Maandag 27/01/2020

Voetbal is oorlog

Ian Buruma vindt het Wereldkampioenschap een geweldige uitlaatklep voor nationalisme

Van Nederland tot Argentinië en van Kameroen tot Japan, overal hangen de vlaggen al trots te wapperen. Binnenkort zullen ook het tromgeroffel en het trompetgeschal weerklinken. De nationale kleuren zullen ontplooid worden en overal zullen strijdkreten losbarsten. Het is weer zover. De Wereldbeker Voetbal is begonnen.

Wijlen Rinus Michels, ook wel “de Generaal” genoemd, was coach van het Nederlandse elftal dat in 1974 nipt de duimen moest leggen voor Duitsland. Hij was het die de beroemde woorden “voetbal is oorlog” sprak. Toen de Nederlanders in 1988 wraak namen en verhinderden dat Duitsland Europees kampioen werd, dansten er in Nederland meer mensen op straat dan eind mei 1945, toen de echte oorlog voorbij was.

Ooit, in 1969, was een voetbalwedstrijd tussen Honduras en El Salvador zelfs de rechtstreekse aanleiding tot een heus militair conflict dat de geschiedenis is ingegaan als de Voetbaloorlog. De spanningen tussen beide landen waren voordien al hoog opgelopen. Maar naar aanleiding van de kwalificatiewedstrijden voor het wereldkampioenschap van 1970 werden fans van de Hondurese ploeg aangevallen. Tot overmaat van ramp werd de draak gestoken met het Hondurese volkslied en werden de blauwwitte vlaggen besmeurd.

Uiteraard zijn voetbaloorlogen een zeldzaamheid (een ander voorbeeld ken ik overigens niet). Baron de Coubertin, de geestelijke vader van de moderne Olympische Spelen, was ervan overtuigd dat internationale sportcompetities de mensen onvermijdelijk aanzetten tot broederlijkheid. Dat is evenwel niet meer dan een romantisch verzinsel. Het geweld dat Britse hooligans tentoonspreiden, bijvoorbeeld, is de uiting van een bizarre hunkering naar oorlog. In tijden van vrede durft het leven wel eens eentonig te zijn, en het roemrijke Britse verleden ligt intussen al ver achter ons. Voetbal biedt ons de mogelijkheid om de kick van de strijd te beleven. Tenslotte riskeren we niet veel meer dan een paar gebroken botten.

Ook als voetbal niet tot bloedvergieten leidt, lokt het spelletje hevige primitieve en tribale emoties uit. De rituelen doen ons onvermijdelijk terugdenken aan lang vervlogen tijden, toen de krijgers nog oorlogskleuren op hun gezicht verfden en zich brullend als apen overgaven aan opzwepende dansen. De aard van het spelletje, waarin snelheid en collectieve agressie voorop staan, lokt dat gedrag dan ook uit.

Tennis leidt dan weer niet tot collectieve en nationale waanzin. Zelfs boksen niet, behalve dan een zeldzaam keertje, zoals toen Joe Luis, “the Brown Bomber”, in 1938 nazifavoriet Max Schmeling versloeg. Uiteindelijk zijn het hier twee individuen, en niet twee stammen, die strijd voeren. Arthur Koestler had overschot van gelijk toen hij zei dat je nationalisme en voetbalnationalisme hebt, en dat het laatste soort nationalisme veel dieper in ons zit ingebed. Koestler was geboren in Boedapest, maar was een Brits staatsburger. En toch is hij zijn hele leven lang een Hongaars voetbalnationalist gebleven.

Maar daarvoor moet je traditionele vijanden hebben. Oude wonden en vernederingen ook, die, zij het louter symbolisch, moeten worden weggewist. Amerika is niet meteen een voetballand en heeft ook geen grote historische vijanden. De Amerikanen zouden het dan ook moeilijk hebben om net zo uit de bol te gaan als de Nederlanders toen die in 1988 Duitsland versloegen, of als de Koreanen toen ze Japan naar huis stuurden.

