Woensdag 18/05/2022

Vogels die achter

Uit het dagboek van een Vooruit-redacteur

tralies fluiten

Ter gelegenheid van het Boon-jaar diepte Pierre van der Poel (74) zijn dagboeknotities met betrekking tot de schrijver op. Van der Poel was vanaf 1948 redacteur van de krant Vooruit, waar hij goed bevriend was met zijn collega's Boon en Richard Minne, en daarna tot 1982 bij De Morgen. Zijn broer Cesar van der Poel, die van 1956 tot 1995 eveneens op beide redacties werkzaam was, ordende de dag- boeknotities van Pierre. Berichten uit het bureau van drie linkshandige sceptici.

11-2-54

Louis heeft geen hoge dunk van van Urbain Van de Voorde. Hij vertelde me dat Raymond Herreman hem op plagiaat betrapt had.

Over zijn Kapellekensbaan: "Ik heb daar, zoals Defoe in zijn Moll Flanders, moraal in gelegd."

Louis rijdt dagelijks met de trein van Aalst naar Gent en omgekeerd. Daarover zegt hij: "Als ik ooit verongeluk dan is het met een sneltrein. De voorste wagons schijnen soms uit de rails te willen springen. Maar als ik verongeluk sterf ik liever door mijn eigen fout of vermetelheid dan door de stommiteit van anderen. Dat geldt ook voor het leger; sterven door een stom bevel van een meerdere, dat zint mij niet."

Als Louis in Aalst is aangekomen belt hij vanuit een telefooncel naar huis. Nadat het apparaat drie keer gerinkeld heeft haakt hij in en spuwt het apparaat zijn geld terug. Zijn vrouw in Erembodegem weet dan dat hij er is en komt hem dan met de auto halen.

10-12-54

Boon over Borgers, de redactiesecretaris van Podium: een centenstekker die telkens naar een andere uitgever gaat als zijn huidige genoeg verloren heeft.

En: "Rodenko is een stotteraar die echter vlot spreekt wanneer hij dronken is. Ik vraag me af of zijn nieuwe richting in de poëzie niet met dat hakkelen verband houdt. Van Ostaijen stotterde immers ook."

Over Burssens: "Als zeepfabrikant leidt hij een herenleven en ontvangt vorstelijk. Zijn vele vrije uren besteedt hij grotendeels aan de literatuur."

Over Raymond Herreman: "Niet te betrouwen. Hij zal u een toer lappen zonder er het air van te hebben. Hij heeft een hekel aan mij. Maar ik ben doortrapt geworden: telkens als ik hem aanval, gaat er een briefje naar hem: 'Beste Raymond...'"

Louis wil soms de indruk wekken dat de vrouwen hem niet veel meer zeggen, maar ik geloof hem niet. Zijn boeken spreken er te veel over, en ook is zijn belangstelling voor pikante films te groot. Hij schijnt echter eens een zeer schone en intelligente vrouw te hebben liefgehad die een smeerteef was.

29-12-54

Louis kan zich nog altijd bedwelmen aan het schrijven; het is, zegt hij, het enige waarvoor hij leeft. "Moest ik niet meer kunnen schrijven, bekent hij, ik zou allang zelfmoord hebben gepleegd."

Richard Minne, de Merlijn van Laethem, is naar mijn bureau verhuisd. Met Louis erbij geteld zitten we daar nu met drie linkshandigen. Alle drie sceptici, is dat een toeval?

8-1-55

Vanmorgen een aangename verrassing. Louis had een boekje van hem op mijn plaats gelegd met de opdracht: "Voor Pierre die een beetje van hetzelfde kaliber is als Boontje."

