Vrijdag 21/01/2022

Voetbal is geen kunst

Wat ik zoal geleerd heb in dit leven? Kijk nooit naar een belangrijke, spanning belovende voetbalmatch met vrienden of kennissen die minder van voetbal af weten. Zelfs niet met zielsvrienden of kunstbroeders met wie je anders welwillend van mening kunt verschillen over Joyce of Mulisch bijvoorbeeld. En als het toch écht niet anders kan, gebied dan dat de ondeskundigen hun mond houden. Commentaar is voor specialisten, niets ergerlijker dan onkundige leken die kraaiend en ondertussen graaiend naar bier en chips ook hun zegje willen doen. Hierbij dient vooral gewaarschuwd voor het type gestudeerden die, sinds het Europabekerfestijn ook in die kringen salonfähig is, het wellustige becommentariëren van een interland verwarren met een avondje jolig ginnegappen en gewilde geestigheden ventileren op het Geert Hoste-niveau. (Meestal zeggen ze net iets te vlug dat de televisiecommentator er weer niets van kent, - wat verder niet altijd onjuist is, de voetbalgod Johan Cruijff poneerde al eens in een interview: "Ik vermoed dat als journalisten veel verstand van voetballen zouden hebben, ze geen journalist zouden zijn.")

Bekijk de koninginnewedstrijden in een exclusief uitgelezen gezelschap van gelijkwaardigen die ongeveer hetzelfde voetbalgevoel en -verstand hebben. Liefhebbers die dezelfde klasse waard zijn, bij wijze van spreken. Een strenge selectie is wenselijk; hoe gemoedelijk de sfeer ook mag zijn, een ploeg is slechts zo sterk als de zwakste schakel. Door de ervaren medespelers wordt een niveauverschil ook meteen opgemerkt: een halve opmerking - "ha, kijk hoe vlug hij weer te been is" - maakt de incompetentie duidelijk: wég groepsgevoel van kenners onder elkaar, die alleen maar wegens andere levensvervullingen geen bondscoach zijn geworden.

Voetbal is geen kunst waarover elke onverlaat met recht een mening kan uitspreken, die dan even relevant zou zijn als die van de echte deskundige, wij dus. Geconcentreerd als we moeten zijn, is er geen tijd voor domheid. Overigens, stel je voor dat je - als ervaren lezer - verdiept bent in de nieuwe Claus en een ongeletterde merkt onderwijl joelend op dat de schrijver nogal blasé overkomt. Door de waanzinnige populariteit van het voetbal worden dat soort ongerijmdheden wel uitgebazuind over, neem nu, Kluivert of Seedorf. Nee, alleen met al even voetbalgevoeligen kun je ongeremd van mening verschillen en onbekommerd tackelen, nu eens de bal, dan weer de man. Voetbal is ook geen feest. Voor de gepassioneerde geldt die avond, en misschien ook alleen maar die uren voor de televisie, het credo van Bill Shankley: "Football is no matter of life and death, it's more important than that."

Eerlijk, tijdens de analyses bij zo'n televisieavond met de boys - met wie ik jaren voetbalde - voel ik me veel deskundiger dan ooit bij het bespreken van wat voor literatuur ook. Wij, balgoochelaars in onze kinderdromen, wij voelen als het ware de grasmat, wij weten hoe moeilijk het is een bal uit de lucht te plukken en meteen stil te leggen, hoe in één tijd een opening kan worden gecreëerd, hoe je na een ware aanslag het ene moment zieltogend van de pijn ligt te spartelen en de volgende minuut soms alweer een sprintje kunt trekken. Kortom, wij voelen het spelletje aan, tenminste, dat willen we graag nog maar eens aan elkaar laten blijken.

Bij literatuur wil ik al eens uitleggen aan een enthousiasteling waarom een boek volgens mij kwaliteiten heeft, bij voetbal lukt dat niet. Wie het moment van 1985 - de geniale pass van René Vandereycken naar Eric Gerets, die vervolgens een puike voorzet gaf die door Georges Grün vakkundig werd ingekopt - niet meteen doorzag, ziet het gewoon niet. En wie niet begrijpt waar het nu over gaat, is al helemaal geen ingewijde. Televisiejournalist Frank Raes is dat blijkbaar wel, hij schreef over Vandereycken, en diens sardonische grijns na een strafschop, in Totaal onverdiend (Icarus, 1998, samenstelling: Raf Willems & Hugo Borst).

