Dinsdag 03/08/2021

Vlaamse kermis in de Spaanse hel

's Middags volk ronselen aan het zwembad voor de cocktailspelletjes, 's avonds de macarena en de lambada voordansen en 's nachts de dames zonder gezelschap entertainen. Ooit was Dimitri Verhulst animator op Mallorca. Tot zijn scha en schande.

Door Dimitiri Verhulst

De verleiding is groot om dit verhaal in de derde persoon te vertellen. Ik zou het hoofdpersonage een naam geven met de kwaliteiten van mijn eigen naam, tamelijk kleurloos en veeleer lelijk van klank, zoiets als Gregory, en mij van die verzonnen jongen bedienen om het te hebben over een periode in mijn leven waarvan ik godzijgedankt niet meer dan één schamele foto heb bewaard, en waaraan ik uitsluitend vol schaamte en walg kan terugdenken. Maar ik loop daar het risico nog eerlijker over mezelf te schrijven dan ik al van plan ben hier te doen, dat is tenslotte het nut van derde personen, en zo gênant hoeft het dan ook weer niet te worden. Vind ik dat het woordje 'ik' al voldoende opduikt in mijn geschriften en doet zich hier een mooie kans voor om eindelijk eens andere werkwoordsvervoegingen te gebruiken, ik moet moedig zijn en het niet willen wegmoffelen dat ik ooit nog als animator in een clubhotel op Mallorca heb gewerkt. Maar ik zal de naam Gregory onthouden, voor mocht ik ooit op het idee komen om andere en nog grotere schaamtelijkheden van mezelf te boek te stellen.

Animator dus. Ik zie me de sollicitatiebrief nog schrijven, op een kanteladres in mijn leven, Bevrijdingslaan 122, Gent, aan de zwarte schrijftafel waaraan al twee geweigerde romans waren geschreven en mijn derde dappere poging bijna klaar was. Een betonnen appartementsblok, de bovenbuur hoorde ik regelmatig zijn vrouw stukslaan en dat was handig, aangezien ik mijn vader in mijn boek hetzelfde liet doen. Er kwamen mij hierdoor, om het zo te zeggen, een aantal herinneringen scherper voor de geest. In de keuken zaten ratten, en zij hadden minder schrik van mij dan ik van hen. Was ik terechtgekomen in het boek 1984, dan zou ook ik mijn zonden tegenover het staatsregime hebben opgebiecht in het aanschijn van ratten. De drollen van alle bewoners klaterden langs dezelfde pijp luidruchtig naar beneden, en in de trappenhal werden familiegeheimen uitgeschreeuwd en gezinsruzies uitgestreden. Het appartementje waarmee men meer dan tevreden diende te zijn als studerend jongmens zonder ouders en zonder baantje met een aktetas.

Om animator in een clubhotel te worden had ik volstrekt geen zin, maar dat was op dat ogenblik geen argument meer. Het gros van alle vacatures wordt ingevuld zonder zin, je ziet alleszins weinig mensen om acht uur 's ochtends lachend naar Brussel rijden. De pizzeria waarvoor ik vier jaar lang op een scooter had gezeten was op de fles, of liever, had zich op de fles laten draaien om boekhoudkundige redenen. Ik stond er ingeschreven als jobstudent, hetgeen maakte dat ik een wachttijd van, ik meen, tien maanden had uit te zitten vooraleer de overheid me de bezitter liet zijn van een blauwe stempelkaart en ik elke 3de en 26ste van de maand mocht gaan aanschuiven in een lange rij lotgenoten.

In de kranten las ik dat het beter ging met de economie. Ik lees dat ook vandaag. Zo mijn honderden sollicitatiebrieven al beantwoord werden, waren dat standaardbriefjes, ik was daar al mee vertrouwd dankzij enkele uitgeverijen, en wat bezwaarlijk een spaarpotje kon worden genoemd raakte razend snel leeg. Toen de moeder van het meisje waarmee ik samenwoonde de huishuur moest betalen om ons te behoeden voor de dakloosheid vond ik dat zo vernederend dat ik me voornam om mij tot alles te verlagen voor een bron van inkomsten. Had ik op deze bladzijden maar vastgehouden aan de naam Gregory dan zou hier ook een beschrijving hebben gestaan van hoe ik mij liet keuren in een modellenbureau, en hoe ook dat niets werd.