14-1-55

Georges Hebbelinck (die Een trein reed door het dal schreef) - hij komt zoals Boon en Bert Van Hoorick ook van De Roode Vaan) - vertelde aan Louis vandaag iets typerends over het wierookkransje waartoe theetantes als Daisne, Lampo, Lanckrock en Parez behoren. Er was hem voor Podium een artikeltje gevraagd tegen Parez, die was opgekomen tegen het spelen van Franse stukken in Vlaanderen. Nadat hij de termen op verzoek van een der leden van de Multatulikring had verzacht, wachtte hij tevergeefs op het verschijnen van het stukje. Later bleek dat Parez het in handen had gekregen en ervoor gezorgd had dat het niet geplaatst werd.

6-2-55

L. had een paar dagen geleden ook een anekdote over zijn soldatentijd: "Een vriend van mij, die er een hekel aan had gelijk een wilde de vijand te besluipen, deed de grote manoeuvres reeds de eerste dag mislukken door de hei in brand te steken. Een andere keer deed hij suiker in de benzine van de vrachtwagens zodat de compagnie niet kon vertrekken. Hij vond dat ons landje al meer dan genoeg had aan een klein beroepslegertje."

Gisteren bekende Louis dat hij het zelf was geweest die de zaak had gesaboteerd. "Ik heb daar in het leger altijd de boekenwurm uitgehangen, ik heb geen enkel gevoel voor das Militär."

6-2-55 (bis)

Over Raymond Brulez had Louis ook een verhaal. Brulez slenterde rond in Parijs. Hij werd aangesproken door een respectueuse. Ze beloofde hem iets wat hij nog nooit had meegemaakt. "En wat is dat?" vroeg Br.

"Ik zal hem eens goed afzuigen," zei ze met een grimas.

"Welwel," antwoordde Br. schouderophalend, "hebben ze in Parijs na 2000 jaar beschaving nog niets beters uitgevonden?"

L. stipte aan dat er in de oervorm van de maatschappij nog maar weinig is veranderd. In de tijd van de Romeinen beloofden de meesters de slaven dat ze bij hen een goed leven zouden hebben en vet zouden worden. Ook nu nog worden de 'slaven' met soortgelijke beloften zoet gehouden.

7-4-55

Gesprek met Louis en Prosper De Smet over de zin van ons bestaan. Louis zei later naar aanleiding daarvan: "Prosper is van het ronde type, dat gemakkelijk door het leven rolt. Wij zijn van het scherpe, dat anderen snijdt en ook zichzelf."

6-5-55

Had een lang gesprek met Louis over de Sade en de perversiteit. Hij leest hem graag, maar erkent zijn literaire onmacht. Richard Minne is, zoals ik, van oordeel dat het kinderlectuur is. Louis onthulde ook dat hij liefhebber was van de 'monstrueuze kus', met als complement zweetlucht en een paar druppeltjes urine.

We spraken ook over Maurice Roelants, de katholiek die in Elsevier's Weekblad zulke uiterst tendentieuze artikelen schrijft. Richard is van mening dat Roelants is beginnen geloven in theorieën die hij eerst omwille van den brode aanhing. In de omgang schijnt M.R. een heel sympathieke, allesbehalve fanatieke kerel te zijn. Ons gesprek eindigde met de inkomens van de gearriveerde literatuurders die zowat een half miljoen per jaar bijeen weten te graaien.

16-11-55

Met Louis en Prosper De Smet hadden we het over Johan Daisne. Zijn debuut was al even komisch als de meeste van zijn geestesproducten: zijn moeder kwam op de redactie leuren met de eerste dichtbundel van haar Hermantje (hij heette eigenlijk Herman Thierry).

Prosper besloot onze uitvallen: "We mogen hem dankbaar zijn; we hebben vanmiddag toch iemand gehad wiens kloten we konden afsnijden."

Waarop Boon repliceerde: "Zijn kloten afsnijden? Hij heeft er nooit gehad!"

27-12-55

Louis: "Weet ge hoe een dokter uit Aalst mij kenschetste? 'Boon? Ge bedoelt die jongen die bij zijn meisje mag slapen van zijn vrouw, op conditie dat hij er een boek over schrijft?'"

