Maandag 29/11/2021

Voor elk wat wils, van alles niets

Laffe poëziebloemlezing van drie pedante heren

Gekozen door Hugo Brems, Rob Schouten en Rogi Wieg, De Arbeiderspers, Amsterdam, 255 p., 599 frank.

Je hebt de bloemlezing als manifest, de bloemlezing als historisch overzicht, of de bloemlezing als een verzameling gedichten rond een bepaald thema. Die laatste soort is misschien nog het minst beladen, dat wil zeggen: het meest democratisch. Zo stelden Atte Jongstra en Arjan Peters in 1994 de bloemlezing Dichten over Dichten samen: meer dan 500 zeer diverse 'poëticale gedichten' uit de Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw, louter bij elkaar gezet vanwege hun gemeenschappelijke onderwerp. Rob Schouten leefde zich al eens uit in een bloemlezing met gedichten over masturbatie, gedichten die soms deden vermoeden dat het sprookje over de ruggemergstering en hersenverweking misschien tóch waar was. En we hebben natuurlijk ieder jaar een door Hans Warren losjes rond een bepaald thema samengestelde Dagkalender. Met name deze meestal op de toiletten van in cultuur geïnteresseerde burgers aangetroffen uitgave is met de jaren steeds democratischer geworden: men treft er dichters in aan die door de criticus Warren eerder in zijn poëzierecensies royaal werden afgeslacht.

Maar bij de bloemlezing als manifest of zelfs (misschien moet je zeggen: juist) als historisch overzicht is het een ander verhaal. Dat bekende uitgaven als destijds Atonaal en Vijf 5tigers een sterk literair-politiek karakter hadden, hoeft geen betoog. Ze werden niet gepubliceerd met de bedoeling recht te doen aan de literair-historische situatie, maar met de bedoeling de geschiedenis te herschrijven. Dergelijke bloemlezingen hebben altijd een hoog 'genesis-gehalte': ze verklaren zichzelf tot het beginpunt van een nieuwe poëzie, en men bedoelt: van de enig ware poëzie.

De spannendste bloemlezingen zijn echter die als Rodenko's Nieuwe griffels schone leien uit 1954, of Jan Walravens' in 1955 verschenen Waar is de eerste morgen? Deze bloemlezingen willen namelijk wel degelijk een historisch overzicht geven, maar doen dat vanuit een duidelijk parti-pris - in deze beide gevallen: vanuit een voorkeur voor de Vlaamse en Nederlandse experimentelen uit de jaren vijftig. Aan die poëzie werd in deze bloemlezingen een geschiedenis gegeven - een geschiedenis waaruit bepaalde dichters die op dat moment een hoge status hadden eenvoudig werden weggeschreven. Ze geven met andere woorden een zeer gekleurd overzicht, dat alles vergezeld door lange, gedegen inleidingen waarin de samenstellers hun keuze motiveren, zich blootgeven.

Toen nog wel. De tijd dat een bloemlezer zijn kaarten op tafel legde en zo zijn eigen partijdigheid tot voorwerp van discussie maakte, is allang voorbij. "Het programma van deze bloemlezing, de structuur, de onderliggende gedachte en wat al niet voor fraais, u legt het er zelf maar in," schreef Komrij voorin het oorspronkelijk in 1979 verschenen De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten. De suggestie is dat die 'onderliggende gedachte' er niet toe doet of zelfs niet bestaat, dat hier 'gewoon' een, ja natuurlijk subjectieve keuze uit de Nederlandse poëzie van twee eeuwen was gemaakt, maar dat die subjectiviteit zelf geen programma in zou houden. Komrij wist wel beter natuurlijk. En eind jaren zeventig werd zijn poëticale programma, zijn in wezen cynische literatuuropvatting, ook onmiddellijk herkend. Maar bij het verschijnen van de tiende druk in 1996 is dat inmiddels vergeten en de bloemlezing geldt nu als objectieve standaard op poëziegebied - wie er als dichter niet in is opgenomen, bestaat niet.

Wie de nadruk legt op het 'persoonlijke' karakter van zijn keuze om zich van iedere verplichting tot motivering te ontslaan, miskent dat het persoonlijke in de publieke ruimte altijd onmiddellijk politiek wordt. Hij weigert de macht die hij als bloemlezer heeft, te legitimeren. Wie het er niet mee eens is, maakt zijn eigen bloemlezing maar, zo stelde Komrij ongeveer - alsof hij niet wist dat zijn bijna 1500 pagina's tellende turf uitgevers voor jaren afkerig zou maken van een nieuwe bloemlezing.