Uiteraard was mijn sollicitatiebrief begonnen met "Uw advertentie in krant X van de zoveelste oktobruari trok mijn aandacht..." Al mijn sollicitatiebrieven begonnen ermee, en de waarheid was dat niets nog mijn aandacht trok, ik waagde gewoon mijn kans voor alles wat zich aanbood. Omdat een job als animator mij veruit het minst interesseerde, was het uitgerekend voor deze job dat ik op gesprek mocht gaan, die logica bleef gehandhaafd. Het gesprek vond plaats in hotel Terminus te Antwerpen, een plaats gemaakt om er zich ellendig te voelen, en werd afgenomen door een schriele veertiger die ik ogenblikkelijk wantrouwde. Mij kostte het geen enkele moeite om op zijn gezicht een treurig levensverhaal te kleven, dat van iemand die was ontgoocheld in de liefde, die was bedrogen en uitgespuwd, en die zich op een functie in het buitenland had gesmeten uit louter escapisme. Spoedig zou ik merken dat het leven mijn fantasie voor was geweest en dit verhaal reeds voor hem geschreven had.

Ik had me voorbereid op de verschrikking mijzelf de hemel in te moeten prijzen, mijn vaardigheden in de verf te zetten, maar die man had mijn sollicitatiebrief gelezen en mij op mijn woord geloofd. Aangezien een animator sportief moet zijn, zo stond het overigens ook in de omschrijving van het gewenste profiel, had ik het nuttig geacht mijn ervaring in de bergsport op mijn cv te zetten, op de plaats waar anderen diploma's en rijbewijzen zouden noteren. Net dat had de man weten te bekoren en hij zag me al met klanten aan de kliffen van Mallorca bengelen, iets wat de concurrentie niet kon aanbieden. "We zien elkaar 15 maart terug in Porto Cristo", had hij gezegd, zonder een van de duizend vragen af te wachten waar ik nog mee zat.

Mijn allerlaatste franken stak ik in een vliegtuigticket richting Mallorca, er zou zelfs niets meer overblijven om me op de luchthaven een broodje te kopen, ook niet als ze goedkoper waren dan ze op luchthavens plachten te zijn. En het laatste wat ik op de ochtend van die 15de maart op Belgische bodem deed, was nog gauw een manuscript opsturen naar Uitgeverij Contact, ik durf het haast niet neer te pennen omdat het zo keurig zou staan in een biografie van een kunstenaar, opgesteld volgens de romantische modes die vragen de klemtonen op de miserie en de armtierigheid te leggen. Ik wuifde naar een vriendinnetje dat zich zonder mij zou weten te redden en die ik uitsluitend nog terug zou zien aan de hand van een andere jongen, en we zullen wel naïef zijn als we denken dat onze grootmoeders tenminste nog kuis bleven toen onze grootvaders hun verantwoordelijkheden namen en uit economische noodzaak naar de Franse en Waalse suikerfabrieken vertrokken. Of naar een oorlog. Maar dat waren gedachten voor later, ik wist nog van niets.

Op het vliegtuig begreep ik dat ik voortaan was overgeleverd aan collega's die zich beachboy lieten noemen, dat ik mij zou moeten bekwamen in gesprekken over surfplanken, mij omringd zou weten door kerels met lange haren die mochten vallen in een mooi gebronzeerde nek, met borstkassen die als hoofdkussen werden gebruikt door meisjes waar ik nog niet eens naar kijken durfde. In mijn bagage stak ergens de briefwisseling tussen Gustave Flaubert en George Sand, ik had het toepasselijk gevonden omdat die laatste zich op Mallorca had verschanst, maar ik schatte mijn kansen somber in dat ik het straks met ook maar iemand over Flaubert zou kunnen hebben. Ook mijn voornemen om het klooster te bezoeken waar Chopin zijn onheilspellendste pianostukken had geschreven zou ik niet kenbaar moeten maken aan het personeel van een clubhotel. Ik zou veel missen, begreep ik ergens 9 kilometer boven de grond, en mezelf niet het minst.

