Donderdag 28/01/2021

Vissers koppen

Maandag begint op VTM de Vlaamse serie De kavijaks over een Vlaamse vissersfamilie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Als kind van de kust was Stephan Vanfleteren altijd gefascineerd door vissers, hun kroegen en verhalen. Al enkele jaren probeert hij als een visuele strandjutter de laatste vertegenwoordigers van deze uitstervende soort op te sporen en te portretteren.

Geen files, soapafleveringen op televisie of supermarktbezoek in het weekend. Maar wolken, horizon en water, de heilige drievuldigheid van een visser. Met de natuur in zijn wildste gedaantes op hun schouder. Storm, mist, orkaan, 'black frost', poollicht en vloedgolven. Uitgeleverd aan de zee, aan hun schip, aan hun bijgeloof en in het slechtste geval aan de reddingshelikopter. Vissers, ontrukt uit het leven aan land. Een volk dat zich vroeger niet noemde naar hun officiële familienamen maar naar hun lapjesnamen. Zoals de ondertussen bekende Kavijaks, maar ook Puste, Sjiekke, Mestkarre, Dove Fluppe, Harry Lap, Neuze, Piwie, Pis, Dikke Louis, Kleine Pieper, Kamiel Schoe en de Nobelprijswinnaar van de lapjesnamen: 'Poept in mien hoed'.

Wat een rijbewijs of identiteitskaart voor ons is, is het monsterboekje of zeemansboekje voor een visser. Een prachtig klein officieel boekje waar al je zeereizen in geregistreerd staan, met vooraan een pasfoto, vingerafdruk en persoonsbeschrijving zoals lengte, kleur van ogen, haar en gelaat en het lyrisch omschreven 'huidbeprikking'.

Het fenomeen van bijgeloof, dat omgekeerd evenredig verdween met de opkomst van de technologie in de visserij. Er mocht geen pastoor op de kaai of een non op het staketsel staan tijdens het uitvaren. Geen 'zoetekoeke' en zeker geen vrouw aan boord. Niet fluiten bij goed weer aan dek, want dan daagde je de wind uit. Nooit uitvaren op vrijdag met een schip dat uit reparatie komt en zeg nooit 'goeie reis' bij het vertrek, want dan was het uw schuld als dat schip op zee 'bleef'. En als je een 'vetje' (prostituee) liet pissen op de 'kule' van het visnet dan was een goede vangst gegarandeerd.

In 1950 telde de Belgische vissersvloot 457 schepen, in 1980 waren dat er nog 208. Vandaag gaat het nog om 113 schepen verdeeld over 3 vissershavens, Nieuwpoort, Oostende en Zeebrugge. De Vlaamse visserij beleeft al vele jaren harde tijden. Voor sommigen is ze ten dode opgeschreven door de almaar strengere Europese wetten omtrent visquota's en toegekende visgronden, het kwijnende visbestand en de steeds hardere concurrentie. Daarnaast zijn de onkosten opmerkelijk gestegen door de hogere dieselprijzen en loonkosten.

Als jongetje van de kust herinner ik me de 'va et vient' van uitvarende schepen aan de havengeul, de kaaien vol schepen, tonnen vis in de vismijn en de visserscafés vol met stoere mannen met tatoeages en lege glazen op de toog. Nu zijn er welgeteld nog tien vissersschepen in Nieuwpoort en een klein overblijvend visserscafeetje 't Schipje. De vissersboten zijn vervangen door de zeiljachten, de vissers door toeristen. 'Klein Papaatje', een visser op rust, die zo heette vanwege zijn vaderschap op zijn zeventiende, formuleerde het zo: "Een toerist gaat met zijn voeten in het water staan en draait 's avonds zijn rug naar de zee om naar huis te gaan, maar ik kan niet op strand staan, de zee roep me, trekt aan mijn mouw, niet als een maîtresse maar als een eeuwige geliefde."