26-1-56

Louis maakt een crisis door, lichamelijk en mentaal. Hij is leeggeschreven, meent hij, en is voornemens de pen neer te leggen. Het geld kan hem niet schelen. Zelf heeft hij er geen behoefte aan en werken voor een nieuwe auto en een televisietoestel, dat lust hem niet.

Richard vertelde dat zijn crises nog veel erger waren geweest. Soms stond hij midden op de rijweg stil en leken de huizen aan de overkant hem oneindig ver.

9-2-56

Louis was gisteren op een voordracht van een dokter over seksuele afwijkingen. Na afloop kwam er een debat. Toen niemand meer iets te vragen had stond Louis recht en zei: "Maar dokter, van de tien afwijkingen die ge beschreven hebt, heb ik er ten minste zeven of acht. Wil dat dan zeggen dat ik abnormaal ben?"

"Haha," lachte Louis, eenmaal terug op Vooruit, "ik had evengoed een bom in de zaal kunnen werpen!"

4-3-56

Weer een geschrift van LPB gekregen: de kleine eva uit de kromme bijlstraat, en weer zo'n opdracht die misschien weinig, misschien àlles wil zeggen: voor Pierre, "van wie de vogels liefheeft die achter tralies fluiten". Het is een aanhaling, een der laatste regels van het lange dichtwerk. Louis neemt vaak zijn toevlucht tot dat procédé.

We spraken vandaag over "geboren leidersfiguren," mensen die overal waar ze komen domineren en als leider erkend worden. L. speet het dat hij dat soort mensen nooit nauwlettend bestudeerd had. Toen ik hem zei dat ik dergelijke figuren telkens weer als bluffers doorzien had en me afvroeg waarom ikzelf me moeilijk terstond kon doen volgen, antwoordde hij: "Omdat ge een dwarsdrijver zijt. De andere soort heeft een doel, en daar geloven de doelloze mensen, de volgzame naturen, blindelings in."

5-3-56

Richard vond een knipsel over zijn lezing te Brussel.

"Komt dat van u, Louis?" vroeg hij.

"Als het over literatuur gaat, moet ge niet denken dat het van mij komt, Richard," zucht Louis.

"Gelukkige vent," zuchtte Richard.

25-2-57

Emiel Buysse? Louis vindt hem een mummelaar die maar niet kan ophouden. Maar, zegt hij, de mensen houden daarvan. Ge moet ze veel te lezen geven als ge wilt dat er iets blijft hangen. Het merendeel van wat ge schrijft dringt niet tot hen door. Met een artikel is het bij hen juist zoals water dat tussen de vingers van een hand wegloopt: er blijven maar enkele druppels over.

Richard heeft hetzelfde misprijzen, zoniet nog een groter misprijzen: niets is te dwaas voor het gros van de al te goedgelovige lezers.

Louis heeft me het manuscript van zijn nieuwe roman laten lezen: De paradijsvogel. Weinigen is het gegeven zo beklemmend te schrijven als hij. Hij lijkt wel een bezetene. Als ik de parallel trek tussen de schrijver en een van zijn hoofdpersonen, dan huiver ik. En toch, een betere en loyalere man dan L. ken ik niet.

"Ik heb een hekel aan de au-klank. Die zult ge in mijn proza betrekkelijk weinig tegenkomen. Zoals ik ook een afschuw heb van paars" (Louis na zijn middagdutje).

21-3-57

Als Herreman over mij schrijft, zegt Louis, weet ik van tevoren wat ik ga lezen. Het begint zo: "Alles wat Boon aanraakt, begint te leven." Wat verder, als hij mijn roman niet meer kan volgen, spreekt hij over "een kaleidoscopische roman". Dezer dagen vertelde hij voor de televisie zijn geijkt grapje: slechts éénmaal in zijn leven was hij in doodsgevaar geweest, namelijk toen hij in 1942 op straat het manuscript van Boons De voorstad groeit las. Wel tien keer werd hij bijna overreden.

