Zaterdag 18/01/2020

'Vliedende vlucht, groeiend door de stad'

In het Centrum van Brussel 2000 is momenteel een expositie over schrijvers en hun favoriete steden te zien. We liepen er wat verloren tussen tekstfragmenten en kartonnen decorstukken, zochten naar sporen van auteurs en werden prompt verleid om na afloop Berlin Alexanderplatz of iets van Michaux te gaan lezen. En kijk: Schrijvers in steden is ook een tentoonstelling om naar te luisteren.

door Eric Min

Het is een hachelijke opdracht om een tentoonstelling over literatuur te bouwen. Moeten boeken immers niet echt gelézen worden en hun schrijvers hooguit in een biografietje gevat, immuun voor de verwoestingen van onze kijkdooscultuur? De verhouding van een auteur met zijn geliefde stad is al helemaal een lastig thema: voortdurend lopen de woorden de beelden voor de voeten, gaan twee werelden met elkaar op de vuist. Hoe ontwijken we de valkuilen van de 'toeristische rondleiding voor intellectuele reizigers'? Hoe illustreren we het Lissabon van Pessoa of Hertmans' Brussel - didactisch, met veel plaatjes in een consistent historisch kader, of suggestief in de weer met sfeer, vol imaginaire hyperlinks naar de teksten en het leven van de schrijver? In het Centrum van Brussel 2000 hebben ze het voortreffelijk gedaan.

De zes steden die samen met hun auteurs een beeld van de moderne metropool in de literatuur moeten opleveren, zijn niet meteen onverwachte gasten: Parijs (Raymond Queneau), Berlijn (Alexander Döblin), Lissabon (Fernando Pessoa), Dublin (James Joyce), Buenos Aires (Jorge Luis Borges) en Brussel/Bruxelles. Het is natuurlijk een gemakkelijke keuze, al doet dat er eigenlijk niet echt toe. Andere steden, zichtbare en onzichtbare, zouden andere nuances aanbrengen (het Triëste van Magris, Morands Venetië, Antwerpen?), maar de grondtoon blijft allicht dezelfde. De fascinatie van schrijvers voor de stad (en omgekeerd) heeft haar wortels in een onbestemde mix van het grootse en het gore; het schouwspel van de moderniteit in haar meest geconcentreerde vorm kan er naar hartelust woekeren, het romaneske wordt er steeds weer opgeslagen in verhalen en gedichten. Voor kunstenaars is de metropool een splinterbom van prikkels: snelle beelden en bruuske decorwisselingen sloegen ooit de taal en de rustige verhaallijn aan stukken. Zelfs de klassieke typografie van het boek moest eraan geloven - niet toevallig zijn er twee gedichten van Paul van Ostaijen opgehangen in de hal van de tentoonstelling - "vliedende vlucht, groeiend door de stad". De gevoeligheid van schrijvers voor banale details en de achterkant van de dingen, hun verlangen om "het wezen te doorgronden van deze verlamming of onmacht die een stad bij velen oproept" (het programma dat Joyce zich stelde) en van de straat geplukte emoties als eenzaamheid, beklemming of onbeschaamd genieten maken dat hun werk er als een talig equivalent van een collage of een almaar opnieuw volgeplakt reclamepaneel gaat uitzien - een palimpsest waarop de sporen van andere, eerdere verhalen zijn achtergebleven.

Al in het voorportaal van Schrijvers in steden worden de woorden verspreid losgelaten. Naast de vaste ingrediënten van elke literaire expositie, borden met teksten en citaten die al te vertrouwd klinken (Calvino, Céline) of ontroeren in hun eenvoud (een gedicht van Jan Van Nijlen) horen we vooral klanken. Tussen het geraas van wielen en het knarsen van remmen deelt een stationsstem mee dat de internationale trein zal vertrekken op perron 3. Videoschermen en foto's laten er geen twijfel over bestaan dat we ons in een wachtzaal bevinden. Wie een van de telefoontoestellen aan de muur opneemt, hoort stemmen in de hoorn terwijl uit de volgende zalen al nieuwe geluiden komen aangewaaid. Schrijvers in steden is ook een tentoonstelling om naar te luisteren, zoveel is zeker.

Twee passen verderop bevinden we ons in de Parijse ondergrondse, halte Queneau. We herkennen de witte rechthoekige tegeltjes en de aanplakborden met foto's uit de verfilming van Zazie dans le métro; het concept van deze tentoonstelling is blijkbaar schatplichtig aan spektakelstukken als Ik was 20 in '45 of aan het parcours dat werd uitgewerkt in de Brusselse Fondation Jacques Brel: minutieus nagebouwde decors waarin authentieke voorwerpen of replica's doen dromen van andere tijden - een fascinerend 'net echt' als hedendaags equivalent voor het tableau vivant of het wassenbeeldenkabinet.