Mijn zoektocht als 'visuele strandjutter' langs de Belgische kust op zoek naar sterke koppen en ontroerende verhalen begon bij mijn vroegere buurman Hubert Legein, beter gekend als Berten Bikje, de jongste van de vijf broers. Leopold, Gusten, Harry, Kamiel waren allen garnaalvisser maar niet één die kon zwemmen. In de namiddag wandelde hij rond op straat met zijn klompen, vissersklak en zijn pijp in de mond. Dertig jaar later sta ik aan de deur van zijn visserhuisje in de duinen. Ik met mijn fototoestel, hij met zijn melancholische geest. "Ge moet het niet uitstellen, kom maar langs", had hij nog aan de telefoon gezegd. Iedere dag fietste hij 's nachts naar Nieuwpoort, viste de hele nacht op garnalen, verkocht zijn garnalen op de kade in de namiddag en kroop om negen uur 's avonds weer in zijn bed. Hij heeft tijdens de oorlog de Lancasterbommenwerpers zien overvliegen om de Duitse industriesteden plat te leggen en in omgekeerde richting de V1 of V2 horen fluiten richting Londen. Niet lang na ons gesprek is hij gestorven, de laatste der Bikjes.

Boelie (Cyriel Frans) is eind 2005 gestorven. Zijn vrouw was nog niet bekomen van het verlies haar man of ze kreeg drie maanden later het vreselijke nieuws te horen dat hun zoon op zee was 'gebleven' samen met twee andere bemanningsleden. Eén had zich kunnen redden door op de kiel van het gekapseisde schip te klauteren.

Julien Vermote ontmoette ik ook op het einde van zijn leven. Hij was 76 jaar en zat al enkele jaren in het Godtschalck, een zeemanshuis voor vissers, binnenschippers en mannen van de lange omvaart. Hij zat altijd op zijn stoeltje zijn sigaretje te roken. "Mijn knieën zijn kapot door altijd de deining van de zee op te vangen. Neen, ik mis de zee niet. Dat is voorbij, de zee ligt achter me. Trek moar mien lelijke muile voordat het te laat is."

Toch zijn er nog altijd jongeren die zich geroepen voelen om de zee te trotseren. Ruben of 'den Rosten' vanwege zijn hoogblond haar stamt uit de bekende Heistse vissersfamilie Ackx. Hij studeert in Oostende aan de enige overgebleven visserijschool in België. Zijn opa is op zee 'gebleven' in 1982 maar dat schrikt hem niet af. "Het zit in ons bloed, ik ben erin opgegroeid. Moeder zou willen dat ik iets anders doe maar ik doe dat zo graag. Op land is alles zo druk. Op zee is er enkel water en lucht. Maar er is ook een minder mooie kant. Bij mist of windkracht negen heb ik toch een beetje schrik. Rollen en stampen, de bokken die het water raken, de 'neuze' van het schip dat in de golf 'stekt'. Het is als een roetsjbaan. Maar na een paar dagen zware zee is de lol er wel vanaf. Dan verlang je om naar huis te gaan. Maar eenmaal thuis, verlang ik weer naar de zee."

Jeffry Neyts, ook wel 'Bananne' genoemd, komt ook uit een vissersfamilie uit Heist. "Grootvader had zeven eigen schepen. Eerst deed ik metaalbewerking en mocht ik geen visser worden van mijn ouders. Maar met een beetje zagen kon het toch. De eerste zeereis met de visserijschool dit jaar was ik zelfs zeeziek bij platte zee. Dat kwam omdat ik deze zomer met een ander schip heb gevaren. Die verandering gaf een verwarring in mijn lichaam. Ieder schip heeft zijn eigen manier om door het water te glijden, zijn eigen logica, zijn eigen karakter. Ik wil later graag met de grote vissersschepen mee. Ver en lang. Deze zomer was het prachtig toen ik in verre zee de dolfijnen bij zonsondergang onder ons schip zag zwemmen."