Maar, werp ik tegen, hij maakte daarmee toch reclame voor u?

Ja, maar indirect voor zichzelf, door te laten uitschijnen dat hij mij ontdekt had.

30-5-57

LPB en RM over het geluk. Konklusie: wie te veel, te lang en te hard denkt maakt zichzelf ongelukkig.

8-5-58

Louis vertelt me dat Aage Scheffer steeds meer bezwaren maakt tegen zijn rubriekjes voor Het Vrije Volk. Het ene is te pikant, het andere te scherp, het derde te pessimistisch. Het slot van dat stukje moet in dat blad altijd een zonnestraaltje brengen; alle pessimisme dient te worden weerlegd of ten minste verzacht.

17-1-59

Louis: "Raymond Herreman heeft spijtig genoeg school gemaakt. Het wemelt bij ons thans van critici die alles ophemelen wat uit de pennen van Lampo, Van Aken, Daisne, e.a. komt. Die schrijvers maken op hun beurt school, met het gevolg dat er vrijwel niets goeds meer verschijnt."

Van de zeemzoete Emile Parez moest Louis ook niet veel hebben. Hij vertelde me dat Parez zich bij hoofdredacteur Crommen had beklaagd omdat een artikel van hem niet geplaatst was in Vooruits Geestesleven. En Louis daarentegen wel een stuk had gepubliceerd dat al in de Nieuwe Rotterdamse Courant was verschenen. Louis: "Hij stuurt me een nieuw artikel over een steendood onderwerp. In plaats van zelf een actueel stuk te schrijven zoals dat van de NRC maakt hij zich liever een vijand."

L. in een gesprek over het bedrog bij tv-wedstrijden en vertoningen als catch, zesdaagsen e.d.: "In de tijd van de Romeinen waren de gevechten in de arena al getruqueerd. De lieden met de kleuren van de keizer wonnen altijd. En de mensen willen het bedrog eenvoudig niet zien. Meer nog, ze beschouwen u als een gemene kerel als ge hen wijst op het bedrog. Daarom kunt ge, om zelf niet het slachtoffer te worden, maar één ding doen: zelf van dat bedrog gebruik maken. Wie mee doet deelt in de winst. Dat is ook de moraal van De zoon van Jan de Lichte: de zogezegde ladder van de maatschappij moet ge niet afbreken maar er wel gebruik van maken."

27-1-59

Louis is het schrijven beu, hij gaat weer schilderen, zegt hij. Van zijn 20e tot zijn 30e was schilderen zijn hobby maar in die tijd vond zijn werk, in de aard van Delvaux, geen weerklank.

Louis ervaart een bijna fysieke wellust aan het volkrabbelen van onbeschreven vellen; hij heeft de behoefte elk blad papier zwart te maken. Het is een afwijking, een aanvulling voor een tekort, meent hij. En ook een manier om zichzelf, zijn eigen ik, te doen gelden en het ook nog na de dood te doen voortbestaan in de gedachte van anderen.

8-6-59

Gisteren vroeg ik Louis: "Zowel in uw boeken als in uw schilderijen komen veel ratten voor of mensen die aan die griezelige dieren doen denken. Hebt ge daar een bijzondere bedoeling bij?"

"Een bijzondere bedoeling is misschien te veel gezegd. Maar de rat als verschijnsel heeft me altijd geboeid. Denk u eens in: onder de grond, in de riolen, bestaat er een andere wereld, die van de knaagdieren. Ze leven van onze afval en van hetgeen ze van ons kunnen stelen. Als er in de menselijke maatschappij een chaos ontstaat door oorlog of epidemieën, zien we de ratten uit hun holen komen, en hoe weerlozer de mens is, hoe brutaler en wreder de rat tewerk gaat."