Van Barcelona hield ik nog niet zoveel als ik later zou doen, maar toen ik er een tussenlanding maakte, zag ik mijn toestand plots zo helder in dat ik overwoog om de luchthaven te verlaten, de stad in te trekken en er naamloos te verdwijnen in de plooien van de tijd. Hoe lang zou het duren voor ik daar als bedelaar een oude bekende tijdens zijn citytrip tegen het lijf liep? Vragen die ik op me afvuurde om dezelfde reden als die waarom anderen zich op kruiswoordraadsels storten, kan ik me inbeelden. Om een heel klein beetje dood te zijn, om met z'n gedachten ergens te vertoeven waar verkeerde antwoorden geen gevolgen hebben, evenmin als de juiste. Uiteindelijk wrong ik mij toch op het kleine vliegtuigje richting Palma, zo een prutsding dat om turbulentie smeekt, gevuld met reizigers die van een vakantie niet meer verlangden dan dat ze'r een bruiner vel aan overhielden. Veel boxershorts om me heen, T-shirts met afbeeldingen van strandsporten op, en als handbagage zag ik redelijk veel beautycases meegesleept, of hoe heten die koffers vol kammetjes en potjes huidverf. Dit waren de mensen die ik zo meteen zou moeten vermaken, en ik had geen idee hoe men daaraan moest beginnen.

Animator is een vak, om het me eigen te maken wachtte mij eerst nog een drie weken durende cursus in het clubhotel. Slaagde ik niet voor die cursus, dan mocht ik onverrichter zake weer naar huis vertrekken, en daar had ik het geld niet voor. Ik was met andere woorden sterker gemotiveerd te slagen voor het examen van animator dan ik ooit was geweest om die absurde integraalberekeningen onder de knie te krijgen. De man die in Antwerpen het sollicitatiegesprek had afgenomen (hij stond erop te worden aangesproken met 'Tricky', daarmee moet zijn karakter al voor ongeveer de helft zijn geschetst) leidde de lessen en had me meteen na mijn aankomst laten weten dat er van rotsklimmen met de klanten geen sprake zou zijn, aangezien de verzekering van het hotel daar moeilijk over deed. Ik zou meedraaien in het systeem, niet meer, niet minder.

Zo zou ik bijvoorbeeld de begeleider zijn van de hele reutemeteut recreatiemogelijkheden waarvoor de klanten hadden betaald: boogschieten, karabijnschieten, waterpolo, voetbal, beachvolley, darts, noem maar op. Van een animator werd tenslotte verwacht dat hij die dingen beheerste en dat heb ik nadien gemerkt. Als ik de vakantiegangers demonstreerde hoe ze een boog dienden te hanteren dan verwachtten zij niet minder van me dan dat ik de pijl regelrecht in de roos boorde. Behalve al deze spelletjes leerde ik tijdens die cursus hoe verdrinkende toeristen uit het zwembad te vissen, muziekjes door elkaar te mixen, volgspots te bedienen, en ander nuttigs uit de wereld van het entertainment, waar ik achteraf niets meer mee aanving, zoals met zovele nuttigheden die mij ooit werden aangeleerd.

Maar het gros van de dagen bracht ik dansend door. Een animator moet kunnen dansen, hij bevindt zich in een schijnwereld waar de echte polyglot gewoon meester is van de lichaamstaal. Elke vrijdag gaven de animatoren een cabaretvoorstelling, Singing in the Rain en zo, en er was een bejaarde ballerina overgevlogen om ons al die pasjes aan te leren. Twee uur tapdansen per dag. De zogenaamde 'Moonwalk' van Michael Jackson, die doe ik vlekkeloos. Een scène uit een film met Fred Astaire; ik speel ze u even na, mijn grootmoeder zou trots zijn geweest op mij. Iedere vrijdag slaagde ik erin op een podium tijdens een pirouette dood te gaan, hopend dat er niemand uit mijn kennissenkring het in zijn hoofd had gehaald in dit hotel een druk arbeidsjaar van zich te komen afschudden.