En als een uitgever daar dan toch toe besluit, zoals De Arbeiderspers in 1994, dan is het niet om dit cynisme aan de kaak te stellen, maar om louter commerciële redenen. In 1994, ter gelegenheid van de boekenweek die toen aan poëzie was gewijd, verscheen in twee delen De 100 beste gedichten van deze eeuw, het Nederlandse deel samengesteld door Rob Schouten en Rogi Wieg, het Vlaamse door Hugo Brems en Herman de Coninck. In de ondertitel heette dat toen nog een 'soevereine bloemlezing' te zijn, een toevoeging die een regelrecht uitvloeisel was van een begin jaren negentig op gang gekomen, louter Vlaamse discussie, waarin een aantal jonge dichters onder andere aan Hugo Brems rekening en verantwoording vroeg voor de oordelen die hij als poëziecriticus, ook al altijd met een beroep op zijn 'persoonlijke', zogenaamd boven alle partijen zwevende smaak velde. In Nederland, waar al jaren niet meer gediscussieerd wordt, werd die toevoeging begrepen noch opgepikt.

Die bloemlezing is nu opnieuw uitgegeven in een herziene versie, dit keer vanwege de eeuwwisseling natuurlijk en zonder het woordje 'soeverein'. De titel is nog een graadje pretentieuzer: De selectie van de eeuw. De samenstellers zijn dezelfde, minus De Coninck uiteraard. En in de inleidingen op de nog steeds streng van elkaar gescheiden delen krijgen we ook hier weer te horen dat de samenstellers gedichten hebben opgenomen die ze 'gewoon mooi' vonden, en dat de keuze 'natuurlijk maar persoonlijk' was. Opnieuw wordt geen enkele poging gedaan om dat 'persoonlijke' neer te zetten als wat het is: een literaire ideologie. Wél wordt gesteld dat de samenstellers "getracht (hebben) het literaire belang van dichters en gedichten steeds te relateren aan de poëzie van onze eigen tijd," maar waarom de samenstellers menen dat zij dat 'literaire belang' mogen formuleren, of wat dat precies in hun ogen zou zijn - het staat nergens, noch valt het goed op te maken uit de keuze.

Als Schouten en Wieg werk van bijvoorbeeld Tonnus Oosterhoff, Arjen Duinker en Nachoem Wijnberg opnemen naast werk van Anna Enquist, Jean-Pierre Rawie en Jan Kal, dan begin ik me toch serieus vragen te stellen bij de persoonlijkheden die hier aan het werk zijn. Ik kan bij een dergelijke keuze niets anders verzinnen dan dat de heren samenstellers al deze gedichten 'wel leuk' vonden, en dat het literaire belang derhalve in die 'leukigheid' schuilt. Alsof het werk van de eerste drie niet een radicale herdefiniëring is van de poëzie van voor de jaren negentig, en dat van de laatste drie op zijn zachtst gezegd oubollig en clichématig, verskunst die men in de vorige eeuw al zou hebben weggewuifd. Wie Duinker opneemt als poëzie 'van onze eigen tijd', en vroegere poëzie dááraan wil relateren, streept ook J.C. Bloem weg. Wie dat niet doet, omdat hij zo 'partijdig' niet wil zijn, neemt het werk van Duinker niet serieus, zoals Schouten inderdaad in een aantal recensies over Duinkers bundels niet bleek te doen. Hetzelfde laat zich zeggen over de keuze van Brems: Spinoy, Van Bastelaere, Verhelst, Bogaert náást Gruwez, Mandelinck en Van Vliet? Dat is voor elk wat wils en van alles niets, onder het mom van persoonlijke smaak.

Maar De selectie van de eeuw is een smakeloze bloemlezing, een laffe verzameling van drie pedante heren die menen dat hun 'natuurlijk maar persoonlijke' keuze desalniettemin toch een literair belang vertegenwoordigt, ja zelfs tot een 'selectie van de eeuw' kan leiden, maar steeds zonder daarop aangesproken te willen worden. Ze hebben zelfs de moed niet gehad om elkaar hun keuze voor te leggen en de scheiding tussen Nederlandse en Vlaamse poëzie, al was het maar bij wijze van statement, gewoon te negeren. Uiteindelijk gaat het hier, net als bij Komrij, om zelfglorificatie van drie heren die hun gezag zo vanzelfsprekend vinden dat ze zich gerust bescheiden kunnen opstellen.

Hoe vals die bescheidenheid is, blijkt nog eens uit het volgende: nu De Coninck overleden is zag Brems er geen bezwaar in zijn gedichten in deze herziene versie wél op te nemen (in de uitgave van 1994 ontbraken die). Schouten en Wieg zagen hun kans schoon: ze namen dan ook maar een gedicht van zichzelf op, terwijl - gelooft u mij (en alleen omdat ik het zeg) - hun poëzie behoort tot het slechtste wat de Nederlandse poëzie van deze eeuw te bieden heeft.

Het gaat hier, net als bij Komrij, om zelfglorificatie van drie heren die hun gezag vanzelfsprekend vinden

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234