"Dan hebben de ratten in uw werk dus een symbolische betekenis?"

"Zo zoudt ge het kunnen uitdrukken. Maar ze zijn dan toch een symbool dat zelf als een rat in mijn werk binnensluipt. Zoals men van een rat moeilijk kan zeggen hoeveel jongen ze zal hebben, zo wist ik ook niet dadelijk hoever de symbolische betekenis van zijn ondergronds gewroet zou kunnen reiken."

19-1-60

Louis over Marnix Gijsen: "Waarom schrijft Marnix Gijsen altijd maar voort? Gomperts zegt terecht: 'wat hij eigenlijk te vertellen heeft is een slap aftreksel van wat hij in vorige boeken met grote helderheid en meer tragiek heeft meegedeeld.' Ik zie Gijsen als iemand die in plaats van naar de televisie te kijken zich maar aan het schrijven zet zoals een vrouw aan haren brei voortdoet omdat ze niets dringends te verrichten heeft. Voor roem eer of geld schijnt hij het niet te doen, geld verdient hij als diplomaat genoeg. Telkens weer probeert hij zijn afvalligheid van de katholieke kerk van zich af te schrijven maar hij deinst terug voor de kern van de zaak."

Ik zeg: "Er wordt u vaak verweten dat ge een nihilist zijt."

Louis: "Integendeel, ik ben een positivist, iemand die alles loochent wat niet als een paal boven water staat. Ja, ik geloof dat zowat alles wat verkeerd gaat de schuld is van de mensen die niet nee durven zeggen en van al degenen die uit gemakzucht of lafheid ja knikken.

"Neem nu het leger, ze maken de mensen wijs dat het ondoenlijk is iedereen te overhalen legerdienst te weigeren. Toch kun je gemakkelijk het op de been brengen van een strijdvaardig leger beletten. Je kunt alle orders verkeerd uitvoeren, saboteren waar mogelijk zonder de krijgsraad te riskeren.

"Wat doen de heersers, de geboren leiders? Ze doen al het mogelijke om de slavenmentaliteit aan te kweken en te verheerlijken. Ze preken verdraagzaamheid, soberheid, ijver, onderworpenheid aan het gezag, hun gezag."

Brief aan Louis over Mieke Maaike

Pas in het begin van de jaren negentig las Pierre van der Poel Mieke Maaike's obscene jeugd. De gewezen Vooruit-redacteur was ontgoocheld en schreef zijn vriend postuum een brief.

Louis, ik ben je Mieke Maaike aan het lezen. Eerlijk gezegd, ik vind het niet goed. Vol spitse vondsten, dat wel, maar je spreekt daarin niet je eigen taal, jouw bloedeigen algemeen beschaafd Aalsters. Je hanteert een idioom dat je zelf hebt uitgevonden, maar het is een krom taaltje, dat me aan Marnix doet denken, die hond uit onze buurt die maar drie en een halve poot over heeft en hinkend maar lachend door het leven gaat. Het is geen Nederlands, geen Vlaams en ook geen Mokums, al riekt het daar wel ergens een beetje naar, zoals het paaltje waartegen Marnix zijn halve poot heeft opgeheven, naar een of twee druppeltjes van zijn pis ruikt.

Ik heb je jarenlang bespied en gemeend dat ik je kende. Ik wist dat je een bezetene was zoals ik, maar nog erger, want je bewonderde de Sade, van wie ik slechts één boek las, probeerde uit te lezen, maar het in een hoek slingerde. Ik vond het slechts een optelsom van seksuele acrobatieën, en hemzelf een ziekelijk curiosum.

Moet ik hetzelfde zeggen van jouw Mieke Maaike en van jezelf? Ik durf het bijna niet, en toch doe ik het. Maar tegelijk wil ik zeggen dat ik je misschien begrijp. Je moet ontzettend geleden hebben onder je verlangens, je fantasieën. Anders had je die 120 bladzijden niet volgesmeerd met zaad en geil en zeik en stront en had je niet de spot gedreven met die aanbeden kutjes en die overgrote, dikke pikken die door jonge meisjes werden gestreeld, en af en binnen werden gespeeld.