Er moeten fotoboeken bestaan met vakantiekiekjes, en dit verspreid over het hele continent, waarin ik te bewonderen ben terwijl ik de 'Copacabana' dans met pluimen op mijn kop. Van de Tarzanact in tijgerslip die ik wekelijks opvoerde, kan ik wellicht ook de bewijzen niet meer vernietigen. Om te overleven trachtte ik mij tijdens deze joligheden Het Niets voor te stellen. Ik was daar niet. Ik was nergens. De ergste dans echter was, wat heette, de clubdans. Een lijndans was dat, waarbij het voltallige cliënteel van het hotel diende op te veren en mee te dansen. De vakantiegangers stonden met het aangezicht naar de animatoren op het podium gericht, die hen alle bewegingen voordansten. Een gevoel van volstrekt samenzijn overviel de reizigers, en waar elders de negende symfonie van Van Beethoven voor dit doeleind wordt ingezet werden deze warme samenhorigheidsgevoelens in het hotel opgewekt door middel van de 'macarena', een in muziekindustrieën gefabriceerde dans die in de jaren negentig iemand veel geld heeft opgebracht. De dans bestond uit een opeenvolging van een aantal neukbewegingen, een zachter woord is er niet voor, die ik demonstreerde, waarna ik zo'n zevenhonderd mensen hun geslacht in mijn richting zag duwen. En dat in de juiste maat. Ik heb beslist om daar nooit ofte nooit nog eens van te dromen, en voorlopig lukt mij dat.

Heel vaak lijden mijn herinneringen aan detailzucht. Zo herinner ik me dat ik net een nieuw pakje Habanossigaretten had aangebroken en mijn derde café solo voor mijn neus kreeg van een reeks koffietjes die ik die namiddag zou afronden op zeven, toen mijn chef naast me op een barkruk kwam zitten, mij amicaal op de rug sloeg, en mij vervolgens een blad vol cijfers voorlegde. Het leek een denkspelletje, iets als Sudoku, of dan toch een voorloper ervan. "Dit zijn de kamernummers van alle dames die zonder gezelschap naar hier zijn afgereisd. Pik je er een kamer uit en zorg dat mevrouw een onvergetelijke vakantie beleeft!" Assertief ben ik nooit voldoende geweest, en ik heb er nog steeds veel aan te werken, maar die namiddag was ik het gelukkig wel. Soms moet je een chef de huid vol schelden voor hij jou met respect behandelt, dat had ik daar wel geleerd, en toen ik mezelf bij latere jobs onder andere rotbazen aan dit moment herinnerde, schonk mij dat ten eerste moed en leverde mij dat ten tweede mijn ontslag op.

Mijn collega's vielen op het eerste gezicht wel mee. Onder hen bevonden zich een aantal avonturiers, wereldreizigers die klussend hun zwerversbestaan bekostigden, alsook sukkels die net als ik de job namen die ze krijgen konden. Het beachboygehalte, het stoeigrietgehalte, het lag aanvankelijk aan de lage kant. Maar deze job ging met hen aan de haal, er waren er die maar al te vlot ingingen op de vraag van de chef en zich met een lijst kamernummers door de gangen van het hotel haastten. Na een poos kreeg ik weet van het bestaan van een klassement, dat ontoevallig werd aangevoerd door de zeilinstructeur en de tennisleraar. Punten werden verworven door meisjes te naaien. Ontmaagdingen telden dubbel, meisjes onder de zestien zaten sowieso in een hogere puntencategorie, en op het gebruik van condooms stonden strafpunten.

Ik zag ook dat de leiders in het klassement op payday meer briefjes in hun enveloppe aantroffen dan ikzelf, want een vast loon kreeg de animator niet. Er werd met bonussen gewerkt. Nergens in het contract, een vodje papier, had ik omschreven zien staan wat zo'n bonus voorstelde, hoe die kon worden verworven, en daar begreep ik plots alles van. In het huis dat ik met enkele collega's deelde, werden de wijven avond na avond aangesleept, en ze schreeuwden zoals het vrouwen wordt opgedragen te doen op de set van een pornofilm. Ik hield aan mijn narrenschap, omgerekend naar de huidige munt, 500 euro per maand over. Dat werd door mijn broodheren voorgesteld als een fenomenaal bedrag, waarvoor ik dankbaar diende te zijn, aangezien de animator tenslotte toch kost en inwoon kreeg. Daartegenover: ik was al vanaf negen uur 's morgens beroepshalve een vrolijke mens en stopte daar mee om halftwee 's nachts. Zes dagen op zeven. Siësta's bestonden daar niet, Spanje of geen Spanje. De lege schriftjes die ik in mijn koffer had gepropt om er zo nu en dan iets van een schone waardeloosheid in neer te krabbelen, bleven onaangeroerd, de boeken bleven dicht, voor brieven naar de verte was er geen tijd, mijn muziekcasette met daarop Arvo Pärt ruimde baan voor lambada's en ander laweit.