Zorgvuldig gekozen teksten laten Zazie en haar geestelijke vader ronddolen in de milde warmte van de metro: "je vergeet de regen de wind de sneeuw de ijzel de blubber de otto's". In de volgende zaal doet Queneau zijn beruchte voorstel om alle monumenten van Parijs samen neer te poten in één wijk die vooraf met de grond was gelijkgemaakt: van de Eiffeltoren tot de Handelsrechtbank en het café Les Deux Magots, "zodat de toeristen niet langer in het wilde weg de straten van de stad moeten doorkruisen". Op de achtergrond leest de obsederende stem van Guillaume Apollinaire het gedicht 'Le Pont Mirabeau' - het is jammer dat we alleen de teksten van Schrijvers in steden in een boekje mee naar huis mogen nemen, en geen cd met de klanklandschappen van de tentoonstelling. Af en toe moeten we ook even het recht in eigen hand nemen, een knop indrukken of een hoorn van de haak nemen en gewoon luisteren. Er valt altijd wel wat fraais uit.

Een ruimte waar taggers de hedendaagse stad een plaats in het verhaal geven vormt de overgang naar het Berlijn van Alexander Döblin, een installatie met kasseien, glazen kasten en een lang fragment uit Walter Ruttmanns stille film Berlin, die Sinfonie der Großstadt. De geluidsband in de kamer steunt en hijgt. Hier stellen we ook vast dat niet alle teksten in deze expositie goed leesbaar zijn: soms is de typografie al te vermoeiend, soms worden de panelen niet zorgvuldig genoeg belicht. Of het toeval of onachtzaamheid is, weet ik niet. Het zou een schitterend teken aan de wand kunnen zijn: hier is alles nog inleiding, stille wenk - laat je verleiden om de boeken zelf op te zoeken.

Uit de Berlijnse duisternis belanden we in het licht van Lissabon. Op de vloer liggen de kasseitjes die in zowat elke foto van de wandelende Fernando Pessoa de grond onder de voeten van de dichter mogen zijn. Tussen de stenen, fragmenten uit het werk van de schrijvers Pessoa. En weer drijft de klank van een stem ons voort - in het Nederlands deze keer, want de tentoonstelling is vrijwel perfect tweetalig. Een deurtje leidt naar een aardedonkere ruimte waar voetstappen weerklinken. Wanneer onze ogen aan de duisternis gewend zijn bevinden we ons in een steeg, "een onafgebroken, altijd gelijke kromme, nooit scherper, nooit smaller, een bocht die door geen enkele splitsing, geen enkele dwarsstraat werd onderbroken". Jacques Sternberg hoort er de trage, uiterst precieze pas van een voorbijganger; in het donker beluisteren we zijn tekst maar ook een flard Nooteboom en Musil. Zie hoe nobel het toeval (of de inspiratie van de makers van deze tentoonstelling) kan zijn: het gangetje lijkt wel het leesteken uit het Michaux-citaat dat ons opwacht: "Tussen de huizen ziet men de komma's niet, daardoor is het lezen zo moeilijk en zijn de straten zo vervelend om door te lopen. In de steden is de zin eindeloos." Aan het andere eind wenkt Dublin, een grijze en wankele doolhof als het decor van een expressionistische film. Een bladzijde uit de drukproef van Ulysses met Joyces correcties lijkt verdacht veel op een plattegrond.

Na een wat mager uitgevallen Borges-evocatie met woestijnzand en een ronde bibliotheek belanden we in een Brusselse tunnel waar de vertrouwde gestalten van Eric de Kuyper, Benno Barnard, Stefan Hertmans en Geert van Istendael ons opwachten in het gezelschap van hun Franstalige broeders die een mens eigenlijk dringend beter zou moeten leren kennen. Foto's van Marie-Françoise Plissart, Bernard Plossu en Willy Kessels vormen een visueel equivalent voor het teveel aan taal dat hier wordt opgelaten. In een zaaltje kunnen we kijken naar oude films over Brussel van Patrick Ledoux of het huis Pathé. Het zijn trage beelden die hun tijd nemen om de stad goed te laten zien, zoals dat lang geleden gebruikelijk was: het leven in de straten aan de voet van de Sint-Michielskathedraal wordt gefilmd met een vaste camera, bedaarde travellings wandelen langs de lanen waar de neonverlichting van de gouden jaren glinstert. Straks hebben we nog een onverwacht citaat van Henri Vernes (de geestelijke vader van Bob Morane) te goed, en nog een metro en wat fabeldieren, en dan staan we terug in de stationshal. Achter de grote ramen van het voormalige warenhuis wenken de straten van het echte Brussel. De klank van de stad heeft zijn werk gedaan: met amoureuze ziel lopen we naar buiten, op zoek naar een goed gesorteerde boekhandel.

De tentoonstelling Schrijvers in Steden loopt tot 12 november in het Centrum Brussel 2000, Schildknaapstraat 50 te Brussel (tel. 02/214.20.00). Ze is elke dag behalve maandag geopend van 11 tot 19 uur (op donderdag tot 21 uur). De toegangsprijs bedraagt 200 frank. Het gelijknamige boekje (in het Frans) kost 500 frank; de brochure (Nederlands of Frans) waarin alle teksten zijn opgenomen, is gratis.

Voor kunstenaars is de metropool een splinterbom van prikkels: snelle beelden en bruuske decorwisselingen sloegen ooit de taal en de rustige verhaallijn aan stukken'Tussen de huizen ziet men de komma's niet, daardoor is het lezen zo moeilijk en zijn de straten zo vervelend om door te lopen. In de steden is de zin eindeloos'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234