Ik zie nog altijd die playboymeiden waarmee je de kasten in ons werkkot versierde, en het oog van die andere bezetene, Dalí, in de driehoek van God-ziet-u, het oog dat ook jouw oog was. Ik hoor je nog de trappen opkomen, een verloren triestig liedje fluitend als een hopeloos eenzame merelaar.

Je schreef met je hart en je penis, zoals Piaf het uit haar kut en haar ingewanden uitschreeuwde. Door gepolijste literatuurbonzen zoals Raymond Herreman werd je geklasseerd in het keurige hokje van de 'sociaal bewogen schrijvers'. Ze zeiden dat al wat jouw pen beroerde goud werd, en daarmee was je voor hen afgehandeld. Die deftige heertjes hadden wel wat anders te doen, zoals te bekokstoven wie van hun cenakeltje de volgende literaire prijs moest krijgen.

Het heeft je niettemin niet aan roem en eer ontbroken. Ze konden eenvoudig niet om je heen en gebruikten je dan maar om hun culturele avondjes te garneren, vooraf beramend dat ze je whisky zouden opgieten, maar niet te veel, want anders liep je uit hun handen. Voor hen was je een roemruchte hofnar, die de mensen kon amuseren met zijn kluchten. Maar ze moesten wel zorgen dat je grappen en grollen niet te scherp werden en in hun eigen kwabberig vlees sneden. De rol van clown die ze je toebedeelden, had je eigenlijk aan jezelf te danken doordat je een tijdje 'het manneke van de televisie' had gespeeld. Voor de gewone mens was je dát en niet veel anders.

De eerste jaren dat je bij ons werkte, vermoedden we niet dat je dronk. Die een of twee flesjes bier bij je boterham, dat was geen drinken. Pas later, toen je de gevierde gast was op literaire avondjes, drong de whiskywalm tot ons door. En eens bekende je dat je twee dagen lang bijna geen vin meer kon verroeren, verlamd door de omgang met John Haig en Johnnie Walker.

Waar was de tijd dat onze baas, die goeie ouwe August De Block, je half ernstig vermaande: "Een journalist moet kunnen drinken; anders blijft hij er liever helemaal van af." Dat was in Colmar, eindpunt van een etappe van la Route du Vin. We hadden de hele dag met Louis en De Block van de ene receptie naar de andere wijnkelder gezeild. 's Avonds kwamen we goed snikker in ons hotel aan, en daar werd je kamer 69 toegewezen. Luid roepend "Joepie, soixante-neuf!" huppelde je op handen en voeten de trap op. De deftige hotelgasten aan de balie konden er niet om lachen. De volgende dag werd daar niet meer over gepraat: onze baas had een ander varkentje te wassen, en dat was ik. Ik had met mijn dronken kop de maître d'hôtel van de trappen gegooid omdat hij in mijn bed was gekropen.

Dat je een levendig gevoel voor humor had, blijkt niet alleen uit Mieke Maaike, maar ook uit je ernstiger bedoelde boeken. Maar het was niet de humor van de clown, van Abbott en Costello of van Charlie Chaplin in zijn slechtste slapstick-momenten. Jouw humor was er een van verstikte tranen, van 'mannen schreien niet, maar...' Dat verdriet kwam duidelijk tot uiting in de slotzin van de eerste versie van Mijn kleine oorlog: "Schop de mensen een geweten."

In een nieuwe druk heb je dat einde veranderd. Je hebt me niet willen zeggen waarom.

Ik ga me nu verder door de kromme taal, de stront, het geil en de zeik van Mieke Maaike worstelen, omwille van de diamanten die je erin hebt rondgezaaid. Tabeh!

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234