Op het middaguur liep ik tussen de ontblote borsten en de uit zwembroeken opborrelende bilspleten naast het zwembad en ronselde daar volk voor cocktailspelletjes. Iets als een Vlaamse kermis was dat; balletjes gooien naar potten en pannen, hoelahoepen rond staken slingeren en andere zinvolle activiteiten voor een kleuterklas. De winnaar van dit alles kreeg een gratis cocktail aangeboden, zo'n blauwe vloeistof met een rietje, een schijfje ananas en een hoop papieren parasols in. Je werd er dronken van, dat telde. De winnaar van de wedstrijd en de animator, samen in zwempak aan een tafeltje met een glas blauw, gezellig keuvelend over ditjes en datjes, mijn dagelijkse kalkemenietjes van een liefdestafereel. Hoe vaak heb ik daar lief gelachen naar vrouwen die ik gaarne dood wou schieten?

's Nachts zat ik met diezelfde vrouwen in de discotheek van het hotel, waar ik verplicht heen werd gestuurd en mensen diende te trakteren opdat zij dan dronken zouden raken en zich aangespoord zouden voelen om wreed veel geld uit te geven. Iedere avond zat ik daar, whisky te hijsen op kosten van het hotel of van een klant. Ik had nooit het geld gehad om mij met iets anders dan bier te beroezen en het had mij ook niet geïnteresseerd om dat te doen, maar opeens bevond ik mij in de toestand dat ik iedere avond, en dit maanden na elkaar, whisky's in mijn lijf goot, menige, en dat dit vergif mij op den duur enorm smaakte. Je liet de mensen op jou verliefd worden en zoop je ondertussen groggy.

In een aantal gevallen leidde dit tot situaties waarvoor een ander vertelstandpunt mij zeer van pas zou komen, situaties die mijn eer zouden hebben gered in het beruchte klassement als ik ze had opgebiecht, en dat die zaken zich bijna altijd voordeden met Duitse vrouwen weiger ik nader te bestuderen. Er lagen levens op me te wachten in München, in Dresden, in andere steden die ik alweer ben vergeten, en ongetwijfeld waren ze beter dan hetgene dat ik voorlopig leed. En om de gemoederen niet nodeloos te verhitten beloofde ik op al die levens in te gaan, ik kon er heus wel honderd aan. Eenzaamheid brengt mensen zover elkaar nog eenzamer te maken, die zin zou ik met meer tijd in mijn schriftje geschreven durven hebben. Het ene ongeluk sluit het andere niet uit: ergens over deze stranden liep toen ook de vrouw die van mij een vader zou maken. O macarena.

Na mijn verplichtingen in de discotheek zakte ik voor het slapengaan nog even af naar een kleine bar in de baai, voor nog een café ron of vier en een tequila. Ik zag me dit steeds ferventer doen hoe langer ik die job deed. Eenzaam aan een toog zitten, mezelf een plaats reserveren in een reproductie van Edward Hopper, en tegen de sigarettenautomaat zeggen: "Eigenlijk ben ik schrijver".

Het is de taak van mensen om elkaar regelmatig uit te lachen, en ik neem het iedereen kwalijk dat niemand het toen met mij heeft gedaan.

Dat hotel was de hel en ik hielp haar heet te stoken. Ik had na verloop van enige werkweken evenwel de handigheid ontwikkeld om er te verdwijnen. In de kelder van het hotel bricoleerde ik met een figuurzaag decorstukken voor de shows in elkaar, ver weg van de massa. Ik bombardeerde mezelf tot begeleider van mountainbiketochten door het prachtige en onbeminde binnenland, zocht klanten bij elkaar om per kajak de rotsen langs de Middellandse Poel te verkennen. Je zat dan weliswaar nog altijd met toeristen opgescheept, maar je was tenminste weg uit dat hotel. Momenten die zowaar nog afgeleiden van geluk hebben opgebracht, al zou ik overdrijven door er verder nog aandacht aan te besteden. Maar het waren die avonden waar ik niet aan ontkomen kon, en waarop ik karaokegewijs mijn bijdrage aan de werkelijkheid leverde. Al dat zingen en we springen en we zijn zo blij, de missverkiezingen, de cabaretshows, de travestieshows. Of de dagen dat ik werd ingezet in de Kindergarten, een lawaaierig lokaal vol grut dat er een oppas kreeg omdat mama en papa eindelijk eens iets wouden doen waar ze in de loop van het jaar de tijd niet voor hadden: op hun kamer nog een kind maken waarvoor ze de tijd niet zullen hebben.