Sevriano Demaerel of beter Sef is een klasgenoot van 'Bananne'. Zijn grootvader was IJslandvaarder maar zijn vader koos voor de landmacht. "Het is de vrijheid die me aanspreekt. Het is anders dan gewoon werk. We moeten die traditie van de visserij in Oostende redden. Wij zijn de trots van Oostende. Wij hebben lef, wij gaan op zee, wij zijn de echte. Zonder ons geen vis op het bord. Maar mijn moeder is er niet echt voor te vinden dat ik visser wil worden. Veel van haar familie is op zee omgekomen. Ze is ongerust als ik op zee ben, dan rijdt ze soms langs de zee en gaat dan op het strand staan om naar de zee te kijken. Zelf loop ik graag langs de kaai. Als je een schip ziet uitvaren dan mijmer ik over waar het naartoe vaart. Dan wil ik mee, de deining voelen, de meeuwen horen, het zeezout smaken. Een zonsondergang kan mij nog altijd ontroeren. Mijn vriendin ziet soms ook een zonsondergang, maar ik zie hem in zee, en dan veel mooier. Ik wil geen verre reizen doen, ik wil bij de kleine scheepjes blijven. 's Avonds vertrekken, 's morgens terug aan de kaai. Ik wil mijn lief behouden, zo ben ik ik iedere dag thuis.

"Enkele jaren geleden heb ik een maat van school verloren op zee met het schip De Flamingo. Het was Michaël Vansteenkiste zijn eerste grote reis. We lagen de dag van zijn vertrek nog samen in de hangmatten in ons kamp in de visserwijk den Opex. 'Ik ben er vandoor, ik zie je wel als ik weer terug ben.' Maar ik heb hem nooit meer gezien. Ja, zijn foto op het nieuws. Ik zat bij mijn mémé, de tv stond aan. 'Vissersboot gekapseisd' meldde het nieuws. We konden onze ogen niet geloven toen we die foto van De Flamingo op het scherm zagen. We waren verrast. Het was stil aan tafel. Het drong niet door. Ik wou dan nog meer dan ooit visser worden. Toen ik de eerste keer na het ongeval weer buitenvoer moest ik aan hem denken. Het staketsel was het laatste stukje land dat hij zag. Diep in zee zei ik: 'Hey Michaël, ik ben ook bezig, ik ben hier ook'."

Ooit was Johan Deley een kwajongen uit het bekende visserskwartier Den Opex in Oostende. Als dertienjarige was hij weggelopen van huis en ging voor zijn eerste reis naar IJsland. Hij kwam uit een vissersfamilie berucht onder de lapjesnaam de Bakelandts. "Mijn grootvader had macht als een paard. De helft van het politiekorps moest komen om hem uit het café te halen wanneer hij weer eens iemand door het raam had gegooid. Zelf heb ik er toch ook al een paar bijeen geknokt. Vooral tegen marinesoldaten waren er vele 'haperingkjes'. Van de drie dagen aan wal tussen twee zeereizen had ik toch altijd één goed gevecht. Dinsdag kreeg je op je smoel en woensdag waren we samen pinten aan het pakken. Maar mijn vrouw verliet ik nooit als onze ruzie niet bijgelegd was. Ik wilde niet met een slecht geweten vertrekken. Dan kon ik rustig op het achterste van het schip onder de blote hemel aan mijn 'wijf' peinzen. En als mijn 'neuten' te veel begonnen te branden dan moest ik er maar eens aan trekken. Wat wil je als je zolang op zee zit. Dat is mijn echte leven.

"Ik ben 'preus' dat ik een visser ben. Ja, ik ben bruut, maar ik ben wel een goed mens. Op ieder schip bouw ik een kapelletje voor Maria en plaats ik een gewijd kruis tegen de muur. Een kaarsje brandt in de kapel voor rust en behouden terugkeer. Soms denk ik dat door mijn vloeken mijn gebeden niet altijd aanhoord worden. Ons schip Koning der Engelen (O 369) zijn we verloren in zee. 59,54 N en 04,01 W staat in mijn geheugen gegrift, de plaats waar het gezonken is. Ik zat al met mijn knieën in het water maar ben toch op mijn gemak naar boven gegaan en nog vier pintjes meegenomen voor op ons vlot, want het kon soms wat even duren voordat de helikopter uit Schotland ons ophaalde. Ik heb toch een 'krak' gekregen nadat we dat schip verloren hadden. Je krijgt sowieso een maand vrij maar het heeft nog half jaar geduurd voor ik weer naar beneden naar de machinekamer durfde. Ik had nog 65 oude Belgische franken over na het ongeval en ik had 25 jaar keihard gewerkt. Dat deed meer zeer dan een vuist in je gezicht."

