen naar de heruitvinding van het geschreven woord, in een landsdeel waar, nu de laatste literaire uitgeverij er door de Amsterdamse moederkloek is opgeslokt, de treurnis regeert. Het loopt er vol met schrijvers en schrijverinnen, maar niemand neemt hen nog au sérieux, hoe luid zij ook roepen en hoe hartverscheurend zij ook jammeren.

Woesten is volgens de Vlaamse waarnemers en juryleden dus het Boek van de Toekomst, het lichtpunt aan het eind van een aardedonkere tunnel. Als zij gelijk hebben, ziet het er nog slechter uit dan de ergste doemdenkers op hun allerslechtste dag durven te voorspellen. Woesten is namelijk een ronduit beangstigend boek, en dan bedoelen wij niet dat de lezer van kaft tot kaft vol spanning en schrik het verloop van de feiten zit af te wachten, nagelbijtend hunkerend naar de ontknoping. Neen: Woesten is beangstigend bekrompen.

Hiervoor in de eerste plaats verantwoordelijk is de taal. Kris Van Steenberge moet gedacht hebben dat, wil je geloofwaardig een verhaal vertellen dat zich aan het begin van de vorige eeuw afspeelt, je niet alleen geschiedkundig correct moet trachten te zijn, maar je je personages ook moet laten denken en spreken zoals onze overgrootvaders en -moeders. Dat is niet uit te staan! Er wordt daar bejegend en geredetwist, verpoosd, gepreveld, gedorst en begeerd dat het een aard heeft, kinderen zijn door God begiftigd met een groot verstand, of net niet, dochters kuisen er voor de lieve vree toch nog de schorseneren, om van het vergift in de ogen van hun strenge moeder verlost te zijn.

Is er iemand in de voorbije tijd nog langs het graf van Cyriel Buysse gelopen? Was de deksteen nog intact? Waren er anderszins sporen van braak te zien? Ga toch maar eens kijken! Niet dat we vermoeden dat de oude meester uit de doden is opgestaan, maar het zou ons niet verbazen mocht Kris Van Steenberge tijdens het schrijven van dit boek geregeld een stevige bouillon van zijn knoken hebben getrokken.

Het verhaal heeft niet zo veel om het lijf. Het is een bizarre familiegeschiedenis in het rumoer en het gerommel van de aankomende oorlog, waarbij de verschillende protagonisten elk om beurt hun zeg mogen doen (een procedé dat we in de - ik hoed mij om het woord te gebruiken - moderne Vlaamse letteren wel vaker zien, waarover de volgende weken meer), en waarbij elke keer een deel van de toedracht wordt onthuld.

Van Steenberge past de techniek op een behoorlijke manier toe: de sprongen in tijd en ruimte zijn niet hinderlijk of zelfs maar verwarrend, en voegen wat variatie toe aan de oubollige plot en de alomtegenwoordige kneuterigheid die, zoals gezegd, nog eens gebukt gaan onder het perkamenten Vlaams uit die tijd. 'Zij vertelde ronduit, over zuster Imelda, over de scheur in de stof van moeders kerkstoel'... 'Enkele losgekomen blonde haren wapperden dartel in haar blote hals'... 'De ganzen die bij het vlieden van de herfst...'... 'Moeders passie voor het kantwerk hadden haar ogen kapotgemaakt... Maar zoals te voorzien weigert het mensje een bril te dragen - vermoedelijk uit angst voor de duivel.'

Er zijn wellicht oude vrouwtjes die van Woesten zullen genieten. Niets in het boek geeft aanstoot, nergens wordt de lezer uit zijn luie stoel gelokt, kuisheid en zedigheid primeren, zowel in het verhaal als in de beschrijvingen. Als het al eens tot lijfelijkheden komt, klinkt het zo: 'Ze beroerde zijn lippen met de hare, en kwam met haar tong bij hem naar binnen. Hij schrok van de hoeveelheid vreemd vlees die hij plots in zijn mond voelde maar tegelijkertijd werd hij ook iets gewaar in zijn onderbuik, wat een aangename ruis veroorzaakte in zijn liezen.'

Gebeurt er 's ochtends iets, dan heet dat 'bij het ochtendkrieken'; dingen liggen 'een steenworp ver'; ogenblikken zijn 'tellen'; men draagt er geen, men is 'getooid met een boerenkiel en een geruite klak'; je zou het als een archaïsche stijloefening kunnen zien, maar wat hééft een mens eraan, 383 bladzijden lang, een ruime eeuw na de feiten?

Alsof dit alles nog niet verontrustend genoeg is, gaat de schrijver geen enkel cliché uit de weg: de pastoor misbruikt, de dochter van de baron is bloedmooi, de dokter zuipt, de mysterieuze Duitser is mysterieus, boeken worden onder losliggende vloerplanken verstopt, personages heten Manke Staf, en nadat de fanfare er heeft gerepeteerd, wordt de dorpsafspanning bezet door de messentrekkers van de Centiemhoek!

En de zoon van Schijtense Mie is erbij! Hendrik en diens broer, Tist! Ze vallen de vrouwen lastig! 'Zijn uw tetten al beroerd, meiske?' vraagt Tist - je hebt als lezer voortdurend het gevoel dat je wordt uitgelachen, of toch minstens niet serieus genomen.

Misschien had humor deze roman nog kunnen redden, maar ook die wordt onderworpen aan de wetten van 1910; verder dan wat stoutige godsgrapjes, waarbij destijds vrome vrouwen onthutst de hand voor de mond zouden hebben geslagen, komt Van Steenberge niet; 'Een kerk zonder dak', zegt Pier. 'Dat is gemakkelijk voor de Heer op hemelvaart.' Je kunt, in verre velden, in koude abdijen, wat bejaarde paters horen gniffelen.

'Woesten vertelt een broeierig verhaal vol dorpsgefluister', beloofde de achterflap. Het is, integendeel, een vermoeiende, benauwde, benauwende roman.

Neen, Kris Van Steenberge, die is het niet.

Volgende week: Griet Op de Beeck

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234