Wij, de voetbalboys, kennen onze klassiekers - Leon Jeck, Pierre Carteus, Jairzinho. Wij hebben Cruijff nog met Keizer zien samenspelen.

Ik heb het óude Ajax nog gekend! Daar kun je nu om lachen, jongeman, Maar 't was de tijd van Pietje en Johan: Die goeie ouwe tijd van vorm én vent!

Dit versje van Nico Scheepmaker staat, naast tal van vermakelijke en lezenswaardige beschouwingen, in zijn boek Cruijff, Hendrik, Johannes, fenomeen (Nijgh & Van Ditmar, uitgebreide herdruk, 1997). Johan Cruijff introduceerde niet alleen het moderne totaalvoetbal in Nederland, hij werd ook de voetballer par excellence die door poëten en literatoren lyrisch bezongen werd. Door Cruijff leek voetbal kunst geworden.

Onzin natuurlijk, al heb ik die fout ook wel eens gemaakt, jaren geleden: Luc Nilis schoot van zowat 25 meter loeihard op de lat, tijdens een competitiematch Cercle Brugge-Anderlecht, waar ik met een cultureel correcte vriend naar was gaan kijken. "Daar kan de Blauwe Maandag Compagnie niet aan tippen," grapte ik, maar toegegeven, dat was iets te makkelijk willen scoren. (Cruijff, in het interviewboek Ajax Barcelona Cruijff (Pandora Pocket) van Frits Barend en Henk van Dorp: "ik vond het altijd zo'n mooi geluid als de bal goed hard tegen de lat aanknalde.")

Voetbal is geen kunst, het is gewoon een spel, een verdomd aardig, haast geniaal spel, dat wellicht daardoor zo populair geworden is. Want, om duidelijk te zijn, de maatschappelijke aandacht en de kosten die het voetbal en Euro 2000 opeisen vind ik buiten proporties, om nog niet te spreken over de veiligheidsaspecten. Maar hier wil ik het hebben over het onvervalste voetbalplezier, als het over literatuur gaat, wordt de economische situatie van het boekbedrijf er toch ook niet almaar bijgehaald.

Johan Cruijff was nooit mijn idool - zijn waterdrager Johan Neeskens wel, en dichter bij huis, de Waregemse Braziliaan Giba - al stond voor mij wel vast dat hij onbetwistbaar de beste voetballer ter wereld was. Meer dan Pele of later Maradona is Cruijff de kwintessens van het godenspel. Ook nu nog voelt hij het als niemand anders aan. Dat blijkt zelfs uit zijn soms onnavolgbare wedstrijdanalyses. Dichter en essayist Guus Middag schreef in Veertien over nummer 14 (Anthos/Icarus, 1997) al over het Cruijffiaanse taalidioom: "de spreker Cruijff kapt en draait, versnelt en versloomt in zijn taal net zo gemakkelijk en achteloos als vroeger op het veld." Uit de gebundelde interviews blijkt dan weer dat zijn tactische visie als speler in 1974 - toen hij uitlegde waarom Nederland de finale tegen West-Duitsland verloor: "We maakten het veld te groot" - al dezelfde was als die als trainer en voetbalprofeet in de jaren negentig: "Hoe groter de ruimte, hoe moeilijker het is om aan de bal te komen. Dus moet je de ruimtes klein maken." Zo eenvoudig is het voor Cruijff, hoewel: "Simpel voetballen is het allermoeilijkste."

Technisch niet simpel was zijn voetbalkunstje in de videoclip voor een antirookcampagne na zijn hartoperatie. De door Cruijff ingesproken tekst luidde: "Ik heb altijd twee passies gehad, voetbal en roken. De ene heeft me in dit leven alles gegeven, de andere heeft het me bijna weer afgenomen." Hij goochelde een tijdje met een pakje sigaretten, rechtsvoetig, en gaf het na een laatste opwippertje een kankerschop. Starend naar de volle asbak bedenk ik dat ik ook dat nooit zo gracieus zal kunnen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234