Fernand Puystiens (Puste) leeft ook nog in het zeemanshuis het Godtschalck. Viermaal in zijn leven is hij overboord gevallen, een wonder dat hij nog leeft verkondigt hijzelf. Een eerste overbrugging aan zijn hart hield hem aan wal en met zijn tweede overbrugging mocht hij op ziekteverlof. Hij denkt nog iedere dag aan de zee, zijn droom is ooit nog eens terug op zee te gaan. Hij verdeelt zijn tijd met miniatuurscheepjes te maken en op zijn mondharmonica te spelen. Zelfs nu staat hij nog iedere nacht om halfdrie op. Na al die jaren zit het ritme van het schip nog altijd in zijn lichaam.

Julo (Jules Desaever) is ook op rust. Hij vaarde mee op de Amandine, het laatste schip dat op IJsland vaarde. "Ongeveer vijf dagen 'spetteren' voor we aan de visgronden van IJsland toekwamen, maar soms kon het ook tien dagen duren bij slecht weer door stroming en wind. Ideaal om te slapen maar eenmaal aan de visgronden aangekomen kwam er van slapen niet veel meer in huis. Eén of twee uur per dag, daar mee moesten we het doen. Buiten op dek in temperaturen van soms min 35 graden als je dicht tegen wal van IJsland zat met koude droge landwind uit het noordoosten. De gevangen vis was na twee minuten keihard als een steen door de vrieskou. Je had in die koude geen gevoel meer in je handen, bij een snijwond bevroor je bloed, pas als je terug in je kajuit was en je handen ontdooide begon de wonde weer te bloeden. Maar ik deed graag den 'IJslandvaart' omdat je op IJsland die mooie gletsers kon zien.

"Weet je dat ik nog een eiland uit de zee heb zien ontstaan ten zuidwesten van de Hemaeyeilanden bij IJsland. Eind 1963 kwam er rook uit de zee, een ondergrondse vulkaanuitbarsting. Rookpluimen, gassen, zwaveldampen en rode lava die langzaam in zwarte lava veranderde. Surtsey-eiland was geboren. Het koperwerk van ons schip was op slag groen geworden.

"In hartje winter was het minder prettig want het was niet alleen koud maar ook altijd donker. Het licht kwam er pas op om kwart voor twee en was weer weg om kwart over drie. Soms zagen we het groene poollicht dansen boven de horizon. Bij sneeuwstorm konden we soms helemaal niets meer zien. Bij gebrek aan licht had je geen gevoel meer van tijd. Zo bakten we frieten als onbijt.

"Iedere IJslandvaart was anders. Enkel de eerste vier uur van de reis had ik het moeilijk, maar zodra mijn geest aan de gestrekte horizon gewend was, dan was ik weer een gelukkig mens. Mijn trouwdag was op dinsdag en donderdag was ik weer weg voor een reis van 39 dagen. De begrafenis van mijn moeder heb ik gemist en geen van al de communiefeesten van mijn kinderen heb ik meegemaakt. Het leven als visser is mooi voor jezelf maar niet voor je familie."

Maurice Zander, beter gekend als Pis, heeft afgezien als jongetje van veertien jaar op zijn eerste reis naar IJsland. "Ik was een 'sukelaere'. Ze speelde met je voeten en profiteerden van je. En maar patatten schillen, wc's kuisen en uren, dagen, weken ijsscheppen in het ruim. Gelukkig groei je na een paar jaren door als lichtmatroos, matroos en dan stuurman of machinist. Als je verstandig was of gevoel voor verantwoordelijkheid had kon je schipper worden. Na een lange reis ging ik me eerst snel wassen en zat dan drie dagen op café. Drinken tot mijn geld op was. En dan terug op zee om nuchter te worden. Door 't Gat ten noorden van Schotland , een gevaarlijke zeedoorgang van drie mijl breed die een korte weg was richting IJsland. Met verraderlijke draaikolken en onderstromingen door de samenkomst van de Noordzee en de Atlantische Oceaan. We hebben daar het schip O 288 verloren op kerstnacht. Onze boordinstrumenten waren kapot en daardoor zijn we op een rots gevaren. Een scheur van negen meter in de romp. We zaten tot aan onze nek in het water, we konden nog net aan de brug van het schip geraken.