Gesprekken met mensen heb ik er amper gevoerd, en ik werd ziek van het gemis aan een deftige volzin. Het enige gesprek die naam waardig voerde ik in de discotheek met een piloot die zijn hele leven lang Boeings naar Palma had gevlogen en nu wegens interne reorganisatie of een andere leugen op straat was gezet. Dat en een rothuwelijk met rotkinderen hadden hem ertoe gebracht naar Mallorca te gaan om zichzelf van kant te maken. Hij zei dit alles in keurige volzinnen en hij wist niet hoe hij mij daar een plezier mee deed. Daags nadien werden in zijn kamer de maten voor een doodkist opgemeten. Cargo. De kist verdween via een achterpoortje nadat iemand er de sticker 'fragile' op had gekleefd. En och, er was nog dat Italiaanse meisje met het kroezelhaar dat voor Neckermann werkte, die elke dag hele busladingen uitkieperde voor de poorten van een parelmakerij in Manacor, Ciara was haar naam, waarmee ik het een half uurtje over Kafka had. "Er is hoop, zij het niet voor ons." Die Kafka. Daarmee heb ik mijn plichten tegenover de volledigheid vervuld en heb ik ieder min of meer interessant gesprekje tijdens mijn loopbaan als animator opgesomd.

Het was een doodgewone dag van 40 graden Celsius in augustus toen mijn vriendinnetje opeens in het hotel stond om mij een aantal zaken te vertellen. Dat ze een ander had, een van mijn beste vrienden, maar dat moest ik maar als een toeval zien, en dat ze het met elkaar deden op de mat, omdat ze het uit schuldbesef niet aankon om met hem in mijn bed te liggen. Alsof ik die details wou weten. Ons appartement was alweer verhuurd, mijn spullen stonden ergens op een zolder, met uitzondering van datgene wat ze naar het vuilnis had verwezen. Ik was opeens een mens zonder adres, zonder thuis, zonder gerief. En animator. Maar ze had me de vijf laatste exemplaren van het Nieuw Wereldtijdschrift meegebracht om me te troosten. En de post die ondertussen voor me in de brievenbus was beland had ze ook mee. Daarbij een brief in mooi handschrift van ene Sander Blom, redacteur bij Uitgeverij Contact, lezer van het pak papier dat ik de ochtend voor mijn vertrek naar hier nog snel vol postzegels had gekleefd. Ik moest eens bellen, aldus zijn brief.

Op mijn eerstvolgende vrije dag huurde ik een motorfiets en snorde daarmee over het hele eiland, tot ik een telefooncabine vond die ik mooi genoeg achtte om er in te willen bellen. Uiteindelijk werd dat een cabine op het strand van Ca'n Picafort. Voor mij rollebolde de zee wat met zichzelf, links de heuvel van Menta, en achter mij een rij met badpakken, die ongeduldig wachtten tot ik klaar was met mijn gesprek. Zij hadden een thuisfront te melden dat de vlucht goed verlopen was, het weer uitstekend, de maaltijden in hun hotel verrukkelijk waren, dat kon ik wel raden. Redacteurs zijn niet de makkelijkste mensen om aan de lijn te krijgen, maar toen dat uiteindelijk was gelukt nam ik de enige foto die ik van Mallorca heb bewaard; de foto van de telefooncabine waarin ik vernam dat iemand iets in mij zag en mijn roman wenste uit te geven. Dezelfde dag nog nam ik mijn ontslag, en 's avonds ben ik vrijwillig karaoke gaan zingen uit volle borst en met een glimlach die geen van mijn bazen ooit al op mijn gezicht had gezien.

Nieuw leven wordt gewiegd. Daarom verliet ik Mallorca per boot, om mij te laten wiegen door de zee, en op het dek te staren naar een steeds kleiner wordend eiland. Ik was geen animator meer. Ik was zoveel niet meer. Ik was iets, waarvan ik vond dat ik het altijd al was geweest. Schrijver. Ooit ga ik terug naar Mallorca, en ga ik tegen die sigarettenautomaat naast de bar zeggen: "Zie je wel". Al zal het dan wel veel verstandiger zijn om het verleden het verleden te laten zijn, en zich niet op elke geografische plek die jou klein wou krijgen alsnog te willen wreken. Begin daar eens mee.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234