Het beste voorbeeld van dat soort sportnationalisme is misschien niet in het voetbal, maar wel in het ijshockey terug te vinden. In 1969 klopte Tsjecho-Slowakije namelijk de Sovjet-Unie, amper een jaar nadat de Sovjettanks Praag waren binnengerold. De Tsjechische spelers richtten hun sticks op de Russen als waren het geweren, en na hun overwinning braken er aan het thuisfront anticommunistische rellen uit.

Anders dan baron de Coubertin had gehoopt, moeten het kosmopolitisme en de cultuuroverschrijdende broederlijkheid het meestal afleggen tegen de rauwe emoties van de stam. Die stam kan een club zijn, of een clan, of een natie. Voor de Tweede Wereldoorlog hadden voetbalteams vaak een etnische of religieuze component. Het Londense Tottenham Hotspur was joods, terwijl Arsenal Iers was. De overblijfselen daarvan zijn nog steeds merkbaar: het Amsterdamse Ajax wordt door de tegenstanders nog altijd de jodenploeg genoemd. En de teams uit Glasgow, Celtic en Rangers, onderscheiden zich nog altijd op basis van religie. Celtic is katholiek, en Rangers is protestants.

Toch is een gedeeld ras of een gedeelde godsdienst niet essentieel. Een aantal van de Franse voetbalhelden die in 1988 de wereldbeker mee naar huis namen, waren van Afrikaanse of Arabische afkomst, en daar waren ze trots op. De succesvolste moderne voetbalploegen zijn al net zo gemengd als de reclames van Benetton. De trainers en spelers zijn uit alle hoeken van de wereld afkomstig, maar dat heeft het enthousiasme van de plaatselijke supporters niet kunnen temperen. In sommige landen is voetbal zelfs het enige wat de mensen nog samenhoudt. Denk maar aan de sjiieten en de soennieten in Irak, of aan de moslims en de christenen in Soedan.

Uiteraard zijn de meeste weldenkende mensen een beetje zoals Pierre de Coubertin. Tribale emoties zijn gênant en gevaarlijk als we ze de vrije loop laten. Na de Tweede Wereldoorlog was de uiting van nationalistische gevoelens om begrijpelijke redenen zogoed als taboe in Europa (met Duitsland op kop). We waren allemaal goede Europeanen geworden, en nationalisme was iets voor racisten. Maar toch konden die gevoelens de kop niet worden ingedrukt. Koestler had gelijk. Ze moesten een uitlaatklep vinden, en het voetbal was daar uitstekend voor geschikt.

Het voetbalstadion werd een soort reservaat waar we ons niks hoefden aan te trekken van taboes omtrent tribale waanzin en rassenhaat. Tot op een bepaald punt, althans. Toen de Ajaxfans er genoeg van hadden om steeds maar uitgescholden te worden voor vuile joden - soms begeleid door een collectief gesis dat het geluid van ontsnappend gas moest nabootsen - en het tot geweld kwam, greep het stadsbestuur in. Sommige wedstrijden werden gespeeld zonder supporters van de bezoekende ploeg.

Maar niet alle voetbalwedstrijden gaan gepaard met negatieve gevoelens en geweld. Misschien wordt deze editie van de Wereldbeker wel een festival van broederschap en vrede. Bovendien zullen er zelfs maar weinig mensen balen als Duitsland wint.

Het feit dat sport primitieve emoties kan losweken, is evenwel geen reden om die sport te veroordelen. Die gevoelens zijn er nu eenmaal. Het is dan ook beter om ze een rituele uitlaatklep te geven. De angst voor de dood, het geweld en het verval vindt tenslotte ook zijn uitdrukking in religie of in stierenvechten. Bepaalde wedstrijden hebben tot geweld geleid, en in dat ene geval zelfs tot een heuse oorlog, maar ze hebben ons ook in toom gehouden door onze dierlijke impulsen af te leiden naar de sport. Maar het kampioenschap is begonnen, moge het beste team winnen. En dat is natuurlijk Nederland, het land waar ik ben geboren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234