"Na het ongeval was ik een paar weken thuis en vertrok dan weer naar IJsland. Toen heb ik pas schrik gehad. Het schip was water aan het maken in verre zee. Ik kon alleen maar aan mijn vrouw en kinderen denken, terwijl dat zeewater maar in de romp bleef binnenstromen. Het was een wedstrijd tegen de tijd om veilig in de haven van Fishermans Yard te geraken. Rik, onze lichtmatroos, zei: 'Als ik toch moet verdrinken kan ik beter in mijn bed kruipen. Hij stond 's morgen weer wakker in de haven alsof er niets gebeurd was. Hij was een jonge gast en zonder kinderen. Mensen die alleen zijn doen soms rare dingen. Sommige springen van boord als ze het niet meer zien zitten, zelfs de reddingsboei pakken ze niet meer. Ja, er was een die zelfs nog zwaaide om daarna opgeslokt te worden door de zee. De Noordzee is nog een beetje menselijk maar den Atlantic is onverbiddelijk. Het kon daar 'lelijk' doen. Twaalf beaufort en golven van meer dan vijftien meter hoog, dat zijn appartementen die op je afkomen, hé. We hebben eens een serieuze 'patat' gekregen, een golf die over ons schip sloeg. Ik kon me nog net vastklampen aan iets. Wanneer het schip zich weer recht trok en het water wegspoelde zag ik dat ik het been van mijn maat vasthad."

Charles Deblauwe, of gewoon 'Blauwe' voer al voor het eerst op zijn dertien jaar. "Ik liep nog al eens graag weg van huis en had me verstopt op het schip. Maar je moest veertien zijn om te mogen varen en ik moest voor zes weken terug naar school. Als jonge gast gingen we soms met de hele familie onze paai (percentage van de vangst) gaan halen om dan samen op café te zitten. In het café Bij Den Slappe, De Ferryboot. Sommige cafés waren wat aangebrander, geen 'kotjes' met neonlampen, maar wel met serveuses met diepe decolletés, waar dat er wel eens aan een 'tette' gekomen mocht worden. Nu zijn dat allemaal restaurants voor de toeristen geworden.

"Na mijn derde reis had ik een kleine oorlogsmijn gevangen. Ik had schrik gekregen maar moest van mijn moeder terug de zee op. We hadden het geld nodig. Ik moest mijn geld altijd afgeven tot aan mijn trouwdag. Als 23-jarige was ik een van de jongste schippers van het land. We werden ooit eens omver gevaren door een Grieks koopvaardijschip. Zes maanden heb ik buikloop gehad van schrik en als ik aan de kaai kwam begonnen mijn knieën te knikken. Van een storm had geen schrik maar mist, dat was een pest. In mijn beginperiode was er nog geen radar. Ik herinner me eens bij potdichte mist, de lichtmatroos die op wacht stond op de neuze van het schip, zag drie groene boeien. Ik besloot het anker uit te gooien. Maar zag wanneer de mist opklaarde dat ik midden in de vaargeul van het staketsel lag.

"We hebben van alles opgevist, de zee gekuist. Dieptebommen, torpedo's, wrakken en een cockpit van een oorlogsvliegtuig met nog een gescheurde parachute erin. In 1945 zat er eens een dode soldaat in onze netten. Enkel zijn uniform was nog te herkennen, zijn gezicht was onherkenbaar. We hebben hem terug in zee gegooid en onze vis wat afgespoeld. Ja, dat waren andere tijden, nu zou dat niet meer kunnen. De visserboot 077 heeft zelfs eens het zeemansgraf van een Engels admiraal opgevist. Dan denk je dat je na je leven rustig in je kist op de bodem van de zee kunt rusten en dan word je opgehaald door de netten van een vissersboot. Het deksel van de kist was opengevallen aan dek. Ze stonden te braken van de stank. Ze hebben hem met kist en al weer terug gegooid. In 1957 heb we een magnetische mijn van 2 meter lang opgevist. We wisten niet wat het was, we hebben er in volle zee nog staan op kloppen om te kijken wat erin zat. Het leek me een mooie cylindervormige souvenir. Tijdens het binnenvaren van de sluizen vroeg de sasmeester wat dat ding op het dek was. 'Ne Spoetnik van den Rus' antwoorde ik. Maar na onderzoek werd de ontmijningsdienst in volle paniek opgeroepen, de haven geëvacueerd en mijn schip werd op het strand getrokken."

Yves Meesschaert is nog een actief visser. "Ik blijf matroos, ik wil geen verantwoordelijkheid en zorgen van een schipper. Ik was altijd thuis bij de geboorte van mijn kinderen. Ik begon pas te varen op mijn achttien jaar. Ik mocht geen visser zijn van mijn moeder. De dag na haar begrafenis zat ik in zee.

"We blijven vissen tot 10 beaufort, bij 11 of 12 beaufort leggen we ons tegen de wind en wachten we tot dat de zee niet meer boos is. Als we in Engeland aanmeren durven we ook wel eens een café binnengaan om in de drank te vliegen en een 'rolletje' te slaan. Zo zijn we in de havenstad Grimsby eens opgepakt en hebben we eens een nachtje op 'hotel' moeten doorbrengen. Dat heeft ons veel geld uit gespaard. Je weet toch waarom een visser zoveel dorst heeft? Dat komt door dat zout water. Men vergeet ook dat we op zee geen druppel alcohol mogen drinken, ze zien ons aan land wel eens op waggele benen lopen maar dat komt door onze landziekte. Dat is juist hetzelfde als zeeziekte maar dan met een toog in de buurt.

"Er bestaat geen slimme visser, er zijn enkel domme. Waarom verklaar je anders dat we zo hard werken en zo weinig verdienen? Maar na een tijd kun je de zee niet meer missen, dus blijven we maar voortdoen. Er stroomt meer zeewater dan bloed door onze aderen. Ik heb nog nooit een reis gemist. Griep kun je niet hebben in zee. Veertig graden koorts, op dek ga je. Die vis moet gevangen worden. Een matroos was eens zijn vinger kwijt, hij had het niet eens gevoeld. Pas toen hij zijn handschoenen in de kajuit afdeed zag hij dat er een vinger ontbrak. Bij tandpijn sla ik mijn kop tegen de deur en laat ik aan wal mijn tanden uittrekken en om er nieuwe in te steken. We hebben ook eens een wonde toegebrand met een hete ijzeren pook en een beetje alcohol. Je gaat toch de helikopter niet bellen voor een sleutelbeenbreuk, zeker? We zijn geen mietjes of 'truntes'. Weet je, vroeger waren er houten schepen en ijzeren mannen, nu zijn er enkel ijzeren schepen en oude mannen."

Met dank aan het fonds Pascal Decroos

Ik heb nog een eiland uit de zee zien ontstaanCharles Deblauwe:

In 1945 zat er een dode soldaat in onze netten. We hebben hem terug in zee gegooid en onze vis afgespoeldYves Meesschaert:

Wij hebben landziekte. Dat is hetzelfde als zeeziekte maar dan met een toog in de buurt

Julien Vermote.Jozef 'Duimpje' Ocket.Johan 'Bakelandt' Deley.Albert Becue.Hubert 'Bikje' Legein.William 'Ambiorix' Delanoye.Yves Meesschaert.Pol Calcoen.Ruben 'den Rosten' Ackx.Marcel Coulier.Pol Beschuyt.Maurice Canzaele.Maurice 'Pis' Zander.Frans 'Sjiekke' Ghewey.Fernand 'Puste' Puystiens.Adrien De Coo.Jules 'Julo' Desaever.Zeger Lycke.Eugène 'Shorty' Gryson.Theofiel Degrootte.Gilbert 'Mestkarre' Viaene.Sevriano 'Sef' Demaerel.Gabriel Vercoutere.André Van Craeyenest.Cyriel 'Boelie' Frans.Charles 'Blauwe' Deblauwe.Roger 'Sjeten' Hubrouck.Raymond 'Dronken Mon' Vanneuville.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234